Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE ADVENTSBOODSCHAP

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE ADVENTSBOODSCHAP

12 minuten leestijd

(3)

Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, lk leg een grondsteen in Zion, een beproefde steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten,

Jesaja 28 : 16.

Wij hebben met elkander in deze Adventsdagen van het jaar onzes Heeren 1957 mogen stilstaan bij en mediteren over de Heere Jezus Christus, van Wiens komst het naderend Kerstfeest ons spreekt, als Zions beproefde Grondsteen. Ja, dat is de prediking, die het Kerstfeest, die het Kindeke in de kribbe ons brengt, dat dit schijnbaar zo hulpeloze Kind in schamele doeken gewonden, de Grondsteen is, het enige fundament, van elk van de Zijnen, en zelfs van al de Zijnen tezamen, dat is van Zijn gehele Kerk. Daarom is het, dat wij zondaren, zullen wij voor eeuwig behouden worden, ontgrond moeten worden, om gegrond te worden op het vaste fundament, dat de K HEERE gelegd heeft in Zion, hetw< Jezus Christus.

Dit alles. doet pijn, het kost bloed en tranen, want het is geen kleine zaak, als de Heilige Geest in de weg der ontdekking alle gronden wegslaat, zodat wij zonder de vaste Rots van ons behoud dreigen te zinken in de ruisende kuil en het modderig slijk van onze zonde en ellende. O, dat verloren gaan in onszelf, dat ontgrond worden in onszelf, dat dreigen weg te zinken in de grondeloze diepte van het eeuwig verderf, dat is het dodelijkst tijdsgewricht, waarin wij doormaken, wat de dichter van Psalm 116 klagend en biddend bezingt:

Ik lag gekneld in banden van de dood, Daar d' angst der hel mij alle troost deed missen; Ik was benauwd, omringd door droefenissen; Maar riep de Heer' dus aan in al mijn nood: „Och Heer', och, wierd mijn ziel door U gered!"

Wat is het dan echter wonderlijk en groot, — want daar onder het recht Gods kan een ontdekte zondaar niet lang blijven — als de Heilige Geest door het Woord van God zulk een als het ware heenleidt naar die Grondsteen, die door de HEERE Zelf in Christus Jezus is gelegd in Zion, als wij die Grondsteen in het oog mogen krijgen, als wij zien mogen: „o, het is nog mogelijk, dat mijn ziel gered wordt; ik ben nog in het heden der genade, ik lig wel verloren, van al mijn gronden beroofd, maar het is nog niet verloren in die grondeloze diepte van de hel, het is door Gods lankmoedigheid nog het verloren liggen op de aarde in het jaar van het welbehagen des Heeren."

Nu wordt het de bede van zulk een, die, ontgrond in zichzelf, de Grondsteen, in Zion gelegd, in het oog mag krijgen:

Leid mij, Heer'; ik zou in 't stijgen Nederzijgen; Leid mij op een hoge rots. Wil mij tot een toevlucht wezen. Als voor deze, 's Vijands wreed geweld ten trots.

Ja, ziende de mogelijkheid, die in Jezus Christus is geopend, omdat Hij is gelegd in Zion als een Grondsteen voor ontgronden, die vrezen weg te zullen zinken in peilloze diepten, die mogelijkheid ziende, geeft dat al verwachting en vreugde, het is dan somtijds en bij ogenblikken, alsof onze ziel reeds gered is, zodat wij met de psalmdichter mee kunnen komen, als hij verder zingt:

'k Zal in Uwe tent verkeren. Heer' der heren. Voor Uw oog, in eeuwigheid; 'k Zal op U mijn vast vertrouwen Altoos bouwen, Door Uw vleug'len overspreid.

Maar nog groter wordt het, als diezelfde Geest, Die ontgrond heeft, Die het oog heeft geopend voor de Grondsteen, in Zion gelegd, nu ook in het geloof geeft neer te zinken op dit vaste fundament, als die Grondsteen door wedergeboorte en geloof ook in ons hart wordt gelegd. Dan leren wij de Heere Jezus Christus kennen als de vaste Rots van ons behoud. Wat geeft dat tot in het diepst van uw hart een gevoel van vastheid en van veiligheid, van vertrouwen en van vrede, van blijdschap en van dankzegging!-Ja, alles wat uit God is, keert ook tot Hem weder. „Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen" (Rom. 11 : 36). Of, zoals wij het lezen in de eerste Brief van Petrus, nadat hij aangegeven heeft, hoe Jesaja 28 : 16 in Christus zijn volkomen vervulling vindt, hoe Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, maar ook tot een steen des aanstoots en een rots der ergernis, omdat de hoeksteen altijd wat naar buiten uitstak, dan lezen wij in 1 Petrus 2 : 9: Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis Geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht"

En, om nog een voorbeeld te noemen van de veilige vastheid, die in het Kindeke in de kribbe, in de Man van smarten aan het kruis, gevonden wordt, herinneren wij ons dat diepe, rijke vers uit een van de Lijdenspsalmen:

'k Heb lang de Heer' in mijne druk verwacht. En Hij heeft Zich tot mij geneigd; Ik riep, door nood op nood bedreigd; Hij gaf gehoor aan mijne jammerklacht. Mij, in de kuil verzonken, Mij heeft Hij hulp geschonken, Gevoerd uit modd'rig slijk; Mij op een rots gezet, Daar ik, met vaste tred, Die jammerkolk ontwijk.

Welk een zaligheid is het toch, na al onze gronden in de weg der ontdekking, een voor een, te hebben zien wegzinken, dan onze voeten te zien gesteld door Gods vrije genade op de vaste Rots van ons behoud, door en in het geloof ons fundament te vinden in de Grondsteen in Zion gelegd, een beproefde steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest

is! De Heere Jezus ZeJf heeft daarvan zo bemoedigend, zo vertroostend gezegd in antwoord op de belijdenis van Petrus: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods" — „Zalig zijt gij. Simon Bar-Jona, want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader. Die in de hemelen is. En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen" (Matth. 16:16—18).

Wij lezen nog eens tezamen de stof onzer overdenking uit Jesaja 28 : 16, die rijke Adventsstof, die ons de Christus zo uitermate begeerlijk voor ogen stelt, waarin God de HEERE Zelf als de Prediker van het Kerstevangelie tot ons komt met deze vaste verzekering tot vertroosting van Zijn geslingerd, aangevochten en wankelend volk: Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: iet, Ik leg een grondsteen in Zion, een beproefde steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is", en dan gaat Hij voort, en wij, onder Zijn leiding, achter Hem aan, luisterend, heilbegerig luisterend, moge het zijn, naar wat Hij ons te zeggen heeft: Wie gelooft, die zal niet haasten."

„Wie gelooft, die zal niet haasten." Ja, dat voegt de HEERE. Jehovah, in Zijn onveranderlijke verbondstrouw er nog aan toe. Nadat Hij heeft gesproken over Zions beproefde Grondsteen, en over Zions kostelijke Hoeksteen, nl. onze Heere Jezus Christus, gaat Hij nu verder met ons te bepalen bij Zions levende stenen. En dat zijn toch, 2oals Gods Woord ons leert, de gelovigen. „Zij worden als levende stenen gebouwd tot een geestelijk huis", schrijft de apostel Petrus aan de vreemdelingen (behoren wij daartoe in de diepste zin van dit woord? ), verstrooid in Pontus, Galatië, Cappadocië en Bithynië, de uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus.

En de vastheid van de vaste Rots van ons behoud in Christus is nog veel betrouwbaarder, veel veiliger, veel onwankelbaarder dan de symbolen van de zekerste vastheid in het rijk der schepping, nl. de heuvelen en de bergen. Hoe vast, en wij zouden zo zeggen, onwankelbaar, deze ook staan, zij kunnen toch wijken en wankelen. Denk maar aan de bevende bergen, die vuur spuwen, als de Vesuvius, de Etna, de Stromboli, nog niet eens zo ver bij ons vandaan, slechts een paar uur vliegens, wat kunnen die, rommelende laVa uitwerpende, in beweging zijn! Maar, als wij bij de gedachte daaraan, bij het horen of lezen daarvan (denk aan Herculanum en Pompeji, die onder de as en lava bedolven steden in Italië) beven en sidderen, dan komt de Heere tot Zijn volk, om het zo opbeurend, zo teer te troosten en te verzekeren: Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden, en word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden — alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal. Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen: aar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer. Gij. verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste! zie. Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten" (Jes. 54:4, 9, 10 en 11).

O, hoe spreekt ons dit alles van onze Heere Jezus Christus, de beproefde Grondsteen in Zion gelegd, de kostelijke Hoeksteen, die wel vast gegrondvest is, en als vrucht daarvan ook van Zions kostelijke, levende stenen! Welk een troostbron is dit alles bij het naderen van het feest van Jezus' geboorte, voor zielen, die zo licht bewogen worden, door van die angstige, innerlijke aardbevingen, die de akker des harten doen beven! —» Zo mag het zijn door Gods genade: „Wie gelooft, die zal niet haasten."

„Wie gelooft, die zal niet haasten." „Wie gelooft." Dat zijn niet de historisch gelovigen, ook niet de mensen van het wondergeloof, zelfs niet de tijdgelovigen, die het woord terstond met vreugde ontvangen, maar die, als er verdrukking of vervolging om des Woords wille komt, weer afvallen. Dezulken houden zich dikwijls wel voor gelovigen, geven er zich ook voor uit, worden door mensen zonder de gave des onderscheids er wel voor aangezien, doch op hen is niet van toepassing het: Wie gelooft" van Jes. 28 : 16.

Geloven, dat is een mishagen aan zichzelf te hebben en zich voor God te verootmoedigen. Geloven, dat is geen grond in zichzelf te hebben, maar te erkennen: mijn huis is in het Paradijs reeds tot een ruïne geworden, toen mijn eerste voorouders van God zijn afgevallen, en de duivel toegevallen.

Geloven, dat is niet alleen zijn staat van zonde en ellende te kennen en te erkennen, met een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, neen! het is ook, want de Heilige Geest doet geen half werk, de Heilige Geest is wel de Geest der uitbranding en des oordeels, maar ook de Geest der genade en der gebeden, de Geest van het geloof in Jezus Christus, het is ook neerzinken en rusten op de Grondsteen in Zion gelegd, een beproefde steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is. 't Ware geloof openbaart zich ook al, als er in de ziel van een zondaar werkzaamheden zijn, levendige begeerten, om met de Heere Jezus Christus in betrekking te komen, om rust te vinden in Zijn verzoeningswerk, in Zijn heerlijk: „Het is volbracht."

En een van de kenmerken van dit oprechte, van dit zaligmakende geloof is ook, dat het een geloof is door de liefde werkende. Geloof , hoop en liefde zijn wel te onderscheiden, doch niet te scheiden. Alle drie zijn ze onafscheidelijk aan elkander verbonden.

Welk een wonder, welk een blijdschap, welk een genade is het dus. als wij ingesloten mogen zijn in dat bundeltje der levenden, van wie het geldt: „Wie gelooft." En nu zegt de Heere HEERE: „Wie gelooft, die zal niet haasten." — Het haasten is een vrucht van het ongeloof. Wij spannen ons in, om in eigen kracht de kroon te verwerven. Wij willen haar niet ontvangen als een genadegeschenk. Vandaar dat haasten, dat werken, vijf kwartier in een uur, dat trachten om zich de kroon waardig te maken. Menigeen loopt in zijn haasten Christus Jezus voorbij, in een ijver niet met verstand, in zijn werkheiligheid. Dat is ontzettend, want de Christus is zo onmisbaar. Alleen door het geloof in Hem zullen wij voor God rechtvaardig zijn. Wie Christus Jezus voorbij loopt in z'n haasten, die zal beschaamd worden. Hij zal in zijn verwachting beschaamd worden. Nooit zal hij als overwinnaar gekroond worden. Zo gaat het met ons als wij niet zijn ingesloten in

dat: „Wie gelooft, die zal niet haasten." Waar echter de geloofswerkzaamheid is, daar loopt men de Heere Jezus Christus niet voorbij in z'n haasten. Daar wordt men ook niet beschaamd. Daar wordt iets verstaan van het leiding gevende en troostrijke woord: „De Heere zal voor u strijden, en gij zult stille zijn." Heerlijk is het het werk uwer zaligheid uit handen te geven, en geheel te geven in de machtige, liefderijke, doorboorde handen van de volkomen Verlosser en Zaligmaker. Zalig rusten in Zijn volbracht werk! Dan is het een geduldig wachten op de vervulling van Zijn beloften. Zijn tijd is altijd de beste. Zo wor-

den wij geholpen ter bekwamer tijd. En allen, die in hun eigenwillig haasten Christus Jezus niét voorbijlopen, zullen niet beschaamd worden. Dit is de verklaring van de apostel Petrus, als hij dit laatste gedeelte van Jesaja 28 : 16 aldus weergeeft: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden" (1 Petrus 2:6). Neen, wij worden nooit beschaamd in ons geloof, in onze hoop en in onze liefde, door de H. Geest in ons hart gewerkt. Wel is er dikwijls grote beschaming, als er nog zoveel van het haasten in ons is overgebleven, ook na ontvangen genade. Ach, wat is er vaak weinig geloof, weinig rusten op Christus en Zijn werk! Bidden wij maar veel om de versterking van ons geloof!

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 25 december 1957

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

DE ADVENTSBOODSCHAP

Bekijk de hele uitgave van woensdag 25 december 1957

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken