Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het grote Licht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het grote Licht

8 minuten leestijd

Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot Licht zien. Jesaja 9:1a.

„Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot Licht zien." Wij mogen getuigen van een groot en liefelijk Licht.

Licht en duisternis! Dat is een verschil als van de donkere nacht en de heldere dag. Ja, bij de duisternis en het Licht, waarvan wij nu spreken, is het verschil nog groter. Zelfs de donkerste nacht is niet geheel zonder licht. En op de heldere middag is er meestal wel iets, waardoor het licht wordt getemperd. Zo is het niet bij de duisternis en het licht, waarvan wij nu spreken! De duisternis der ziel wordt zelfs geen weinigje verlicht door een straaltje van het ware Licht. En in het grote Licht is geen duisternis te bekennen.

Over dat grote Licht mogen wij nu met elkander denken en spreken. Dat is alleen door Gods ontferming, door Zijn vrijmachtig welbehagen. Waarom worden de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard? •— Waarom wordt onder hen niét getuigd van het Licht? ^— Waarom mag er tot ons, kinderen der duisternis, nog van gesproken worden?

Wat zullen wij op deze waaroms antwoorden? — Wat anders dan dit: „Dat is Gods vrijmachtig en souverein welbehagen"?

Maar o, wat is het dan ook ontzettend, als wij ons om die ontferming niet bekommeren, als wij van vrije genade niet willen weten! Wat is het dan niet een ten hemel schreiende zonde, als op ons van toepassing is dit woord: , Het Licht is in de wereld gekomen en — de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun werken waren boos" (Joh. 3:19). Dat wij toch luisteren naar de prediking van het Licht!

„Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot Licht zien." Wat wordt hier bedoeld met het grote Licht?

Het meest voor de hand ligt, dat wij daarbij hebben te denken aan de betere tijd, die voor Zebulon en Naphtali zou aanbreken, een tijd, waarin de duisternis der ellende zou wijken voor het licht van blijdschap en voorspoed, nl. als de staf dergenen, die hen dreef, gans zou zijn verbroken.

Daarmede is echter de betekenis van deze profetie niet uitgeput. Wij hebben hier een Messiaanse profetie, een aankondiging van Christus' komst. Dat blijkt uit het verband. In vers 5 en 6 vinden wij een van de bekendste voorzeggingen van de komst des Verlossers, nl. die van het: , Een Kind is ons geboren." En voorts: attheüs de Evangelist zegt uitdrukkelijk, dat deze tekst vervuld is in Christus (Matth. 4 : 13 v.v, ).

De Heere Jezus Christus is het grote Licht. Dit is geheel in overeenstemming met deze voorzegging aangaande Hem: , , Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op."

Christus is het grote Licht. Op een andere plaats wordt van Hem getuigd, dat Hij is een Licht tot verlichting der heidenen". En Hemzelf horen wij Zich ajdus openbaren: , , Ik ben het Licht der wereld." Christus is het grote Licht, de Star uit Jakob, de Zon des heils, de Zonne der gerechtigheid, die opgaat over allen, die de naam des Heeren vrezen.

Christus is een groot Licht, klaarder dan het zonnelicht, een Licht, dat schittert in de hemel, en dat op aarde straalt van het oosten tot het westen. Waar zich ook kinderen Gods bevinden, de stralen van dat Licht bereiken ze wel. En al is de duisternis, waarin wij wandelen, nog zo dik, dit Licht is groot en sterk genoeg om het donker van de nacht te verdrijven en het licht in de duisternis te doen opgaan,

Christus is het grote Licht, Om dat te kunnen zijn voor het volk, dat in duisternis wandelt, is Hij uit de gewesten des lichts in de hemel nedergedaald in de duisterste plaatsen der aarde. Daartoe heeft Hij kennis gemaakt met het donker van de bestrijding des duivels. Daartoe heeft Hij verkeerd in dikke duisternis door het gemis van Zijns Vaders vriendelijk aangezicht. Daartoe is er, toen de Man van smarten aan het kruis hing, duisternis gekomen over de gehele aarde van de zesde tot de negende ure. En aan het eind van die drie-urige duisternis, toen zij op het allerdikst was, heeft de Man van smarten daartoe moeten lijden, v/at tot uitdrukking komt in Zijn: , , Eli, Eli, Lama Sabachthani!", dat is: , , Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij M[ij verlaten? Langs zulk een weg van duisternis is Christus geworden het grote Licht voor een volk, dat in duisternis wandelt. Van dat Licht zingen wij met Zacharias in zijn lofzang zo gaarne:

Dus wordt des Heeren volk geleid. Door 't Licht, dat nu ontstoken is, Tot kennis van de zaligheid, In hunne schuldvergiffenis; Die nooit in schoner glans verscheen, Dan nu, door Gods barmhartigheên.

Die, met ons lot bewogen. Om ons van zond' en ongeval t' ontslaan. Een Star in Jakob op doet gaan, De Zon des heils doet aan de kimmen staan.

Voor elk, die in het duister dwaalt, Verstrekt deez' Zon een helder licht. Dat hem in schaauw des doods bestraalt. Op 't vredepad zijn voeten richt.

De Heere Jezus is het grote en liefelijke Licht, waarvan onze tekst spreekt. Hij is een Licht tot verlichting. Waar dit Licht begint te schijnen worden de gedachten des harten openbaar, maar daar ook doet het de duisternis verdwijnen. En als er een is, die vraagt: , , waarheen? waarheen? " een, die bij zijn eigen licht niet meer durft voortwandelen, die zijn eigen gids niet meer kan zijn, dan wijst dit Licht zulk een de rechte weg. En op die weg werpt het Zijn heldere, liefelijke stralen. Aangenaam is het zo voort te mogen schrijden. De Heere Jezus zegt immers: , , Ik ben het Licht der wereld, die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, "

Niet dat Gods kinderen altijd in het volle licht wandelen, O neen! Zo vaak verkeren zij in de duisternis. Maar toch zouden de begenadigden te kort doen aan de waarheid en aan de ere Gods, als zij zouden zeggen: , , het is altijd even donker." Ondanks uw zonden komt Christus nog wel eens over u te lichten, zodat gij met Zacharias vol vreugde zingt van het Licht, dat nu ontstoken is.

Christus is het grote Licht, de Zonne

der gerechtigheid, waardoor al de Zijnen worden verwarmd. Gekoesterd door de stralen van deze Zon smelt de ijskorst om het harte. Het is immers ook bij ware christenen niet altijd lente of zomer, zij maken ook kennis met herfst en winter. Wat kan het koud zijn van binnen! Het is, alsof geweken is alle warmtegloed voor de Heere Jezus, voor God en Zijn dienst, voor Zijn Woord en Zijn volk. — Maar! als de Zon des heils over u opgaat, u koestert met haar stralen, dan moet de koude wijken. Het hart wordt verkwikt door een weldadige warmte. Dan is er liefde, liefde voor het Licht der wereld, liefde voor de God des lichts, liefde voor het Woord, dat is een lamp voor de voet en een licht op het pad, liefde voor de kinderen des lichts. Dan is er afkeer van de duisternis, afkeer van de vorst, van het rijk, van de werken der duisternis.

Christus is het grote Licht, de Zon des heils, de Bewerker van alle groei in de hof der Kerk, en in de zielehof. In het rijk der natuur zou er zonder het licht van de warmte der zon geen sprake zijn van enige groei. Alles zou verdorren en verstenen. Zo zouden ook in het rijk der genade de tere plantjes van geloof, van hoop en van liefde verkommeren en verkwijnen zonder Christus, de Zon des heils. Het is alleen door Hem, dat het niet alles even dor en dood is. Alleen door Zijn kracht worden er nog levenstekenen gezien. Bestraald door het grote Licht is er in de hof der Kerk, in de zielehof, een heerlijk wassen en toenemen, een groeien, bloeien en vrucht dragen. Zo wordt bevestigd het woord: „Uw vrucht is uit Mij gevonden."

„Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot Licht zien." Wij zijn niet eens in staat om naar waarde te verheffen de glans en de schittering van het grote Licht, dat des daags heerschappij voert, van het kleine licht, dat des nachts met zijn zachte stralen het aardrijk toverachtig verlicht, van de talloze sterren, die flonkeren aan het onbeschrijfelijk schone firmament. — Indien wij dat niet kunnen, hoe zullen wij dan vermogen in woorden weer te geven de heerlijkheid van het grote, eeuwige Licht, dat in Christus is verschenen? , van dat Licht, dat de mens niet maar van buiten, doch vooral van binnen verlicht? , van dat Licht, dat zijn stralen kan werpen in de diepste diepte van zonde en schuld, waar de meest ondoordringbare duisternis heerst?

Geen duisternis is zo dik, of zij moet zwichten, als de Zonne der gerechtigheid opgaat. Dat is tot troost voor allen, die over duisternis treuren., hetzij voor het eerst, hetzij opnieuw. Al tast gij naar de wand gelijk de blinden, al vreest gij, dat het bij u nacht zal blijven, voor Christus is ook uw duisternis niet te dik. Het Licht in Hem ontstoken noemt onze tekst groot. O, dat wij dan in deze adventsdagen, bij het naderen van het heerlijk Kerstfeest, bidden en smeken mochten: „Zonne der gerechtigheid; bestraal ons."

Z.

S.v.D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 december 1958

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Het grote Licht

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 december 1958

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken