Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

LIEFELIJKE WONINGEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

LIEFELIJKE WONINGEN

12 minuten leestijd

(3)

Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o HEERE der heirscharen.

Psalm 84 : 2.

„Hoe liefelijk zijn Uwe woningen" •— dat hebben wij al twee weken achtereen met elkander overdacht. Nog echter is de stof van onze meditatie niet uitgeput. En ook met deze onze derde overdenking zullen wij haar niet uitputten. Gods Woord is zó rijk, dat wij nooit tot de diepste diepte er van zullen doordringen. Als een ander dezelfde stof behandelt, dan zal dat toch weer in menig opzicht anders zijn. En dan ook dit met betrekking tot het Schriftwoord, dat wij nu met elkander overdenken, het is zó vol van de liefelijkheid van de woningen des Heeren, dat de Psalmist die niet uitspreken kan. In verwondering roept hij uit: „Hoe liefelijk zijn Uwe woningen!" — Verder kan hij het niet brengen.

Zo was het ons misschien ook, toen wij met elkander de liefelijkheid van Gods woningen overdachten in de Oud-Testamentische betekenis, toen wij ons dus trachtten te verdiepen in de liefelijkheid van de tabernakel en van de tempel. Wat is er in die dienst der schaduwen veel op te merken. Hoe rijk is de Evangelieprediking, die er in ligt en van uitgaat, als wij denken aan altaren en offeranden, aan het brandofferaltaar en het koperen wasvat, aan het reukofferaltaar, aan de tafel der toonbroden en aan de gouden 7-armige kandelaar, aan het voorhangsel en het Heilige der heiligen met de Ark des verbonds, met het verzoendeksel en de Wet des Heeren, de bloeiende staf van Aaron en het gouden kruikje met manna. Dit alles en nog zoveel meer was voor de godvruchtige Israëliet een verlustiging, die hem met koning David deed uitroepen: Eén ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken, dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel" (Psalm 27:4).

En ook wij kunnen, als de Heilige Geest ons inleidt in de betekenis van alles, wat tabernakel en tempel bevatten en wat daar gebeurde, wel eens zó diep onder de indruk komen van de rijke Evangelieprediking in Oud-Testamentische vormen en ceremoniën, dat wij in verwondering en vertedering uitroepen: „Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen!"

En nu onze kerken, zoals wij die onder de Nieuw-Testamentische bedeling kennen, die niet schitteren van goud en van allerlei sprekende schaduwen, die ook zoveel eenvoudiger zijn dan de kathedralen van de Roomse kerk, daar kunnen wij de woorden van de dichter van Psalm 84 ook en zeer zeker op toepassen. Hoe eenvoudig ook, hoe sober ook, Gods Woord ligt op de kansel. Gods Woord, dat nu niet alleen het Oude Testament bevat, en dus de belofte, maar ook het Nieuwe Testament, de vervulling. „God voortijds veelmaals en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon; Welke Hij gesteld heeft tot een erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft; Dewelke, alzo Hij is het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het Woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelve teweeggebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen" (Hebr. 1 : 1—'3).

O, wat is de vervulling van de Oud-Testamentische Messiaanse beloften toch heerlijk en verblijdend. Als wij daar iets van te zien krijgen, als wij dan denken aan het Kindeke in de kribbe van een beestenstal, aan de Man van smarten met Zijn doornenkroon en daarna genageld aan het kruis, dan is dat hét offer, dat God alleen kan behagen. En wij kunnen de diepte niet peilen, als deze Hogepriester der toekomende goederen, Die Zichzelf ten offer brengt, ten slotte uitroept, tot zonde gemaakt voor zondaren, tot een vloek geworden voor van God vervloekten, als Deze dan hangend aan en stervend aan het middelste kruis uitroept: „Het is volbracht!"

De prediking van Jezus Christus en Die gekruist, door het Woord, door de Sacramenten van Doop en Avondmaal, toegepast aan zondaarsharten, is een zo wonderbare zaak, dat zulke begenadigde zondaren in verwondering, in aanbidding uitroepen: „Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen."

En wat worden die woningen, waar Gods Woord op de kansel ligt, waar dat Woord recht gesneden mag worden door de leiding van de Heilie Geest, in al haar eenvoud dan schoon, blinkend van het goud van Gods vrije genade, als daar gepredikt mag worden de Heere der heerlijkheid, ten derde dage wederom opgestaan uit de doden, opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, des almachtigen Vaders, vanwaar Hij komen zal, om te oordelen de levenden en de doden.

En ten slotte, wat worden die woningen schoon, zodat het in onze ziel wel eens is: Hier weidt mijn ziel met een verwonderend oog, als daar de Sacramenten van Doop en Avondmaal worden bediend! Hoe schittert dan in het eenvoudigste kerkje de rijkdom van Gods genade, zelfs voor de jonge kinderen, over wie, bij de besprenkeling met het doopwater, mag worden uitgeroepen Gods driemaal heilige Naam, als het klinkt uit des dienaars mond, naar het bevel van Christus aan Zijn gezanten: „Ik doop u in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes."

En bij de viering van het Heilig Avondmaal, waarin de onbegrijpelijke liefde van Jezus Christus, onze getrouwe Zaligmaker, Die de Zijnen heeft liefgehad tot in de dood des kruises, ons op zicht-en tastbare wijze gepredikt wordt, waardoor onze hongerende en dorstende zielen gespijsd en gelaafd worden ten eeuwigen leven, bij die gedachtenisviering van het bitter lijden en sterven van Christus Jezus, worden onze harten wel eens door deze liefde zó verwarmd, zó brandende, dat het diep in onze ziel door Gods grote ontferming mag zijn: „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad."

Neen! onze kerken zijn niet koud en kil, zodat men „hu!" moet zeggen. Als de

Heere met Zijn Woord en Geest in het midden is, dan is daar de warmte van Zijn liefde in Christus, dan is daar de wederliefde van de begenadigde zondaar, dan is er alle reden voor dat: , , Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen!"

En nu moeten wij nog verder, nog dieper, of liever nog hoger, gaan. Van de liefelijke woningen des Heeren hier op aarde moeten wij onze gedachten, onze harten opheffen tot de Heere der heirscharen in de hemel, tot Zijn liefelijke woningen in het Vaderhuis met Zijn vele woningen. Daar woont en troont de Heere der heirscharen. Daar zingen wij van, tot opwekking van onszelf, zoals de Psalmist het ook heeft mogen zien en ervaren:

Looft, looft de Heer', gij Zijne legerscharen, Wier lust het is op Zijne wenk te staren.

Dat hemel, aard' en zee, en berg en dal, Hoe ver men ook Zijn scepter ziet regeren. Nu Zijne Naam en grote deugden eren; En gij, mijn ziel, loof gij Hem bovenal.

Van de Romeinse Paula, een medewerkster van de kerkleraar Hiëronymus, die met hem arbeidde in het heilige land te Bethlehem, meldt ons de geschiedenis van de christelijke Kerk, dat zij gestorven is, nog maar 56 jaar oud, in het jaar onzes Heeren 404, en dat zij, toen zij de dood voelde naderen, haar bloedverwanten riep en nog veel met hen sprak over de geestelijke dingen. Al stervende bewogen haar lippen zich en men hoorde haar fluisteren: , , Quam dilecta tabernacula tua, Domine virtutum", dat is de Latijnse vertaling van Hiëronymus van de stof van onze overdenking. Paula dacht daarbij blijkbaar aan de liefelijke woningen des Heeren in de hemel, waarover wij met elkander nu mediteren: „Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen!"

Als wij door genade de Heere mogen vrezen, dan zijn die liefelijke woningen hierboven het einddoel van de reis door het land onzer vreemdelingschappen. De Heere Jezus Zelf heeft over die hemelse „liefelijke woningen" zo onderwijzend, zo uitlokkend en vertroostend gesproken in Zijn afscheidsredenen. Wij kennen allen dat gedeelte wellicht uit ons hoofd, en toch kennen wij het in de diepere zin niet, omdat wij geen, of omdat wij zo weinig vreemdelingen zijn. En dus is het nodig en goed, onder Gods zegen ook heilzaam, als wij johannes 14 : 1—6 nog eens met elkander lezen. De Heiland zegt daar dan: Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om: plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, , zo kom Ik weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben. En waar Ik heenga, weet gij, en de weg weet gij. Thomas zeide tot Hem: eere, wij weten niet, waar Gij heengaat, en hoe kunnen wij de weg weten? Jezus zeide tot hem: k ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gijlieden Mij gekend had, zo zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu kent gij Hem, en hebt Hem gezien."

Schoner verklaring, rijker beschrijving van de liefelijke woningen van de Heere der heirscharen in de hemel kan ik u natuurlijk niet geven. Hier zwijgen wij enige ogenblikken stil, om dit alles — moge het zijn onder de leiding van de Heilige Geest! — op ons in te laten werken. Welk een zegen is het, als in die weg in ons hart de begeerte opgewekt wordt om kennis te mogen krijgen aan Hem, Die de weg is tot deze liefelijke woningen in de hemel. En welk een voorrecht is het voor Gods volk, als zij bij de stille overdenking van en inleiding in deze zaken meer vreemdeling mogen worden op aarde, en als er zo ook een diep heimwee in hun ziel opgewekt wordt naar het hemelse thuis in het Vaderhuis met zijn vele woningen. Van hen zingen wij in Psalm 84:

Zij gaan van kracht tot kracht steeds Elk hunner zal in 't zalig oord [voort, Van Sion haast voor God verschijnen.

En zélf zingen zij, — want Gods volk is een biddend, een klagend, maar ook een zingend volk:

'k Zal dan gedurig bij U zijn In al mijn noden, angst en pijn, U al mijn liefde waardig schatten, Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten! Gij zult mij leiden door Uw raad, O God, mijn heil, mijn toeverlaat, En mij, hiertoe door U bereid, Opnemen in Uw heerlijkheid.

Ja, dan vooral, als wij peinzen over het huis des Vaders met zijn vele woningen, is er alle reden, om in verwondering, in heimwee uit te roepen of uit te stamelen: „Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen!"

Daar is de troon van God de Vader, in Wiens naam Johannes op Patmos de zeven gemeenten, die in Azie zijn, zegenend toebad: „Genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal." Daar is God alles, en in allen. O, wat zal daar dan niet zijn de ervaring van de eeuwige liefde van God de Vader!

Daar is God de Heilige Geest, van Wie ons hier geopenbaard wordt met het oog op de volheid van Zijn onwederstandelijke krachten en van Zijn menigvuldige gaven, dat wij wel mogen spreken van de zeven Geesten, Die voor de troon Zijn. Zeven, omdat dit is het getal van de volheid, ook van de Goddelijke volheid. O, wat zal in de hemel dan niet zijn de gemeenschap des Heiligen Geestes!

Daar is God de Zoon, de Middelaar Gods en der mensen, van Wie hier in aanbidding gezegd wordt: „En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, de Overste van de koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed, en Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader, Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid!" — Wat zal dat niet zijn altijd met Christus de Heere te zijn en steeds voor ogen te hebben het Lam, staande als geslacht! Dan gaat het eerst volkomen in vervulling: „Gij zijt duur gekocht, zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn."

Daar in die liefelijke woningen in het Vaderhuis zullen ook zijn de engelen, die niet gevallen zijn, en de gezaligden, die wel in de eerste Adam gevallen zijn, maar door het geloof in Christus gerechtvaardigd. Zij zingen tezamen tot lof en prijs van de enige en drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, Die zij nu mogen dienen dag en nacht, en dat zonder twist en tweedracht, met eenparige schouder.

Er is ongetwijfeld veel genoten in Gods liefelijke woningen van het Oude Verbond. Onvergetelijke uren worden beleefd in Zijn liefelijke woningen, onze bedehuizen onder het Nieuwe Verbond. Maar volkomen, zonder zonde, zonder enig gebrek, zonder enige wanklank, zal zijn het verkeren in het Vaderhuis, waarin Johannes geen tempel zag, en waarin het toch op het allerinnigst zal zijn, niet maar bij ogenblikken, maar in alle eeuwigheid: „Hoe liefelijk zijn Uwe woningen, o Heere der heirscharen!"

Wee onzer, als wij blijven wonen in ónze woningen! Die woningen zijn op zandgrond gebouwd. Zij storten bij het sterven ineen. Zo vindt een zondaar de eeuwige dood. Haast u!

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 augustus 1959

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

LIEFELIJKE WONINGEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 augustus 1959

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken