Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

LIEFELIJKE WONINGEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

LIEFELIJKE WONINGEN

12 minuten leestijd

(2)

Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o HEERE der heirscharen. Psalm 84 : 2.

Liefelijke woningen des Heeren waren in de Oud-Testamentische bedeling de tabernakel, en in Salomo's tijd en daarna, de schone tempel. Wat was daar niet een liefelijkheid te aanschouwen in allerlei schaduwen en ceremoniën, die alle spraken van het komende lichaam, van het komen van de Messias, de beloofde aan de vaderen!

En ook nu nog is het goed en profijtelijk bij dit alles stil te staan als bij een indrukwekkende prediking van de Christus, de Hogepriester naar de ordening van Melchizedek, de Hogepriester der toekomende goederen, de barmhartige Hogepriester, Die volkomenlijk kan zalig maken, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. Hij is de énige Hogepriester, Die met één offerande in eeuwigheid heeft volmaakt degenen, die geheiligd worden (Hebr. 10 : 14).

En dan laat de apostel er zo liefelijk, zo verzekerend, zo leerzaam op volgen: , , En de Heilige Geest getuigt het ons." Ja, mijn lezer, dat alleen geeft vastheid, geeft de zekerheid des geloofs, het „Testimonium Spiritus Sancti", het getuigenis van de Heilige Geest in ons hart. Zoek daarom die gewenste, die zo nodige, zo zielzaligende, zo Godverheerlijkende zekerheid niet bij enig mens, zelfs niet bij het volk van God. Zij hebben zelf vaak, tot op hun sterfbed toe, zoveel last van bestrijding, van slingeringen, van beangstigend ongeloof. Hoe zouden zij een ander dan uit dit alles uit kunnen helpen. Zoek de zekerheid des geloofs biddend en worstelend, werkend en rustend, in het bloed der verzoening van de Zone Gods, dat reinigt van alle zonde, en dus ook van de zonde van het ongeloof. Zoek de zekerheid daarin door de Heilige Geest te ontvangen, en bid maar veel: , , o dierbare Geest, getuig het niet alleen aan anderen, aan mijn vader, aan mijn moeder, aan mijn broeder, aan mijn zuster, aan mijn vrouw of aan mijn man, of aan wie dan ook, getuig het met onweerstaanbare kracht, want ik heb zo'n schrikkelijke last van mijn twijfelziek hart, van de aanvechtingen van de duivel, ja, getuig het onwederstandelijk ook aan mij persoonlijk." Heerlijk is het, als dat de uitwerking, de zoete vrucht mag zijn van het aanschouwen en onderzoeken van de liefelijkheid des Heeren in Zijn tempel!

„Maar!" —-zo vraagt misschien deze of gene angstig: „maar, hebben wij dan niet veel verloren door het wegvallen van die prachtige tempel en van al die schaduwen en ceremoniën, die zo luide de Christus predikten? Heeft dan misschien de kerk van Rome toch gelijk, met haar prachtige kerken en met haar vele kleuren en kleren, met haar altaren, met haar indrukwekkende bediening van de mis? Heeft dan misschien die Roomse vrouw (of man) gelijk, die ons beklaagde en aanklaagde, omdat wij dit alles verwerpen? Ik kreeg nl. een dezer dagen een brief van een Roomse uit Haarlem, die aldus begon:

+ „Den heer van Dorp en andere K.godsdiensthatende dominees!!

+ Heden kreeg ik bij toeval zo'n godsdienstig? ? kerkblaadje in handen, m.n. Gereformeerd Weekblad 23 mei 1959." En na een tamelijk lange brief eindigt dit geschrijf, vol van haat en vijandschap, aldus (en dit staat in verband met de stof van onze overdenking): „Nooit hebben al die andere godsdiensten en secten één Heilige voortgebracht. Hoe dom en laag, ba! de mensen van uw kerk voor te houden, dat er geen beeltenissen mogen gemaakt worden, zelfs van wereldsen, ijdelen, zelfs onchristelijken. Heus, wees U maar niet bang, en houd u hen toch niet zo dom, alsof de Kath. beelden aanbidden. Ach, ach, wat onnozel. Het is, om die Heilige en eerbiedwaardige mensen voor ogen te hebben en onze prachtige, heerlijke Godshuizen op te luisteren, ja, in uw kerken is alles koud en kil, hu! Denk er nog eens over, dat uw brave geloofsgenoten zoveel van de Kath. kerken en kathedralen, zo schoon en verheven voor God, gestolen en geschonden hebben. Mooi werk van hen, ba. + Geen H. Altaar, geen offer, geen Biecht, geen H. Priesterschap, geen opofferende kloosterlingen." En ik kindig deze aanhaling ook met een geen, nl. „geen ondertekening". Als men zijn brief niet ondertekent, als men door het ontbreken van een adres zelfs geen adres opgeeft, dan staat men toch wel heel zwak.

Neen, de kerk van Rome heeft geen gelijk met de bouwtrant, de inrichting van haar kerken (laten onze gemeenten toch oppassen!), met haar altaren en misoffers, met haar gewaden en ceremoniën. Het voorhangsel is bij het verzoenend sterven van de Heere Jezus Christus gescheurd van boven tot beneden. Het misoffer is waarlijk een verloochening van de énige offerande door Christus aan het kruis volbracht, en een vervloekte afgoderij.

Hier hebben we, zoals onze vaderen, waarvan er zo velen om des geloofs wille vervolgd, gemarteld en op schavotten en brandstapels gedood zijn, het uitdrukten: „de broodgod", waarvoor men zijn hoofddeksel afneemt bij het voorbijgaan van de kerk, waarvoor men nederknielt en alzo aan een ouwel goddelijke eer bewijst, terwijl men, als de kerk in de processie op de straat wordt gebracht, de straat tot kerk maakt en iedere voorbijganger wel zou willen dwingen om mee te knielen, om mee de ouwel te aanbidden, die door de macht van de priester in de transsubstantiatie geen ouwel meer zou zijn, maar het lichaam van de Heere Jezus zelf. Dat is Christus als de enige Middelaar Gods en der mensen de Middelaarskroon van het hoofd nemen:

Neen! onze kérken zijn niet koud en kil, want het geopende Woord van God, het Evangelie van Jezus Christus en Die gekruist, van de enige Naam, Die onder de hemel onder de mensen gegeven is, door welke wij moeten zalig worden, ligt op de kansel en moet gepredikt worden door mensen, die het hebben te bedenken, dat zij zijn „Diénaren des Woords". Onze kerken zijn niet kil en koud, want de Heilige Geest is daar, waar twee of drie in 's Heeren Naam tezamen zijn, om stenen harten te verbreken en vlezen harten te geven.

Onze kerken zijn niet koud en kil, als de zondaarsliefde van de Zaligmaker geopenbaard wordt aan verbrokenen van hart en verslagenen van geest. O, als dat ons persoonlijk mag te beurt vallen, dan wordt het van binnen zo warm, dat de Emmaüsgangers mochten zeggen tot elkander: „Was ons hart niet brandende in ons, als Hij op de weg tot ons sprak? " En de Bruid van de hemelse Bruidegom, Jezus Christus, mag tot roem van Zijn genade uit de volheid van haar bruidshart getuigen: „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad."

Neen! onze kerken zijn niet koud en kil. Ook met het oog op diè woningen van de Heere der heirscharen mag worden uitgeroepen: „Hoe liefelijk zijn Lïwe woningen, o Heere der heirscharen." Dat mag toch nog wel eens ondervonden worden onder de kansel en op de kansel.

„Hoe liefelijk zijn Lïwe woningen, o Heere der heirscharen!" — Dat wordt wel eens gezien en gevoeld niet alleen, als Gods Woord naar de mening des Heiligen Geestes bediend mag worden in het huis des Heeren, maar ook, als de Heilige Doop bediend mag worden aan de kleine kinderen der gemeente, of ook aan de volwassenen, die dat van harte hebben begeerd. Wat is dat liefelijk, als in de woningen des Heeren de kleine kinderen mogen worden binnengedragen en door de vaders en moeders ten Doop gehouden, of als een volwassene eerbiedig neerknielt in het midden der gemeente, om met het Doopwater besprengd te worden, dat ons bepaalt bij het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel, en als dat alles gebeuren mag onder het uitspreken van deze woorden door de dienaar: „Johannes of Maria, ik doop u in de naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen." — Dan denken wij, onder biddend opzien tot God, aan de zo aangrijpende nodiging van de Heiland: „Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk der hemelen." En nog groter en liefelijker wordt het, als wij daarbij teruggeleid mogen worden in ons eigen leven en onder de leiding des Geestes terecht mogen komen bij onze eigen Doop, èn als wij die hebbeu mogen leren verstaan. Dat zijn uren en ogenblikken, waarin wij iets mogen aanschouwen van de liefelijkheid des Heeren in Zijn woningen. Zulke uren en ogenblikken kunnen wij niet vergeten. Die doèn ons wat. Daar gaat kracht van uit. Dan is het wel eens met Jakob te Bethel in die onvergetelijke nacht, waarin hij een ladder zag, gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte, en zie, de engelen Gods klommen daarbij op en neder. En zie, de Heere stond op dezelve en sprak Jakob aan. Toen zeide Jakob in diepe verwondering: „Gewisselijk is de Heere aan deze plaats, en ik heb het niet geweten... Dit is niet dan een huis Gods en dit is de poort des hemels." Ja, zo is het. De Heere is een verrassend God en Hij doet telkens weer boven al wat wij bidden en denken.

„Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen!" — zo is het wederom, als de Avondmaalstafel aangericht staat, als de Dienaar in 's Heeren naam nodigt en als wij na biddende zelfbeproeving en voorbereiding toe mogen treden, om bij brood en beker de dood des Heeren te gedenken. Helaas, helaas zijn wij er niet altijd met ons hart bij. Ach, wat is ook onze Avondmaalsviering vol van gebrek, met zonden besmet!

Maar gelukkig! Gods kinderen kennen toch ook in dit opzicht andere tijden. Wat kan er veel in ons omgaan, als wij het gebroken brood mogen eten, en de vergoten wijn mogen drinken als tekenen en zegelen van Gods genade in Christus, Die Zijn lichaam heeft laten verbreken en Zijn bloed heeft laten vergieten tot een volkomen verzoening van al onze zonden.

En vooral als wij dan denken mogen aan dit gedeelte van ons rijke Avondmaalformulier: ..Daarom, al is het, dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk, dat wij geen volkomen geloof hebben, dat wij ons ook met zulke ijver om God te dienen niet begeven, als wij schuldig zijn, maar dagelijks met de zwakheid van ons geloof en de boze lusten van ons vlees te strijden hebben, nochtans, desniettegenstaande, overmits ons (door de genade des Heiligen Geestes) zulke gebreken van harte leed zijn, en wij begeren tegen ons ongeloof te strijden, en naar alle geboden Gods te leven, zo zullen wij gewis en zeker zijn, dat geen zonde of zwakheid, die nog (tegen onze wil) in ons overgebleven is, ons kan hinderen, dat ons God niet in genade zou aannemen, en alzo dezer hemelse spijze en drank waardig en deelachtig zou maken."

O, mijn lezer, wat is dat Avondmaal des Heeren toch een gezegende, een liefelijke instelling, voor al Gods kinderen, voor de kleine zowel als voor de grote. Daar is zielevoedsel tot versterking van het zwakke, aangevochten geloof, niet alleen voor de schapen van de goede Herder, maar ook voor Zijn lammeren, die Hij zo liefheeft, en zo teer verzorgt, die Hij zelfs in Zijn armen vergadert. Dan is er reden te over om met de Psalmist te stamelen of te zingen: „Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen!"

„Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen!" — zo is het wederom, als wij een bruidegom en een bruid zien binnentreden in Gods huis, opdat in het midden van de familie, van vrienden en vriendinnen, in het midden van de gemeente, hun huwelijk ingezegend en bevestigd zal worden. Welk een gewichtige ure, waarin een jonge man en een jonge vrouw voor Gods aangezicht elkander trouw beloven Voor het leven!

Helaas, helaas! wat is er ook in dit opzicht veel te klagen. Wat al ontrouw in het huwelijk. Wat al ongelukkige huwelijken! Wat al gebreken en zonden, zelfs in woningen, waar toch de vreze des Heeren wordt gevonden! O, mijn lezers, dat wij toch in Gods kracht mogen strijden tegen de vreselijke zonden, die huwelijken kapot, die gezinnen ongelukkig maken!

Maar, Gode zij dank! er zijn ook nog vele gelukkige huwelijken, waarin man en vrouw het ook wel eens mis hebben, maar waarin toch de band der liefde altijd weer bindt. Zulke huwelijken, waarin God de Eerste mag zijn in dat verbond, zijn een aangename, een gezegende herinnering aan een van de liefelijkheden van Gods huis, nl. de trouwdiensten. Mijn lezers, hoe is het op dit punt bij ons persoonlijk?

Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen!" Al zijn onze kerken dan eenvoudig, sober, al zouden wij slechts samen kunnen komen in een schuur (ik denk hier ook aan de schuur, waarin ik gedoopt ben), al zouden wij zelfs geen schuur hebben, maar moeten samenkomen in de open lucht, in open plekken in de bossen, zoals onze vaderen bij de hagepreken, zoals de Hugenoten in hun bergen, als de Heere maar in het midden is, dan is daar toch Zijn liefelijkheid te aanschouwen, de liefelijkheid van Wet en Evangelie, de liefelijkheid van de bediening van de H. Doop; de liefelijkheid van het vieren van het H. Avondmaal; de liefelijkheid van de inzegening en bevestiging van het huwelijk voor Gods heilig aangezicht, waarvoor niets is bedekt, mannen en vrouwen, jongelingen en jonge dochters onder ons. Jakob had ook geen dak boven zijn hoofd te Bethel, geen woning en geen schuur, alleen een steen als zijn hoofdpeluw, en het was bovendien nog in de donkerheid van de nacht. Maar daar en toen openbaarde de Heere Zich aan hem op verrassende, op wonderlijke wijze. Dan is Jakob zo vol en zo rijk (en niet alleen Jakob, maar dat gebeurt ook nu nog; hebt gij dat ook wel eens beleefd? ) dat hij uitriep: , , Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels." Overal, waar God Zich openbaart in Zijn genade, in Christus, daar is Zijn woning, daar wordt Zijn verborgen omgang genoten. Het kan in een schuur, in het land, op de zolder, op de straat, op een gezelschap, in een huisgezin zijn. Daar zingt de Psalmist aldus van: , , Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen."

Waar liefde woont, gebiedt de Heer' de zege»; Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil En 't leven tot in eeuwigheid. [verkregen,

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 augustus 1959

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

LIEFELIJKE WONINGEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 augustus 1959

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken