Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

CATECHISMUS-VERKLARING

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

CATECHISMUS-VERKLARING

7 minuten leestijd

DE RECHTVAARDIGMAKING (4)

De afsnijding

God de Vader als Rechter heeft dus geenszins afstand kunnen noch willen doen van de eis van het verbod-der-werken: doe dat, en gij zult leven! Maar ook al probeert de zondaar, om uit een verbroken werkverbond de zonde te laten en het goede te doen, het lukt niet!; ja, het zal nooit gelukken ook! Hij doet misschien minder zonde naar buiten, maar van binnen wordt hij steeds groter zondaar voor God. En de Heere spreekt ervan, dat geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worden uit de werken der wet. Want al het onze ligt onder de zonde besloten. Paulus spreekt daar zelfs van, dat hij is: vleselijk verkocht onder de zonde.

O, de rechtvaardigverklaring van de goddeloze verdient daarom onze allergrootste opmerkzaamheid, omdat hier Gods onbegrijpelijke en onvergelijkbare genade aan de dag treedt, en wel op het luister-rijkst in de zending en in het Borgwerk van Zijn eigen Zoon: Jezus Christus.

Jezus Christus komt niet op uit het werkverbond, maar uit het genade-verbond. Maar zoals geschreven, : de Vader als Rechter kan en wil geen afstand doen van Zijn heilige eis in het werkverbond. En ziedaar dan die gewillige Borg, van kribbe naar kruis, ja van eeuwigheid bereid '— daarbij Zich Borg stellende voor een schuldig en gans verloren zondaarsvolk! —, en u hoort Hem spreken (in Psalm 40): Ik kom, o God!' om Uw welbehagen te doen; Uw wet is in het binnenste van Mijn ingewand.

Een goddeloze zondaar, die dit leest, kan en zal alleen in Gods vierschaar vrijen rechtvaardig-verklaard worden, o niet om iets, dat in of van hèm is, doch uitsluitend om Christus' wil! Daarvan weet het geloof, zoals daar ook in het midden van antw. 60 uit getuigd wordt: „al is het... dat ik nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade, mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent"!

Zo valt de zondaar er buiten. Hij wordt afgesneden. Voor Gods vierschaar kan de mens op duizend vragen niet één antwoord geven. Hij heeft voor God, als hij ziet op zichzelf, geen enkele verdienstelijkheid. Alles getuigt tegen hem; stelt hem vloeken strafwaardig.

Maar voor Gods rechterstoel mogen tal van getuigen tegen de zondaar spreken, om hem te verdoemen, ja God-Zelf moge de mond tegen ons openen, om een rechtvaardig vonnis te vellen; o, dat is de inhoud van het Evangelie, en dat maakt zondag 23 tot het grote, centrale belijden van ons Herv. of Geref. geloof — een geloofsartikel, waarmee de kerk staat of valt! (vgl. J. v. d. Kempt, t.p.) — nl. dat Christus Jezus, Gods eigen Zoon, in het midden treedt, en wel als Borg en Voorspraak van de schuldige zondaar. Zoals in 1 Joh. 1 ervan spreekt: Kinderkens, indien wij gezondigd hebben, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige!

O, die zondaar moet naar recht in het verderf nederdalen.

Maar daar komt die dierbare Borg tussen beide; Hij wijst op Zijn lidtekenen, die herinneren aan Zijn lijden en sterven, in het voldoen aan het heilig, door ons geschonden recht van God.

Christus zegt (Job 33): „Vader, Ik wil niet, dat deze in het verderf nederdale; Ik heb verzoening gevonden!" In het stukvan-rechtvaardigmaking hebben wij dus alle rechten en aanspraken op genade en zaligheid verloren, maar daar is er EEN, Die voor de schuldige, voor de goddeloze en zelfs voor de misdadiger in de bres springt. Hij bedingt de vrij-spraak, de verzoening en verlossing van een schuldig zondaar.

O, welk een verrassing, welk een aanbiddelijke weldaad, wanneer de Heilige Geest de schuldige zondaar door een waar geloof met Christus verbindt, en zö in het geloof Christus' Voorspraak mag worden beluisterd, en tegelijk de vrijspraak van God de Vader als Rechter, verzoend in Christus met de zondaar, mag worden ontvangen.

Om Christus' wil zal God niet meer op de ellendige en goddeloze, toornen of schelden. Hij heeft, om Zijnentwil, al zijn zonden achter Zijn rug geworpen, in 'n zee van eeuwige vergetelheid (cf. Micha 7, het slot; en Jesaja 38).

' Nu neemt God een booswicht aan tot Zijn kind.

En de Heilige Geest getuigt met de geest van zulk een vrijgesprokene en vrijgekochte des HEEREN, dat zij kinderen Gods zijn: erfgenamen zelfs van God, en medeërfgenamen van Christus.

Nogmaals: welk een heerlijk, welk een kostbaar geschenk, die genade schenking en toerekening van de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus! tóch de we-Is de rechtvaardigmaking dergeboorte?

Geen wonder, dat de mens zich daardoor als het ware: nieuwherboren gevoelt.

Begrijpelijk ook, dat sommigen — o.w. wijlen ds. Paauwe — ertoe gekomen zijn, om deze vrijsprekende en verlossende daad Gods in de rechtvaardigmaking zijn gaan houden voor de wedergeboorte zelf.

Want eerst in die weg, weet de mens met volkomen zekerheid: wie in Christus IS — door genadige toerekening van God is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan; het is alles nieuw geworden!

O, wij kunnen hun gevoelen verstaan, maar wij delen het toch niet. De rechtvaardigmaking is de wedergeboorte niet, maar zij volgt öp de wedergeboorte. Als u de wedergeboorte ergens een plaats wilt geven in de „Orde des Heils", denkt dan aan de krachtdadige roeping. Roeping en wedergeboorte behoren bij elkaar. Want als God de uitverkoren zondaar roept en trekt, dan wederbaart Hij hem tot een levende hoop.

Het standelijke leven des geloofs, het leven der hoop... leidt naar de rechtvaardigmaking heen.

Abraham geloofde God, op hope tegen hope.

Esther getuigde: ik moet naar de koning; en ja, kom ik om, dan kom ik om!

En toch: in de rechtvaardigmaking krijgen we geen deel in ons aan Christus' Wezens-gerechtigheid, alsof we daardoor werden vernieuwd en wedergeboren, maar het is zo, dat wij door het geloof in God, Die de goddeloze rechtvaardigt, deel krijgen aan Christus' BORG-gerechtigheid. De rechtvaardigmaking is alzo een rechterlijke daad en uitspraak van God de Vader als Rechter, bevredigd door Christus' Borgtocht met de zondaar, buiten ons (dat is de zogenoemde forensische rechtvaardigmaking!)..., en toch weer niet buiten ons; want deze vrijspraak, deze rechterlijke bekendmaking van God wordt in het hart ingedragen door Gods Geest, beluisterd tevens het oor-des-geloofs, en dit heils-geschenk aanvaard door handdes-geloofs: Mijn zoon, Mijn dochter, ga heen in vrede; u geschiedde, gelijk gij wilt; uw geloof heeft u behouden; uw zonden zijn u vergeven; ga heen in vréde!

Met ernst en resoluutheid moeten wij er u toe opwekken, om, zoals ge zijt: ellendig, arm, ja goddeloos in uzelf! — u te begeven tot de troon van God!' een troon des gerichts, die Hij nochtans om Christus' wil kan veranderen in een troon-dergenade.

Verklaar u evenwel geheel schuldig voor God, in al de stukken der wet, en o, het zal eeuwig mee-vallen! Er is een ogenblik in Zijn toorn, maar een leven, een èeuwig leven in Gods goedgunstigheid (Ps. 30).

In de rechtvaardigmaking handelt God de HEERE op richterlijke wijze op éénmaal af met de goddeloze. En deze goddeloze wordt Christus' gerechtigheid en heiligheid dermate deelachtig, krachtens toerekening, dat het is. alsof gij nooit enige zonde hebt gehad noch gedaan, ja als had ge zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor u, gelovige, volbracht heeft. De HEERE zal geen zonde

meer zien in Jacob, en geen overtreding in Israël.

In rechtvaardigmaking wordt de mens afgesneden van Adam. zijn eerste hondshoofd, en aangemerkt in Christus, als Tweede Adam, als Middelaar van het genade-verbond. O, dan wordt ervaren, wat Paulus in Galaten 2 beschrijft: ik ben door de wet gestorven, en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.

En als ons leven Christus is, dan is ook ons sterven eenmaal gewin!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 25 december 1957

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

CATECHISMUS-VERKLARING

Bekijk de hele uitgave van woensdag 25 december 1957

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken