Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het ware geloof

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het ware geloof

13 minuten leestijd

In het vorige artikel werd de briefwisseling tussen Jacob Groenewegen en Arie van der Willigen genoemd, waarin ds. Th. van der Groe mede betrokken was. Ik heb al eens geschreven, dat dit een moeilijke kwestie was, maar een lezer wil toch mijn mening er wel eens over horen. Ik weet niet of ik daar met dit artikel aan toe kom, maar voor menige lezer kan het wel eens nuttig zijn te vernemen waar het verschil van mening over ging en hoe de partijen over het punt in kwestie oordeelden.

De briefwisseling ging over het wezen van het geloof. Het onderwerp blijft bij de gedurigheid de moeite waard, omdat onze zaligheid alleen door het geloof is. Dit is dan een zeer bepaald geloof, nl. het geloof in Christus. Misschien kan ik het punt van verschil tussen de bovengenoemden kort zo weergeverf, dat Groenewegen onder geloof verstaat: het verlangen naar Christus, en van der Groe: het aannemen van Christus. De laatste wil eerst dan van zaligmakend geloof spreken als de zondaar Christus aanneemt. Van der Willigen legt het gevoelen van de predikant van Kralingen als volgt uit: „Dit aannemen van Christus is bij Z.E. niet anders als die wezenlijke daad des geloofs, waardoor een arm verlegen en recht overtuigd zondaar, ziende nu in zijn verstand bij Geesteslicht, dat Christus hem als een volkomene, algenoegzame en bereidwillige Zaligmaker van de Vader in het Evangelie uit vrije genade wordt aangeboden, door de krachtige bewerking des H. Geestes, geheel uit zichzelf geleid en van de Vader inwendig getrokken wordt, zodat hij als een arm, goddeloos, blind, onmachtig en vervloekt zondaar, met verzaking van alle andere middelen en wegen ter behoudenis, zichzelf tot Gods aangeboden Christus wendt en keert, en dat ten uiterste gul rechtuit en onbepaald en met zijn ganse hart, komende alzo tot de Heere Jezus, Hem oprechtelijk begerende, naar Hem hongerende en dorstende, oneindig meer dan naar iets anders in de wereld, en nemende Hem met de hand eens waarachtigen geloofs aan, voor zijn volkomen en algenoegzame Zaligmaker in zijn eigen weg en op zijn eigen aanbod, zijnde nu gans gewillig en genegen, om alleen uit vrije genade door de Heere Jezus van al zijn zonden verlost, gerechtvaardigd, geheiligd en gezaligd te worden."

Hierop volgt dan: een toe-eigenen van Gods beloften voor zichzelf, voorts een verzekeren des gemoeds van de genadige vergeving der zonden en ten vierde: een vertrouwen, verlaten, rusten en steunen van het hart op Christus en op Gods eigen Woord en genadige beloften in het Evangelie. Men kan op deze wijze het geloof uitgebeeld vinden in de Christenreis en beschreven in de viervoudige staat van Boston. Dit geloof geeft vrede en is niet zonder de verzekering.

Nu zijn er echter zoveel zoekende zielen, die aan dit aannemen van Christus met toepassing op zichzelf zo moeilijk toekomen. Hebben deze nu het ware geloof niet? Christen op het smalle pad, met dat zware pak, heeft hij het ware geloof (nog) niet? Van der Groe zou zeggen: nog niet. Groenewegen zegt: toch wel. Dat is ongeveer de kern van het verschil.

En dan zegt de laatste tot Ds. van der Groe: , , Gij krenkt al die kleine gelovigen voor wie Christus zijn bloed heeft gestort." Daarop antwoordt van der Groe: , , Gij loopt gevaar een zondaar zalig te spreken op grond van natuurlijke werkzaamheden." Groenewegen vindt namelijk het ware zaligmakend geloof bij hen, die in duisternis over de aarde gaan en nu hongeren en dorsten naar Christus, Hem nalopen, tot Hem komen en bij wie dit soms jaren duurt, zonder dat zij werkelijk tot enige verzekering komen.

Is dit nu toch het zaligmakend geloof, hoewel juist dat omhelzen van Christus met verzekering voor zichzelf ontbreekt? Het lijkt mij de moeite waard deze vraag van zoveel mogelijk kanten te bezien. Ik wil slechts nog een opmerking vooraf maken, nl. deze, dat de mogelijkheid bestaat, dat iemand van grote verzekering spreekt en het wezen des geloofs mist en dat iemand alleen maar over hongeren en dorsten durft spreken en in waarheid Christus deelachtig is. Ook hiervan geldt, dat het nog niet zo gemakkelijk is zichzelf te beoordelen of anderen.

Maar wij beginnen niet met de vraag te beantwoorden of Jan, Piet of Klaas het zaligmakend geloof bezit, doch met te spreken over het wezen van het geloof. Hoort daar enige zekerheid voor onszelf bij of bestaat het alleen in verlangen in een hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van Christus, in het toevluchtnemend vertrouwen?

In de 18e eeuw is er over deze kwestie heel wat te doen geweest. Men had toen ook Jac. Schuts, die leerde, dat al de daden des geloofs: kennen, toestemmen, vertrouwen enz. reeds het geloof veronderstellen en dat het geloof wezenlijk bestaat in het voor waarachtig houden van Gods getuigenis aangaande Christus. Het zou dan genoeg zijn als we geloven, dat Jezus de Christus is en dat de zaligheid in Hem is. Uit het drietal: kennen, toestemmen en vertrouwen, die gedrieën het wezen des geloofs uitmaken, wordt dan de middelste uitgelicht. Iemand zou, volgens Schuts, het zaligmakend geloof bezitten, als hij de waarheid der Schrift toestemt. Het is niet waardeloos, dat men zulke meningen kent, want ketterijen hebben de neiging om telkens weer terug te keren.

Prof. Lampe ziet het wezen van het geloof in het aannemen van Christus. Hij tekent het zaligmakend geloof met deze woorden: , , Het genadig werk van God en van Zijn Geest, waardoor de wil van de krachtdadig naar Gods voornemen geroepen zondaar redelijk en krachtig geneigd wordt, om Christus op grond van het getuigenis van het Evangelie, alleen en geheel als een volkomen zaligheid aan te nemen." Lampe legt grote nadruk op de wil. In de inwendige roeping verlicht God het verstand, zoals wij allen weten, en buigt Hij de wil om. Het is wel eens goed om op de wil ook de vereiste nadruk te leggen. Lampe zegt: , , De daad van het aannemen is van grote betekenis. Naar de mate, dat men aanneemt, heeft men ook."

Ze zeggen wel eens, dat de mannen van de schriftuurlijk-bevindelijke prediking zo lijdelijk zijn. Daar wordt nergens krachtiger op geestelijke arbeid aangedrongen. Lampe gebruikt als beeld een bedelaar. Een bedelaar die een rijke gave aan wil nemen, moet eerst zijn twee handen leeg maken en vervolgens zijn best doen die gave daarmee vast te grijpen, zodat niets daarvan op de grond valt. Prof. Lampe nu onderscheidt de gelovigen in sterken en zwakken. Bij de zwakken is er eerst een verlangen, een hongeren en dorsten naar Christus. Zij zijn Jezus' behoeftigen. Daaruit komt voort een gaan en komen tot Christus, een zoeken en toevlucht nemen naar Hem en een onbeschaamd aanhouden bij Christus. Zulken rekent Lampe bij de gelovigen, doch hun geloof is zwak. Bij de sterken vindt hij, dat zij eerst een vrijmoedigheid hebben om zich Christus toe te eigenen, om Hem te mijnen, te kussen, te eten en te drinken. Dit zet zich voort tot volle zekerheid: een zich verlaten op, een rusten en zich verlustigen in Christus. Met het volgende voorbeeld tracht prof. Lampe het verschil tussen een zwak en sterk gelovige te verduidelijken. Men stelle zich voor: iemand wordt door een vijand achtervolgd en verkeert in levensgevaar. In de verte ziet hij een kasteel. Zo snel mogelijk en met sterk verlangen begeeft hij zich daarheen en werpt alles van zich af, hoe kostbaar ook, om zijn redding niet in gevaar te brengen. Dit is de gestalte van het zwakke geloof. Het is dus een geloof, dat er in het kasteel behoudenis is voor hem. Doch zal hij in het kasteel tijdig komen en zal hij daar inderdaad bescherming vinden? Lampe antwoordt: het is onmogelijk, dat de vijand deze vluchteling nog achterhaalt, want wie begonnen is tot Jezus Christus in het geloof zijn toevlucht te nemen, is dan reeds buiten gevaar, want ook een zwak geloof kan niet vergaan, maar zal zeker in de Heere Jezus ingelijfd worden.

Het geloof heeft bij Lampe twee trappen: eerst het toevlucht nemen tot Christus en dan het vertrouwen op Christus. Lampe neemt de bekommerde heel sterk in bescherming. Van der Groe is bang, dat menigeen zich voor bekommerd zal houden, die het niet in waarheid is en die niet in waarheid tot Jezus de toevlucht neemt. Lampe is bang iemand voor het hoofd te stoten, die het in waarheid om de verlossing en de heiligmaking in Christus te doen is. Misschien is het wel goed, dat we op z'n tijd naar allebei luisteren en dat we vooral ons afvragen of we vorderingen maken. Wanneer wij naar het kasteel vluchten, maar we gaan onderweg zitten en zeggen: ik heb het ware geloof, ik kom er wel, is de kans toch wel heel groot, dat de vijand ons verslindt. Maar omgekeerd, als we werkelijk vol kommer en honger met vreze des doods over de aarde gaan en ze zeggen dan tegen ons: dat zijn allemaal werkingen der natuur, daar moet heel wat anders met je gebeuren, zou men haast wanhopig worden. Daarom geloof ik, dat de waarheid in deze niet zo gemakkelijk met één woord, dat op allen past, te zeggen is. Lampe begint weliswaar bij het hongeren en dorsten naar Jezus als hij over het geloof handelt, maar daar blijft het niet bij. Het gaat voort tot een naderen en komen en mijnen van Jezus. Maar als we van jaar tot jaar bij de bekommering over onze zonden blijven staan en het wordt geen hongeren en dorsten naar Jezus, dan is er geen geloof. En als wij van jaar tot jaar bij het verlangen naar verlossing blijven, doch niet nader komen, wat moeten we er dan van denken? Lampe zegt: „Het zwak geloof moet sterk wórden, zodat het vertrouwen op de Heere, de zekerheid en de rust in God bereikt wordt." Hij neemt het zwakke geloof in bescherming en vraagt: „zou een verlangen en zoeken niet ook geldig zijn, hoeveel kinderen Gods zou men dan niet moeten verdoemen? Een zwak geloof is ook een geloof. Wat kan meer versterken dan dat de zwakken vernemen, dat een zwak geloof ook een geloof is, als maar een vonkje onmiskenbare oprechtheid daarmee verbonden is."

Tegenover Lampe stond echter Ds. van Thuynen. Deze hechtte niet zoveel waarde aan het hongeren en dorsten, wie niet meer heeft dan dit staat gelijk met de Turken, meende hij. Nu kan dat wel gelden, dacht ik, voor veel bekommering en vrees voor de straf en benauwdheid voor de hel. Maar zodra Christus aan de ziel noodzakelijk is geworden, is men toch ook wel verder dan de Turken. Theod. van Thuynen trachtte aan te tonen, dat hongeren en dorsten, toevlucht nemen tot Christus enz. wel aan het geloof voorafgaan en tot het geloof leiden, maar dat het geloof zelf wezenlijk alleen bestaat in het verzekerd vertrouwen, dat wij met God verzoend zijn en vergeving der zenden hebben ontvangen. Hieruit is duidelijk, dat de strijd over het geloof, die tegenwoordig zwakjes hier en daar nog wel eens het hoofd opsteekt, niet van vandaag of gisteren is.

Daar zitten trouwens nog wel meer moeilijkheden aan vast. Heel dikwijls vindt men welverzekerde gelovigen zonder strijd, zonder bekommering, zonder

hongeren en dorsten naar Christus en daartegenover strijdende, zoekende, biddende mannen en vrouwen zonder verzekerdheid. Voorts vindt men ook gevoelige mannen en vrouwen, erg bekommerd voor de eeuwigheid, die toch nooit recht ontdekt worden aan hun verloren staat.

De Catechismus spreekt in zondag 23 van mensen, die al Gods geboden hebben overtreden en nog steeds tot alle boosheid geneigd zijn. Vele bekommerden hebben daar weinig besef van. Dan zijn er weer anderen, die wel eens een benauwdheid hebben doorgemaakt, een verlossende tekst gekregen, enz., maar nooit recht verloren zijn gegaan in zichzelf en die zich toch voor zulken houden, die hongeren en dorsten naar Jezus. Zij hebben echter nooit de Heere Jezus nodig gekregen, want zij hebben nog altijd genoeg aan hun teksten en benauwdheid.

Ik kan best begrijpen, dat van der Groe niet over gelovigen wil spreken, tenzij iemand vrede heeft gevonden in het bloed van Christus. In waarheid is het geloof, dat zalig maakt, toch niet zonder verzekering. Als Ralf Erskine in een preek over Rom. 4:18 over het geloof spreekt, zegt hij: het geloof sluif ook een bijzondere toeëigening in van de belofte voor zichzelf. Het geloof is dat de ziel zegt: , Ik kies Christus en betrouw mijn zaligheid alleen aan Hem toe. Hij wordt mij in het Evangelie aangeboden, en ik kies Hem en betrouw ter zaligheid alleen op Hem, zoals Hij mij aangeboden en mij beloofd is." Dan rust het geloof op de belofte. Dat behoeft niet een bepaalde belofte te zijn, die ons met kracht is voorgekomen. Het gaat hierom, dat de H. Geest ons inleidt in de belofte van het Evangelie. Daar wordt Christus aangeboden aan ellendigen en armen en zondaars. Het dit geloof heeft Hoop de Zaligmaker omhelsd. Ik kan mij niet voorstellen, dat er één bekommerde of zwak-gelovige zou zijn, die niet verlangt naar dit toeëigenend geloof. Wat er ook waar moge zijn van al die vertroostingen, dat zulken toch echt bij Christus behoren, de zondaar zelf gevoelt er zich buiten. Hij heeft geen vrede, hij mist de vertroosting van het Evangelie.

En toch kan ik ook begrijpen, dat prof. Lampe e.a. hier spreken van zwak-gelovigen. Het gaat er nu maar om wat zij er mee bedoelen. Maar de verslagene van geest, die door de tralies van zijn gevangenis heen, iets van Christus mag zien en geloven, dat er in Hem een volkomen zaligheid is, heeft toch inderdaad geloof. Het is het geloof van hen, die tot Jezus kwamen en waarvan de Heiland sprak: Uw geloof heeft u behouden. Het psalmvers zegt:

„Hij, die Uw naam in waarheid kent, zal, Heer', op U in zijn ellend', vertrouwen, wijl Gij nooit liet zuchten hen, die gelovig tot U vluchten."

(Psalm 9 : 10).

Men moet niet alle bekommerden gelijk stellen. Voorts kan ook geen enkele bekommerde, die zijn zaligheid in Christus zoekt, in dat zoeken en hongeren rusten. Hij schreeuwt om openbaring van die Heiland, of Hij ook voor hem de Zaligmaker is. Maar hij is toch ook weer zo dicht bij de Heere Jezus, dat hij een beetje onder zijn discipelen behoort.

En wanneer gaat het nu goed met een zwak-gelovige? Gaat het goed als hij op zijn geloof vertrouwt? Denk het niet. Het gaat goed als hij maar blijft roepen: wat ben ik er toch ver van af, totdat hij zich volkomen mag overgeven aan de Herder, die het schaap thuisbrengt. Men zegt, dat de Hervormers nog geen onderscheid maakten tussen de uitgaande en de wederkerende daad des geloofs. De uitgaande is dan dat iemand in zijn verlorenheid tot Christus de toevlucht neemt, teneinde uit zijn hand de vergeving en de zaligheid te ontvangen en de wederkerende daad is dan het wederkeren tot zichzelf met de bewustheid, dat ik waarlijk de vergeving en de zaligheid deelachtig ben.

De Hervormers stonden in de volle verzekerdheid. Maar later leefde er een ander geslacht, dat niet zo rijk was. Men kon in de belijdenis wel zeggen, dat het geloof bestond in het vaste vertrouwen, dat mij persoonlijk al mijn zonden om Christus' wil vergeven zijn, maar de werkelijkheid leerde heel anders. Verzekerde christenen waren er zeer weinige. De meeste leden der kerk waren onverschillig, tevreden met hun gereformeerdheid, of zoekenden en twijfelenden, die geen rust konden vinden, of zulken, die niets geen moeite hadden met hun vast vertrouwen en roemden in hun groot geloof. Toen is de moeilijke vraag geboren: hoe weinig verzekerdheid kan men hebben en toch nog een gelovige zijn? Dat is een vraag, die met voorzichtigheid en beslistheid beantwoord moet worden, want het gaat om het eeuwig behoud.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 augustus 1959

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Het ware geloof

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 29 augustus 1959

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken