Bekijk het origineel

Christus’ heengaan om plaats te bereiden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Christus’ heengaan om plaats te bereiden

13 minuten leestijd

(3)

In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen, anderszins zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal ge~ gaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.

Johannes 14 : 2 en 3.

Het was ons goed met elkander te mogen mediteren over deze afscheidswoorden uit de afscheidspredikatie van de grote Profeet, Jezus Christus: „In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden." Vooral in de lijdensweken kunnen deze woorden ons zo toespreken. Daartoe is de Zone Gods uit de hemel der hemelen, uit het huis Zijns Vaders, nedergedaald op de aarde, om daar Zich te vernederen, om daar te lijden en te strijden, om daar tot zonde en tot een vloek gemaakt te worden, om alzo volkomen genoeg te doen aan het recht Gods, om de ongerechtigheid te verzoenen en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen.

O, dat verdienen van de zaligheid, dat verwerven van de vele woningen in het huis Zijns Vaders, wat heeft dat de lijdende Verlosser niet gekost! De dure prijs van de verbreking van Zijn lichaam, van het vergieten van Zijn bloed, heeft Hij er voor moeten opbrengen. Zo is Hij geWorden de Man van smarten, de schuldovernemende Borg, voor e^n doodarm volk met een onbetaalbare schuld, dat leert beven en zuchten onder de rechtmatige eis van God: „Betaal, wat gij Mij schuldig zijt."

En nu neemt Hij, zoals wij dat lezen in Joh. 14, 15 en 16, afscheid van de Zijnen, omdat dit deel van Zijn heerlijk werk, het verdienen van de zaligheid voor al de gegevenen des Vaders, ten einde loopt. Nog maar een betrekkelijk klein getal uren, en dan zal Hij, het hoofd buigende, de geest geven, na het uitspreken van het laatste der zeven kruiswoorden: „Vader! in Uwe handen beveel Ik Mijn geest."

Maar die enkele uren zijn uren geweest van diep en-smartelijk lijden. Ach, wat ligt er niet opgesloten in Zijn: „Ik g§ heen"; wat is de weg, waarlangs Hij heenging moeilijk en diep geweest, die weg liep niet maar langs de rand van de afgrond, maar door de hel heen, in het: „nedergedaald ter helle".

Maar die weg liep ook in de hof van Jozef van Arimathea door de dood tot het leven, van de hel naar de hemel, in wat er gebeurde op de Olijfberg: „En het geschiedde, als 'Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel." Het is geen wonder, dat Zijn jongeren Hem toen aanbaden en weder-keerden naar Jeruzalem met grote blijdschap, en dat zij alle tijd in de tempel waren, lovende en dankende God. Hun geliefde Meester was heengegaan in een weg van diepe vernedering, als de Man van smarten, maar ook in de weg van het uitermate verhoogd worden als de Heere der heerlijkheid. Hij was heengegaan o.m voor hen plaats te bereiden in het Vaderhuis met zijn vele woningen. Wij zagen al mediterende iets van de heerlijkheid van Zijn volbrachte werk en ook van het grote, wondere werk, dat Hij nog te volbrengen heeft in het schenken en toepassen van de zaligheid. Wat is dat groot iets, al is het maar iets, te mogen zien van de diepte en van de rijkdom, die daar ligt in dat kleine zinnetje van de afscheidsrede van de Heiland: „Ik ga heen, om u plaats te bereiden."

Doch nu gaat de scheidende Heiland nog voort met Zich ook te openbaren als de blijvende en als de wederkomende Heiland, als Hij belooft: „En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben." De Heere Jezus Christus gaat heen, maar Hij komt ook weder. Hij blijft en komt weder niet lichamelijk, maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest. Zo blijft Hij met de Zijnen alle de dagen, zoals Hij belooft: „En ziet, Ik ben met ulieden alle de dagen tot aan de voleinding der wereld." Hij zal u, die Zijn verschijning hebt liefgehad, niet begeven of verlaten. Welk een onbezweken trouw.

Welk een innige, onverbrekelijke gemeenschap! Zo komt Hij echter ook telkens weer, nl. om hen nabij te zijn, in allerlei nood en dood.

En eenmaal zal Hij wederkomen in grote heerlijkheid, op de wolken des hemels, om te oordelen de levenden en de doden. Waar is de verheerlijkte Christus mee bezig in de tijd tussen Zijn heengaan van de aarde en Zijji wederkomen op de wolken? Hij heeft het ons Zelf verklaard, dat Hij in die tijd ten nutte van de Zijnen werkzaam is. , , Ik ga heen, om u plaats te bereiden." Een plaats voor helwaardigen in het Vaderhuis met zijn vele woningen!

Het is een wonder in onz' ogen, Wij zien het, maar doorgronden 't niet!

Een toebereide plaats! — Welk een genade! Welk een rust! Doch, bij een toebereide plaats behoort een toebereid volk. Terwijl zijn plaats in de hemel voor een kind van God toebereid wordt door de barmhartige Hogepriester, van Wie wij lezen: „Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt", wordt op aarde datzelfde kind van God toebereid voor de hemel, voor het betrekken van zijn woning in het huis des Vaders met zijn vele woningen. Als wij door Gods genade door een oprecht geloof Christus zijn ingelijfd, als wij zo een lid geworden zijn van het mystieke lichaam, waarvan Hij het Hoofd is, dan worden wij in de weg van de waarachtige bekering, die dagelijks weer moet plaats hebben, toebereid om op Gods tijd toegelaten te worden in het Vaderhuis met zijn vele woningen, om in te nemen de toebereide plaats, waarvan wij hier al mogen zingen:

De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren, O heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren.

En waarin bestaat de waarachtige bekering van een zondaar? Onze Heidelbergse Catechismus zegt het ons zo schoon en zo klaar in zondag 33: In twee stukken: in de afsterving van de oude, en in de opstanding van de nieuwe mens. Wat is de afsterving van de oude mens?

Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben en dezelve hoe langer hoe meer haten en vlieden. - — Wat is de opstanding van de nieuwe mens? Het is een hartelijke vreugde in God door Christus, en lust en liefde om naar de wil Gods iu alle goede werken te leven."

Die toebereiding van een zondaar voor een toebereide plaats, daar moet gij, mijn lezer, nu maar eens êen poosje rustig en biddend over mediteren. Wat 'n gedachten kan dat onder de leiding van Gods Woord en Geest bij u oproepen! — Deelt gij reeds in die toebereiding door de Heilige Geest? Kent gij iets van het gast en vreemdeling zijn op aarde? van het heimwee naar het Vaderhuis?

En, zo gaat de Heiland verder: „zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben."

„Zo kom Ik weder." Zo wordt de discipelen geopend het zalige vooruitzicht van een begeerlijk wederkomen. Zo kom Ik weder. Waaraan hebben wij daarbij te denken? Er zijn er, die menen, dat hier bedoeld wordt een geestelijk wederkomen van Christus tot de Zijnen, waardoor zij dan worden opgenomen in de volle gemeenschap met de verheerlijkte Christus door de Heilige Geest. Tot staving van dit gevoelen beroept men zich op het woord: „Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u" (vers 18).

En zeker is er een geestelijk komen tot degenen, die zich als wezen hebben leren kennen, tot degenen, die in hun eenzaamheid en verlatenheid bidden: „Immers zal een wees bij U ontfermd worden."

Hoe rijk wordt er dan genoten, als de Heere Jezus, in het Woord, door de Heilige Geest, in de sacramenten komt tot zulke wezen, om ze te bezoeken met Zijn heil! Zo leren zij kennen de andere Trooster, van Wie wordt getuigd: „Hij zal u in al de waarheid leiden. Die zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen."

Doch, aan dat geestelijk komen tot wezen in het leven hebben wij wel, maar niet allereerst te denken bij de woorden van onze overdenking. Er wordt kennelijk allermeest aan een ander wederkomen gedacht, als er staat: „En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben." Er is hier sprake van een wederkomen, ten einde af te halen om dan samen te zijn in een bepaalde plaats, in het Vaderhuis.

„Zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen." Daarbij denken wij allermeest aan het komen van Christus tot de Zijnen om hen door een zalige dood in de hemel tot Zich te nemen. Als hun plaats bereid is in het Vaderhuis met Zijn vele woningen. als zij zelve zijn toebereid door de Heilige Geest, als zij rijp geworden zijn op de akker van Gods Kerk, dan komt de Heere Christus tot de Zijnen, om hen door een zalig sterven tot Zich te nemen. Zo mag er dan wel eens met reden op een rouwbrief worden gezet: „Heden nam de Heere tot Zich."

Wat wordt het sterven zo voor de ware christen een begeerlijke zaak! Owen heeft geschreven over: „De dood van de dood in de dood van Christus". Nu is de dood. al blijft hij vanwege de ontbinding van zovele banden, de laatste vijand, nu is hij toch niet meer de bezoldiging der zonde. Door Christus Jezus is reeds volkomenlijk betaald voor de zonde van Zijn ganse Kerk. Luister maar naar het getuigenis van de Christen uit onze Catechismus: „Onze dood is geen betaling der zonde, maar een afsterving der zonde, en een doorgang tot het eeuwige leven."

Gelukkig hij of zij, die de dood zo mag leren kennen, nl. als een wederkomen van Christus, om door Zijn engelen als gedienstige geesten, een Lazarus te dragen in de schoot van Abraham, om ze allen tot Zich te nemen. Zo beschouwd is de jfc-ikkel van de dood weggenomen. Zo wordt de dood zelfs een zegen, een bode des vredes. Niet altijd behoeft gij, die de Heere vreest, te blijven in het lichaam der zonde. Straks komt de ure der verlossing. Het sterven is u gewin. Dat mag wel eens gezien en gehoord worden op ziek-en sterfbedden, waar mag worden getuigd van Gods vrije gunst, waar het oog des geloofs gericht mSg zijn op Jezus, de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Die Zijn duur-en vrij-gekochte af komt halen.

* „En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo koon Ik weder, en zal u tot Mij nemen." Daarbij denken wij aan het thuishalen door een zalige dood, waarvan de apostel Paulus aldus spreekt: hebbende begeerte, om ontbonden te worden, en met Christus te zijn, want dat is zeer verre het beste" (Filipp. 1 : 23). Doch bij dat: zo kom Ik weder, en zal u tot Mij nemen" hebben wij ook te denken aan de wederkomst van Christus ten jongste dage. Dan komt Hij weder, om Zijn ganse Strijdende Kerk, die dan nog is in het strijdperk van dit leven, daaruit te verlossen, en naar ziel en lichaam, veranderd iïi een punt des tijds, tot Zich te nemen. Bij dat eschatologische, dat uiteindelijke wederkomen van Christus, op de jongste dag, gaat ook in vervulling dit Zijn woord: De ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis" (Joh. 5 : 28 en 29).

Welkeen dag zal dat zijn! — „En wènneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijner heerlijkheid. En voor Hem zullen vergaderd worden al de volken, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt... Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: omt, gij gezegenden mijns Vaders! beerft het Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld... Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: aat weg van Mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is... En deze zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven" (Matth. 25 : 31—46).

Daarnaar heeft de Strijdende Kerk in haar beste tijden, te midden van droefenis en vervolging, met opgeheven hoofde, uitgezien. De Geest en de Bruid zeggen: Kom. En die het hoort, zegge: Kom; En die dorst heeft kome, en die wil, neme het water des levens om niet." De Kerk der vaderen spreekt in haar belijdenis (Art. 37) aldus: „Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus onze Heere."

„En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben." — Welk een rijke belofte! Met Christus te zijn, dat werd door de gekruisigde Verlosser toegezegd aan de. moordenaar, die bad: „Heere! gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn." Dat gebed vond verhoring: „Voorwaar zeg Ik u: heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn." Met Christus te zijn, daarnaar verlangde de martelaar Stefanus, toen hij stervende bad: „Heere Jezus! ontvang mijn geest." Dat was Paulus verre het beste. Dat wordt hier beloofd aan allen, die Zijn verschijning hebben liefgehad.

Zij zullen dan, niet maar bij ogenblikken, doch altijd met de Heere zijn.

Zij zielen hun Koning zien, Die zij gezien hebben met de doornenkroon, in Zijn schoonheid. Zij zullen niet alleen zijn aanschouwers van Zijn heerlijkheid, maar ook rijk gezegende deelgenoten er van.

Met een van alle smetten gereinigde ziel en met een verheerlijkt lichaam zullen zij God, Vader, Zoon en Heilige Geest, dienen dag en nacht, want God zal dan zijn alles en in allen. Ja, groot is het goed, dat God weggelegd heeft voor allen, die Hem vrezen. Is dat reeds geworden de schat ook van ons hart? „Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn."

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 maart 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Christus’ heengaan om plaats te bereiden

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 maart 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken