Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE VERLOSSING VAN GEBETENEN DOOR DE OUDE SLANG

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE VERLOSSING VAN GEBETENEN DOOR DE OUDE SLANG

11 minuten leestijd

(3)

En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Johannes 3 : 14 en 15.

Mozes heeft, naar het bevel des Heeren, nadat vele Israëlieten gebeten waren door de vurige slangen, en nadat het volk tot' Mozes was gekomen met de belijdenis: , Wij hebben gezondigd", en nadat zij gevraagd hadden: , Bid de Heere, dat Hij deze slangen van ons wegneme", Mozes heeft toen op Gods bevel een koperen slang gemaakt en die op een steng gesteld. Daarna geschiedde het grote wonder: , als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend" (Numeri 21 : 5'—9).

Uit Johannes 3 : 14 en 15 blijkt zonneklaar, dat wij hier hebben een rijke Christusprediking. Die verhoogde slang in de woestijn was een schaduw van Christus. En van die schaduw geldt natuurlijk ook: Zie, meer dan de koperen slang is hier." Dat beseffen wij enigermate, als wij met elkander Joh. 3:14 en 15 nog eens met aandacht, met eerbied, moge het zijn met een biddend hart, lezen: En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe."

Ja, de koperen slang in de woestijn spreekt ons duidelijk, spreekt ons aanklagend, spreekt ons opwekkend en vertroostend van de verhoogde Zoon des mensen op de kruisheuvel Golgotha. Dit moet ons door middel van de lijdensprediking in de lijdensweken telkens weer verkondigd worden. Zo worden wij van Godswege aangeklaagd als zondaren, als overtredres van Gods heilige Wet, die gebeten zijn van het Paradijs af aan door de oude slang, d.i. de duivel. O, welk een droevige toestand is dat! Hoe zullen stand verlost worden? Hoe zullen wij gewij uit zulk een treurige, hopeloze toered worden van de gééstelijke dood? Hoe zullen wij bewaard worden voor de ééuwige dood? Hoe zullen wij rechtvaardig worden voor God? Hoe zullen wij het recht terug ontvangen op het leven, op het leven in gemeenschap met God? Hoe krijg ik vrede met God? , vrede in mijn hart? , vrede in mijn leven? , hoe zal mijn sterven worden een heengaan in vrede?

Ja, de vragen vermenigvuldigen zich. En het zijn benauwende, het zijn voor een door schuldbesef verslagen zondaar onoplosbare vragen. En hpe verder wij ingeleid worden op de weg der ontdekking, hoe meer het worden brandende vragen; vragen, die ons branden op de ziel, vragen, die om een antwoord schreeuwen.

Maar! is er wel een antwoord? Gode zij dank wel! Er is een weg om verlost te worden van het eeuwig verderf, om uit de dood over te gaan tot het leven, tot het eeuwige leven. De psalmdichter mag er van zingen:

Gij hebt, o Heer', in 't dood'lijkst tijdsgewricht Mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen, Mijn voet geschraagd; dies zal ik, voor Gods ogen, Steeds wandelen in 't vrolijk levenslicht.

Het enige antwoord op al de vragen van een verbroken hart, van een verslagen geest, is ons gegeven, is dus te vinden in Jezus Christus en Die gekruist. De Heere Jezus Christus is geworden de Man van smarten, Die verhoogd is aan het kruis, Die verhoogd moet worden in de lijdensprediking, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Als gij vraagt in de nood van uw ziel: „Hoe krijg ik toch deel aan dat grote, wonderlijke verlossingswerk? " Dan is het antwoord: „Sola fide, door het geloof alleen." Het geloof, dat is het enige van God gegeven middel om deel te krijgen aan de Christus, aan Zijn werk, aan Zijn gerechtigheid, aan Zijn leven, aan al Zijn schatten en gaven.

De weg tot het eeuwige leven was in de staat der rechtheid de weg van het werkverbond. „Indien gij wilt tot het leven ingaan, zo onderhoud de geboden." Als Adam en Eva in het Paradijs staande waren gebleven, als zij de duivel hadden weerstaan, als zij het verbond, dat God met hen had gesloten, gehouden hadden, zij zouden met God in de eeuwige zaligheid geleefd hebben, om Hem te loven en te prijzen.

Maar! laat ons terugkeren tot de werkelijkheid, de donkere, de droevige „Zij hebben het verbond overtreden als Adam." Door onze val in Adam hebben wij de weg tot het leven afgesloten. O, dat wij het horen en verstaan mochten!

Van nature zijn wij altijd bezig met pogingen, om die weg weer te bewandelen. Wij denken aan Rome, aan Luther, aan zovele deugdzame mensen. Misschien wijst gij, die dit leest, op uzelf. Wie aan zijn zonde enigermate wordt ontdekt, en wel eens iets mag genieten van de liefdesuitlatingen des Heeren, die begint in de regel te werken en te worstelen uit alle macht, om de zonde er onder, en er uit te krijgen, om heilig voor God te leven. Die begeerte is goed, maar verkeerd is, dat gij haar wilt vervullen in eigen kracht, dat gij zoekt langs die weg uzelf Gode welbehagelijk te maken. Ach, wat hebt ge nog weinig oog voor de onmisbaarheid van de lijdende Borg! Wat zijt ge, met de discipelen, nog blind voor de noodzakelijkheid van Zijn lijden en sterven, van Zijn verhoging aan het kruis! Gij hebt er iets van gezien, dat gij verlost moet worden van uw ongerechtigheden, maar nu moet gij er ook meer en meer van worden overtuigd, dat gij niet minder nodig hebt te worden verlost van uw gerechtigheuen. Het moet uw belijdenis worden „Van deze boom geen vrucht meer in der eeuwigheid."

Met onze doodsvruchten kunnen wij toch voor God niet verschijnen en nog minder bestaan.

Het is ook niet genoeg van de gekruiste Christus te weten, misschien veel te weten. Het zal ons niet baten alles haarfijn uiteen te kunnen zetten. Geen werkheilig-

heid, maar ook geen leerheiligheid leert ons Gods Woord.

Het is ook niet genoeg wel eens week te worden bij de gedachte aan de met doornen Gekroonde, aan de aan het kruis Genagelde. Vergeet dat niet in de lijdensweken. Hoe goed het ook is de lijdensprediking aan te horen niet zonder opwekking van het gevoel < — ach, waren wij maar wat gevoeliger! — toch moogt ge daar geen grond van maken.

Het enige middel, waardoor wij deel krijgen aan Christus en aan Zijn verlossingswerk, is het geloof. ..Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." Zonder geloof delen wij niet in de vruchten van Golgotha's kruis, hebben wij geen gemeenschap aan de Heere Jezus Christus.

De Israëlieten in de woestijn moesten op de koperen slang zien, en al wie er op zag, wie en wat hij ook was, al was hij ook nog zo ver heen, hij werd genezen.

Zo moeten wij in het geloof op Christus, de Verhoogde aan het kruis, leren zien. „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt."

Wij moeten onze ellende leren kennen, er op zien, met schaamte, met smart, met rouw in het harte, maar daarbij mag het niet blijven. Zou de Israëliet genezen zijn geworden door te blijven zien op de beet van de vurige slang? O zeker, hij moest weten gebeten te zijn, maar om dan ook op te zien tot de koperen slang. Zullen wij genezen worden door maar te zien op, en te jammeren over de beet van de oude slang? O, zeker, wij moeten weten gebeten te zijn, maar om dan ook gelovig te leren zien op Hem, Die aan het kruis is verhoogd.

En als gij waarlijk last hebt van uw zonden, dan kan het ook niet blijven bij zuchten en klagen. Hij, Die door Zijn Geest het ene werkt, zal op Zijn tijd door diezelfde Geest ook het andere werken. Onder diens bearbeiding ontstaat er een verlangen naar de grote Medicijnmeester, een begeren om in het geloof te mogen zien op de Man van smarten. Het is de innige bede uws harten, dat de Heere in u werke het oprechte geloof. Het is u te doen om het geloof der werkingen Gods, het geloof, dat niet is een vrucht van opvoeding alleen, van menselijke overreding, maar een vrucht des Geestes.

Door dat geloof is het, dat wij leren af te zien, van alles, waarmee wij nog om zouden komen voor eeuwig, al schijnt het ook groot en heerlijk, sterk en betrouwbaar. Door dat geloof leren wij ook afzien van onszelf, van onze ongerechtigheden en van onze gerechtigheden.

Door dat geloof leren wij opzien tot de Heiland, verhoogd aan het kruis. O, zalige ogenblikken, waarin wij die Verlosser in het oog mogen hebben, waarin wij op Hem staren met een oog vol van verlangen, van hope, van liefde en van vertrouwen! Ja, dan is het onuitsprekelijk goed, als wij niemand zien dan Jezus alleen!

Mijn lezer, hoe ontzettend zal het niet zijn, als eenmaal in de dag der dagen tegen ons zal getuigen de verhoging van Christus aan het kruis. Dan zou het ons veel beter zijn geweest, nooit onder het Evangelie geleefd te hebben. Dan ware het ons profijtelijker, als er nooit een kruis van Golgotha was opgericht. Vreselijk is het in het verderf neer te storten voor een heiden, die in zijn zonden sterft, maar veel, veel verschrikkelijker is het verloren te gaan met een gedoopt voorhoofd, met belijdende lippen, met de uitwendige kennis van de Verhoogde aan het kruis. Mocht deze waarheid ons eens aangrijpen, ons ontroeren, ons verbrijzelen!

Wij zijn gebeten door de oude slang. Onze toestand is hoogst gevaarlijk. Als wij niet op leren zien tot het kruis, waaraan de Zoon des mensen is verhoogd, dan is hij hopeloos. Er is toch geen andere weg en geen andere naam, dan de naam Jezus. Houd toch op met dat denken: , , kom, zo erg is het niet." Ga niet voort met het buiten de Heere Jezus te zoeken. De lijdensweken zijn ons al weder aan het ontglijden. Zullen ze van ons heengegaan zijn zonder dat de lijdensprediking iets bij ons heeft uitgewerkt? O, vraag toch, smeek toch, met volharding, zonder te vertragen, om ontdekking, om berouw, om een blik in de spiegel der Wet, in dat onkreukbare recht Gods! — En dat gij dan zo, als een reddeloze in uzelf tot het kruis van Golgotha mocht vluchten, om daar te zoeken in de kruistriomf van Vorst Messias, genade en geen recht, vergiffenis en geen vergelding.

Hebt gij daar kennis aan? Zijt gij een van die worstelende zielen, die strijden om in te gaan? Dat is een zware strijd. Dat is een strijd, die zo menigmaal wordt gestreden met verkeerde wapenen, wapenen, die in de grond der zaak nog zo vleselijk zijn. Gij zoekt die strijd misschien te winnen als Petrus, steunend op eigen kracht, vertrouwend op eigen wijsheid, alles verwachtend van eigen liefde.

Mijn lezer, als een baken in zee staat, vooral in de lijdensweken, die Petrus daar voor ons, die Petrus, die zo bout sprak, en toch zijn Heiland verloochende tot drie malen toe, ten slotte met vloeken en zweren. Gij zijt niet beter dan hij. Wellicht nog veel minder. Zijn wij wel eens zo Weggegaan van de plaats van onze verloochening, dat het van ons gold: , , En naar buiten gaande, weende hij, weende zij bitterlijk"?

Deze geestelijke strijd moet gestreden worden op de knieën. Het is een gebedsworsteling. Volhard dan in het gebed om ontlediging en om vervulling, om minder te worden in uzelf, maar ook om te wassen in Hem, om beschaamd, maar ook om vertroost te worden, om te sterven, maar ook om te leven.

Leer van uzelf af te zien, om op te zien tot de Heere Jezus. Hij alleen kan ons genezen. Hij aleen kan ons redden. In Hem alleen kunnen Wij rechtvaardig zijn voor God. O, dat wij daarvan maar hoe langer hoe meer doordrongen mochten worden!

Hoe zalig is het volk, dat het geklank kent! Groot is het, aan het verderf te ontkomen, nu te zijn een erfgenaam des eeuwigen levens. Dat hebben wij te danken, als dit ons deel mag zijn, alleen aan het vrijmachtig, eeuwig welbehagen Gods, waarin immers ligt de bewegende oorzaak van onze redding. Dat is de vrucht alleen van Jezus' lijden, van Zijn verhoging aan het kruis. Dat kruislijden van de Borg is immers de verdienende oorzaak van de zaligheid van zondaren.

O, dat wij in deze dagen, waarin wij de Goede Vrijdag tegemoet gaan, maar veel mochten worden ingeleid in de betekenis van dat smadelijke, smartelijke, van God vervloekte kruislijden, en teruggeleid naar de stille eeuwigheid. Dan zal onze mond Gode de ere geven.

Ons geloof is menigmaal zo zwak. Somtijds is het, alsof ons wordt gevraagd: , , Hoe, hebt gij geen geloof? " Dan schijnt het ons wel eens toe, dat het laatste vonkje is uitgedoofd. Toch blijft de Heere voor Zijn werk instaan. Hij behoudt het in het leven. Daarop mogen wij pleiten. Biddend mogen wij zingen:

Verlaat niet, wat Uw hand begon,

O Levensbron, Wil bijstand zenden.

Z.

S. V. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 februari 1958

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

DE VERLOSSING VAN GEBETENEN DOOR DE OUDE SLANG

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 februari 1958

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken