Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

UIT HET BOEK DER RICHTEREN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

UIT HET BOEK DER RICHTEREN

6 minuten leestijd

SIMSON (31)

Toen riep Simson tot de Heere en zeide: Heere, Heere. gedenk toch mijner, en sterk mij toch alleen ditmaal, o God, dat ik mij met één wrake voor mijn twee ogen aan de Filistijnen wreke.

Richteren 16 : 28.

Toen riep Simson tot de Heere... Wanneer hij daar te midden van de feestvierende Filistijnen om zijnentwil de naam van zijn God hoort honen breekt al zijn berouw en smart en verdriet over zijn grote kwaad door in een gebedskreet tot God. Het kreunt en kermt in zijn ziel. Hij kan niet meer verder. Hij mag ook niet langer het spel der goddelozen meespelen tot oneer van zijn God, daar steigert alles in Simson tegen op. Hij richt zijn holle oogkassen naar de hemel en zijn hart roept tot God. Heere, Heere, gedenk toch mijner en sterk mij toch alleen ditmaal, o God, dat ik mij met één wrake voor mijn twee ogen aan de Filistijnen wreke (vers 28).

Misschien schrikken we van dit gebed van Simson, waarin we menen een lust tot persoonlijke wraak te beluisteren. Er zijn er geweest die over dit gebed van Simson hun hoofd hebben geschud en die gezegd hebben: hoe durft Simson een dergelijk gebed te bidden, want hierin klinkt toch zo duidelijk persoonlijke wraakzucht door. Het gaat hem hier blijkbaar alleen om zijn beide ogen. Hij wil zich wreken op zijn beulen: dat ik mij met één wrake voor mijn twee ogen aan de Filistijnen wreke.

Wanneer wij in dit gebed van Simson niet meer zouden horen dan alleen maar persoonlijke wraakzucht, dan zouden we hem groot onrecht doen. Want inderdaad heeft de vraag het volste recht, hoe hij zou hebben durven bidden om wraak voor zichzelf, daar immers het uitsteken van zijn ogen hem op de meest smartelijke wijze herinnerde aan zijn zonde en schande. En zou de Heere dan een gebed om persoonlijke wraakzucht hebben verhoord?

De zaak ligt echter anders. We hebben er reeds op gewezen, dat er met Simson

in de gevangenis iets gebeurd moet zijn. We gaan er dan ook van uit, dat Simson in zijn gevangenschap en in zijn blindheid tot waarachtig berouw gekomen is en zijn zonde beweend heeft voor de Heere. En dat hij met zijn hart is weergekeerd tot zijn God, die hij smadelijk verloochend had en wiens Naam hij zo deerlijk aan de verachting had prijsgegeven door de weg van zijn vleselijke lusten te gaan. En dit is de vrucht geweest van Gods werk in het hart van Simson. Hij is met zijn Heilige Geest gaan werken. Hij heeft ontdekkende genade geschonken, verbrekende en verbrijzelende genade, zodat Simson in zijn nood en ellende geen andere toevlucht meer had dan de Heere. We zien daarvan ook bevestiging in vers 22, waar gezegd wordt, dat het haar van zijn hoofd weer begon te groeien. Dat kan immers niet anders betekenen dan dat de Heere Simson niet volkomen heeft losgelaten, dat Hij zijn knecht weer bezoekt. De Heere is in ontferming tot hem teruggekeerd en Hij geeft hem een teken, dat Hij zijn knecht uit zijn diepe val weer wil oprichten. En de Heere bereidt daarin reeds het uur voor, waarop Simson de smaad zal mogen uitwissen, die hij over de Naam des Heeren heeft gebracht. En dit alles is zeker niet buiten Simson's berouw en bekering omgegaan. Daar is een roepstem Gods geweest in Simson's hart: Keert weder, gij afkerig kind... en Simson heeft gehoor moeten geven aan deze roepstem en hij is wedergekeerd tot de Heere. Want als God roept wie kan dan ongehoorzaam zijn wanneer deze roepstem met onwederstandelijke kracht in het hart komt door de Heilige Geest?

Trouwens, hoezeer Simson hier de eer van zijn God zoekt blijkt duidelijk in de aanspraak van dit gebed. Hij roept de Heere aan bij zijn heerlijke namen waarin al de grootheid van Zijn Schepper en Formeerder ligt opgesloten en waarmee Deze zich aan zijn volk Israël heeft geopenbaard: Heere, HEERE en even later: o God. En daarin komt de spanning van Simson's gebed naar voren, zijn volkomen afhankelijkheid van de God zijns heils, zijn pleiten op de deugden Gods en de beloften Gods. En dat pleiten wordt al maar dieper en inniger bij het aanroepen van de naam des Heeren.

Eerst roept Simson God aan als Heere. Dit is het hebreeuws Adonai, de naam waarin Simson zijn God belijdt als de Almachtige, wien niets te wonderlijk is en die hem de kracht kan schenken om deze honende spot van de vijand de mond te stoppen. Vervolgens roept hij HEE-RE... We hebben dit Woord ditmaal geschreven met hoofdletters omdat hier in het hebreeuws staat Jahveh, de God van het Verbond, ook wel weergegeven met Jehovah. Zo heeft de Heere zich geopenbaard als de Verbondsgod aan Israël, de Getrouwe: Ik zal zijn die Ik zijn zal. Hij is onveranderlijk in zijn trouw en genade. Hij buigt zich dan ook in ontferming neer tot een zondig en schuldig volk, dat smeekt om genade voor recht. En tenslotte zegt Simson nog O God. Dat is in het hebreeuws Elohim. die zijn eer op deze dag ziet vertreden in het slijk door de spot en de hoon van de onbesneden Filistijnen, die zich nu beroemen op Dagon, hun god, hun elohim. En Dagon is machteloos, hij is geen god, geen elohim en toch krijgt hij de eer door Simson's zonde en schuld. Vandaar die smartekreet, o God, mijn Elohim.

Elohim. En door het noemen van deze drie namen Gods wordt het ons duidelijk, dat het Simson hier voor alles gaat om de Heere. Om Gods eer en Gods zaak tegenover deze onbesneden Filistijnen. Het gaat er hier om wie er God zal zijn: De Heere of Dagon? En wanneer Simson dan in dit verband bidt om wrake voor zijn beide ogen, dan spreekt zich daarin uit zijn diepe besef, dat de Filistijnen in hun wreedheid tegenover hem naar de Heere zelf hebben gestoken... Ze hebben in de geroepen Nazireër, God zelf willen vernederen en smaden.

En daarom moeten we niet denken, dat Simson gedreven wordt door vleselijke wraaklust op zijn vijanden, die zijn hart in brand zet. Want hij smeekt eerst: Heere, HEERE. gedenk toch mijner. En daarin trilt zonneklaar een schreiend beroep uit een verbroken hart en een verslagen geest door, een beroep op 's Heeren barmhartigheid en op de grootheid van zijn genade. Simson weet, dat hij zijn ambt verzondigd heeft. Hij is het niet waard dat de Heere omziet naar zijn trouweloze knecht. Maar, Heere, gedenk mijner naar de grootheid van uw genade en naar de rijkdom uwer ontfermingen. Het gaat toch immers om uw eer, o mijn God. Zult ge u laten smaden en honen door deze Filistijnen? En zo bidt hij om nog eenmaal kracht te mogen ontvangen dat ik mij met één wrake voor mijn twee ogen aan de Filistijnen wreke. Dan zal daarin openbaar komen, dat de Heere alleen God is. En hierin is Simson ook een voorloper van Christus geweest. Die niets anders gezocht heeft dan de ere zijn Vaders en die de Vader op het hoogst verheerlijkt heeft in zijn eigen ondergang aan het kruis. Zo is ook Simson ondergegaan in het zoeken van die eer van zijn God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 29 June 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

UIT HET BOEK DER RICHTEREN

Bekijk de hele uitgave van Saturday 29 June 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken