Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE ADVENTSBOODSCHAP

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE ADVENTSBOODSCHAP

15 minuten leestijd

Jesaja 28 : 16.

Wanneer een verstandig mens een huis laat bouwen, dan vraagt hij niet in de eerste plaats naar een mooie gevel. Een dwaas noemen wij hem, die vóór alle dingen vraagt: „zal mijn huis de aandacht trekken? zullen de voorbijgangers het roemen? zullen ze er voor stil blijven staan? "

Veel meer reden is er om te letten op de inrichting van het huis. Gij hebt het immers niet om er voor te gaan staan en het met een ijdel welgevallen te bewonderen. Neen! gij hebt het, om er in te wónen. Vanzelf zult gij dus meer waarde hechten aan een goede, geriefelijke inrichting, dan aan een gevel, die de aandacht trekt.

Doch vóór alles zult gij bij het bouwen van een huis deugdelijkheid als eis stellen. Het moet zijn hecht en sterk. En een eerste voorwaarde daarvoor is: een goed fondament. Wat hebt ge aan een mooie gevel? wat hebt ge zelfs aan een geriefelijke inrichting, als het huis niet stérk is, als het fundament het eigenlijk niet kan dragen? Aan het wonen in zulk een huis zijn immers gevaren verbonden.

„Een goed, een betrouwbaar fundament", dat is dus het eerste, waarnaar gij vraagt bij het bouwen van een huis.

Gij begrijpt, dat wij u bij deze dingen bepalen, om u met het oog op de eeuwigheid toe te roepen: „denk om het fundament!" Het is niet hetzelfde op welke grondslag het gebouw uwer hope rust.

Zovelen zijn in geestelijk opzicht tevreden, als de gevel van het gebouw maar schoon schijnt. Er wordt zoveel gevraagd: „Wat zullen de mensen er van denken? er van zeggen? " En als die nu uw huis niet afkeuren, maar het goedkeuren. het prijzen, omdat het er van buiten zo aardig uitziet, dan is dat velen genoeg. Ach! vergeet toch niet: het oordeel van medemensen, zelfs van oprechte gelovigen, mag u niet genoeg zijn. Zij immers zien het fundament niet. En daarop juist komt het aan. Laat u niet leiden door dwaze ijdelheid en vals eergevoel! Wees niet tevreden met een schone schijn! Maar al evenmin moogt gij gerust zijn, als gij van het gebouw uwer hope kunt zeggen: „Het is ingericht geheel naar mijn wéns, het is mij aangenaam er in te verkeren!" Wat zal dat u baten, als het straks ineenstort, en gij voor eeuwig onder de puinhopen wordt begraven? Gij hebt een huis nodig, niet maar voor enkele jaren, niet maar gedurende de tijd van uw leven, maar gij hebt een huis nodig, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.

Een huis geheel en al naar uw wens en begeerte, dan vrees ik, dat gij het plan zelf hebt gemaakt en het huis zelf hebt gebouwd en dat gij te weinig aandacht hebt besteed aan het fundament.

Een huis naar uw bestek en tekening, door u ook gebouwd, wordt afgekeurd door de grote Bouwheer van Zijn Kerk. Als Hij er in blaast, als Hij het aanraakt, dan waggelt het op zijn grondvesten, die immers maar zand zijn. En het stort ineen, het valt in puin.

Laten wij dan toch een nauwgezet onderzoek instellen naar het fundament van het gebouw onzer hope. Laten wij de Heere vragen, of Hij het fundament bloot wil leggen, door Zijn Woord en Geest, voor de ogen onzer ziel!

Er is grote oorzaak tot vrezen, als wij bouwen op de goedheid van de goede God buiten Christus, op onze goede werken, op onze gebeden. Wat al fundamenten worden er niet gelegd, met veronachtzaming van het ernstige woord: Niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Christus Jezus" (1 Cor. 3:4).

Het geldt de eeuwigheid. Het gaat om onze kostbare ziel. Nog is het voor ons, Gode zij dank! het heden der genade, de dag der zaligheid. Wij mogen nog leven, leven in de mogelijkheid om zalig te worden, ook al liggen wij verloren door eigen schuld.

De Adventstijd voor het Kerstfeest spreekt ons van Gods opzoekende zondaarsliefde, van Zijn onuitsprekelijke gave in de Immanuël, God met ons.

Onder de Messiaanse profetieën is er ook een, die de kinderen onder ons misschien niet kennen, maar die onze overdenking meer dan waard is. Wij vinden haar in Jesaja 28 : 16: Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: ie, Ik leg een grondsteen in Zion, een beproefde steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten."

Toen Jesaja met deze profetie tot Israël moest gaan, zeg het er, èn in Efraïm, èn in Juda, droevig uit. Men spotte met het heilige. Dat deden zelfs de oversten des volks. Zij zeiden b.v.: „Wij hebben een verbond gemaakt met de dood, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt." Kan het érger?

„Een verbond met de dood, een voorzichtig verdrag met de hel", zo durfden de leidslieden van het volk te spreken. Zo durfden zij de Heere te tarten en te tergen in Zijn aangezicht. Ernstig waarschuwt Jesaja aldaar: „Nu dan drijft de spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden."

En daarom, omdat men zulk een verbond gemaakt had, daarom leefden zij rustig. Dat verbond, dat voorzichtige verdrag, dat was hun grond, waarop zij bouwden. Huivert gij niet, mijn lezer, als gij dit leest? als gij denkt aan die oversten van Gods uitverkoren volk? als gij denkt aan al die verbonden van de oversten van ons volk? als gij denkt aan uzelf? Ja, nog verder gaan zij, daar zij zeggen: „Wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen: want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen." •— Zo spotten zij met de overvloeiende gesel, met de oordelen des Heeren. Tot hen zullen ze niet komen, want zij hebben een toevlucht, en wel in de leugen, zij hebben een plaats der verberging, en wel in de valsheid. Door leugen en valsheid zullen zij zich redden. Alsof die iets zouden baten tegenover de alwetende God!

't Wordt dan ook voorspeld, dat het bed korter zal zijn, dan dat men zich daarop uitstrekken kunne; en het deksel

zal te smal wezen, als men zich daaronder voegt.

De valse gronden, die zij zichzelf hadden gemaakt, worden weggeslagen. Doch! te midden van al die bedreigingen vinden wij toch ook nog het Evangelie. Als de Heere van de valse gronden in beeldspraak zegt: „Het bed zal te kort zijn en het deksel te smal", dan laat Hij niet na te wijzen op de enige grond om op te bouwen en te vertrouwen. De Heere is nooit eenzijdig. Hij laat ons de vloek prediken, maar ook de zegen, de dood, maar ook het leven. Wat zijn wij in ons preken en in ons spreken dikwijls maar eenzijdig! Hier alleen de wet! Maar is het wel de Wet des HEEREN? — Daar alleen het Evangelie! Maar is het wel het Evangelie van Jezus Christus, en Die gekruist?

Hier in Jesaja 28 hebben wij beide: e twee wegen, de weg des doods, maar ook de weg des levens, het: wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan!", maar ook: Zegt de rechtvaardige, dat het hem wel zal gaan!" (Jer. 3:10 en 11).

Luisteren wij dan nu met elkander naar de stof van onze overdenking: „Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik leg een grondsteen in Zion, een beproefde steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten."

Onze aandacht wordt door Gods Woord gericht:

1. Op Zions beproefde grondsteen. 2. Op Zions kostelijke hoeksteen.

3. Op Zions levende stenen.

„Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik leg een grondsteen in Zion, een beproefde steen."

„Zion!" — Daarbij hebhen wij te denken aan het volk van Israël, in het bijzonder in zijn kern, het overblijfsel, dat is naar de verkiezing der genade. Gans Israël zal zalig worden, eerst de Jood en ook de Griek. Simeon heeft er van gezongen: „Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Zijn volk Israël." — Daarom is nodig de zending onder Israël. Jezus Christus, de grondsteen, de beproefde steen, is in Zion gelegd. De zaligheid is uit de Joden: In Bethlehem, in de kribbe van de beestenstal, daar ligt in het Kindeke Jezus, de grondsteen, de beproefde steen, in Zion, onder Oud-Israël gelegd. O, dat wij dan dit volk niet vergeten en denken aan wat de apostel Paulus schrijft in Romeinen 9: „Ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees; welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen; welker zijn de vaders, en uit welke vaders Christus is, zoveel het vlees aangaat; Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen."

„Zion!" — daarbij hebben wij verder te denken aan de Kerke Gods, aan het andere volk, zoals de Heere Jezus zegt. een volk uit de Joden en uit de heidenen, het Israël Gods, een uitverkoren geslacht: .Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt" (Matth. 21:43). — Die Kerke Gods wordt hier getekend als een gebouw en dus hebben wij hier te letten op het fundament, zoals wij lezen: Ziet, Ik leg een grondsteen in Israël, een beproefde grondsteen."

Waaraan, of liever aan Wie, hebben wij daarbij te denken, bij die grondsteen, bij die fundamentsteen, in Zion? bij die beproefde steen?

Als de Heere zegt: Ziet! Ik leg een grondsteen in Zion, een beproefde steen, dan hebben wij hier niet te denken aan koning Hizkia, zoals velen willen. Van Hizkia kan niet gezegd worden, wat wij in onze tekst lezen. En bovendien: e Schrift zelf verklaart ons duidelijk, dat de grondsteen van Zion alleen is: e Heere Jezus Christus. Hij is de rotssteen Israëls, Wiens werk volkomen is, van Wie Mozes reeds getuigde. En wat alles afdoet, de apostel heeft in zijn eerste brief onze tekst aangehaald als ziende op Christus. Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Zion een uiterste hoeksteen, die uitverkoren en dierbaar is; en: ie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden" (1 Petrus 2:6).

Ja, Christus Jezus is de grondsteen van Zion, dat leert ons Gods Woord overal. Van Hem zegt Paulus: „Niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Christus Jezus."

Pogingen om een ander fundament te leggen zijn er alle eeuwen door vele gedaan. Tot op de huidige dag gaan wij daarmede door. Wij willen van nature niet weten van de Heere Jezus, 't Is de begeerte van de zondaar zichzelf zalig te maken, en niet zalig gemaakt te wórden. En zo zijn wij van onszelf steeds bezig met het leggen van fundamenten. Toch kan er geen ander gelegd worden dan Jezus Christus. Elk ander fundament is bedriegelijk, wordt door de Heere God afgekeurd. De grondsteen van Zion echter kan dragen al de levende stenen, die er op worden gebouwd. Die grondsteen wordt niet afgekeurd, want hij is door God zelf gelegd. Met welgevallen ziet Hij er op neer. En hoe zou een fundament door de Almachtige gelegd, kunnen bezwijken? Zijn werk wordt nooit verbroken. „De grondsteen door God Zelf gelegd", zo toont Hij dat Hij nog zondaren wil redden, wil bewaren voor wegzinken in de ruisende kuil en het modderig slijk.

De Heere HEERE zegt: „Ziet, Ik leg een grondsteen in Zion." Hij voegt er aan toe: „een beproefde steen". Reeds in de raad des vredes heeft de Vader dit fundament aangewezen als beproefd en betrouwbaar. In de volheid des tijds is de grondsteen in Zion, Jezus Christus, op allerlei wijze beproefd. Beproefd werd Hij door zware verzoekingen, doch Hij heeft de proef glansrijk doorstaan. Beproefd werd Hij door de bittere wateren der smart, door de geweldige golven en baren van Gods toorn. Dit alles echter heeft de Heere Jezus doorstaan. Hij is niet bezweken. Met het oog daarop mogen wij wel zeggen, dat het fundament, de grondsteen van Zion nauwkeurig is beproefd. Van de deugdelijkheid van dat fundament hangt ook zo ontzaglijk veel af. Het gaat hier om de redding en zaligheid van de uitverkorenen. Het gaat hier nog meer om de ere Gods.

Dit fundament voldoet aan het welbehagen, aan de eis des Heeren. De Heere HEERE zegt: „Ziet, Ik leg een grondsteen in Zion, een beproefde steen." De Heere, niet met hoofdletters in onze geliefde Staten-Bijbel, zegt ons, dat er in het Hebreeuws een woord staat, dat betekent de Heer, de Gebieder van alles en allen. En HEERE met hoofdletters in de Staten-Bijbel zegt ons, dat er in het Hebreeuws, in de grondtekst dus, staat een ander woord, namelijk Jehova, Ik zal zijn, Die Ik zijn zal, de getrouwe Verbonds-God. Welnu, de enige en waarachtige God heeft deze grondsteen in Zion gelegd als een door Hem beproefde steen. Hij heeft er als 't ware ingebeiteld het stempel van Zijn hoge goedkeuring. Hoevele malen heeft de Heere HEERE niet getuigd, dat Hij een welbehagen heeft in Jezus Christus, Zijn geliefde Zoon en in Zijn heerlijk verlossingswerk!

„Een beproefde steen." — Beproefd is de grondsteen van Zion ook door worstelende, lastdragende, afgetobde zondaren. Er zijn er door het werk van de Heilige Geest toch ook nu nog, en zij zullen er blijven, ondanks alle afval, tot de voleinding der wereld, die er aan ontdekt zijn, dat zij, aan zichzelf overgelaten, weg zullen zinken, die geen leunsel en geen steunsel meer hebbend en geen grond om op te bouwen, die als vermoeiden en belasten, als neer-en wegzinkenden, vluchten tot de Heere Jezus Christus. Het is hun vurige begeerte, dat hun voeten gesteld zullen worden op die onwankelbare, eeuwige steenrots, op die grondsteen in Zion, die beproefde steen, dewelke is Christus Jezus. In het toevlucht nemend'geloof mogen zij met al de last van hun zonde en schuld neerzinken op die beproefde grondsteen in Zion. En zie! Hij kan ook hen dragen, zodat zij, er op rustende, zich gerust, veilig en gelukkig gevoelen. O, die ogenblikken, waarin een zondaar mag geloven, dat hij op het enige fundament Jezus Christus rust, zijn zo zalig! Ook op deze wijze wordt Zions grondsteen telkens weer beproefd door wegzinkende zondaren, neergedrukt door zware lasten.

Ja, de ganse Kerke Gods van alle eeuwen, gevormd door een getal van levende stenen, dat niemand tellen kan, rust op het enige fundament, dat gelegd kan worden en het blijkt te zijn een fundament, dat niet wegzakt. Al wordt er nog zoveel op gebouwd, het kan de ganse bouw dragen. Door Zijn Goddelijke sterkte zal de Heere Jezus nooit bezwij-

ken, ja zelfs geen duimbreed wijken uit Zijn plaats. Welk een bemoedigende, vertroostende gedachte voor allen, die gebogen gaan onder het pak van zonde en schuld: Hoe groot, hoe zwaar het ook moge zijn, Jezus Christus kan ook ons met onze gehele last wel dragen!

De beproefde grondsteen, het fundamen van Zion, is een fundament, dat niet wegzakt, maar al evenmin kan het ondermijnd worden. In de oorlog, bij het belegeren van steden, ondermijnde men dikwijls door loopgraven de muren van een stad. Zou nu de vorst der duisternis met zijn machtig heir van trawanten zo niet kunnen ondergraven het fundament van Zion?

Neen, Gode zij dank! dat is niet mogelijk. Hoe gaarne hij het zou willen, hoe menigmaal hij het heeft beproefd, nooit zal het hem gelukken. Dit fundament van het Zion Gods ligt zo diep, zo onbereikbaar diep. Het ligt in de onpeilbare diepten van Gods eeuwige liefde, van Zijn gadeloze ontferming, van Zijn onverbreekbare trouw. Daar, in de diepten van het Goddelijk Wezen, dat liefde is, kan satan niet komen. Hoe zou hij dan kunnen ondergraven en ondermijnen de grondsteen van Zion, die daarin rust?

Wij zingen er immers zo naar waarheid, zo wonderlijk vertroostend van:

God Zelf heeft deze berg begeerd Ter woning, om, aldaar geëerd,

Zijn heerlijkheid te tonen; De Heer', Die hem verkozen heeft, Die trouwe houdt en eeuwig leeft,

Zal hier ook eeuwig wonen.

De grondsteen van Zion, een beproefde steen, kan ook niet weggeslagen worden. Al waaien de winden, al woeden de bruisende stromen, dit fundament blijft liggen, onbewogen. Nog nooit hebben de toch zo geweldige machten van zonde, wereld en hel het van zijn plaats kunnen krijgen.

O, zalig, dit te weten, kinderen Gods! Aan zulk een vastheid buiten u hebt gij behoefte, omdat gij geen vastigheid vindt in uzelf, maar slechts zwakheid, gevaarlijke bewegelijkheid en waggeling. Ja, het huis uwer hope, dat gijzelf hadt opgebouwd, is al ineengestort. Welk een voorrecht, door Gods genade en wondermacht nu te mogen wonen in het huis op de steenrots gegrond! In hoeveel stormen is dat huis, is dat fundament al beproefd!

Hebben wij zulk een huis ons al toegewezen gekregen vanuit de hemel, naar het souverein bestel van de Koning der koningen? Welk een zegen zou het zijn, als de pijnlijke, beangstigende woningnood van onze dagen in het tijdelijke, voor deze of gene onder de bearbeiding des Geestes een middel mocht worden om met deze geestelijke woningnood werkzaam te worden! — Geestelijk wonen wij van nature in een huis, dat op invallen staat. Wat zal er dan gebeuren, als straks de storm van de dood komt? Dan zal het zijn: „Het is gevallen, en zijn val is groot." Ach, er is haast bij, want dit vallen kan ieder ogenblik gebeuren. Smeek dus, moge het zijn, ootmoedig, zonder uitstel: „Heere, geef mij de genadige, verblijdende toewijzing van een woning in Uw Koninkrijk, een woning op de Steenrots gegrond." — En die toewijzing komt voor allen, die hun huis hebben leren kennen als onbewoonbaar, want bij God is er geen woningtekort, geen woningnood!

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 december 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

DE ADVENTSBOODSCHAP

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 december 1957

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken