Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Waar zullen we de kinderen voor houden?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Waar zullen we de kinderen voor houden?

13 minuten leestijd

Bij mijn weten is dit geen bijbelse uitdrukking. Ik meen ook, dat zij met de geest der Schrift niet overeenstemt. De Heere Jezus sprak: Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben. Zo'n uitdrukking komt niet uit een zacht gemoed. Dan is er nog wat. De Heiland is ook met kinderen in aanraking gekomen. Maar met deze woorden

Een gesprek en een brief vormen samen de aanleiding voor dit artikel. Het gesprek ging over de vraag van een vader: wat moet ik straks mijn kinderen zeggen, als zij tot hun verstand beginnen 'te komen? Wij bespraken zo de mogelijkheden. Hij had de jonge kinderen meer dan eens horen betitelen als brandhout voor de hel.

heeft Hij hen niet begroet. Hij heeft gezegd: „Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet".

Ik kan er dus goed mee instemmen, dat mijn gewaardeerde bezoeker de betiteling van de kinderen in het algemeen als brandhout voor de hel verre van zich wierp. Zo noemen we trouwens ook de volwassenen niet. Integendeel, we bidden en smeken opdat zij zich laten behouden.

Maar welke naam is er dan voor alle gedoopte kinderen zonder onderscheid? Ik meen dat mijn bezoeker wel iets voelde voor begenadigden of wedergeborenen of gelovigen of zo iets, maar hij wist het zelf niet, hoe het moest. Het is ons allen wel bekend, dat Dr. A. Kuyper en anderen voor en na hem het wel wisten. Zij noemden de kleine gedoopte kinderen tot hun grijsheid toe: wedergeborenen. Eer men zo iets doet, moet men natuurlijk zeker weten, dat dit juist is voor allemaal. Maar toen kwam er iets wonderlijks bij: men veronderstelde dat zij het waren, zonder te beweren, dat dit schriftuurlijk vaststond.

Dat gemis van het laatste was natuurlijk de grote fout. Dit is geen theologie meer, doch filosofie. Met het laatste bedoelen we: menselijke wijsheid, geboren uit allerlei veronderstellingen en redeneringen. De theologie daarentegen wil niet anders dan rusten in Gods Woord.

Maar als er één ding vaststaat is het dit, dat de H. Schrift tweeërlei kinderen des Verbonds kent en niet alleen maar die wedergeboren zullen worden. Aan deze theorie, dat alle kinderen voor wedergeboren gehouden moeten worden, die uit belijdende leden der kerk geboren zijn, zit dan vaak ook nog vast, dat men alle kinderen voor wedergeboren moet houden nog voordat zij geboren zijn. Men krijgt dan de sluimerende wedergeboorte. Saulus van Tarsen is dan al lang wedergeboren vóór Damaskus en heeft als volwassen wedergeborene de gemeente Gods vervolgd.

Wij weten allen welke verwoestingen deze leer in het geestelijk leven heeft aangericht. Zij is dan ook geheel onaanvaardbaar, oordeelde Ds. I. Kievit. Hij noemde haar zelfs eigenlijk godslasterlijk.

Als genoemde in zijn boekje over „Tweeerlei kinderen des Verbonds" geschreven heeft over de betekenis van 1 Cor. 7 : 14 en de overtuiging heeft uitgesproken, dat hier geen inwendige heiligheid van alle kinderen wordt geleerd, die een heidense vader en een gelovige moeder hebben, vervolgt hij: Wij zijn ons echter bewust, dat wij met deze opvatting, die voor ons op grond van Gods Woord volkomen zeker is en ons vrijwaart om verstrikt te geraken in onontwarbare strikken, tegelijk ons buiten de Gereformeerde Kerken sluiten, naar het oordeel van Dr. Kuyper sr. althans. Hij leert toch, dat wij de kinderen als wedergeboren moeten veronderstellen bij de Doop, als reeds van Godswege begenadigd door de inplanting van het onverliesbare zaad der wedergeboorte... „volhardt iemand in de opinie, dat een kind zou mogen worden gedoopt, zonder dat daarbij zijn uitverkiezing ondersteld wierd, en alsof eerst in de volwassene het genadewerk Gods kan beginnen, dien zeggen wij aan, dat hij met geen eerlijke consciëntie in de Gereformeerde Kerken blijven kan, want onze Gereformeerde Kerken beleden en leerden van ouds vlak het tegendeel." Wij gaan daar thans nog niet nader op in. Terecht zegt Dr. Kuyper, dat, wie de wedergeboorte der kinderen als grond voor de doop aanneemt, óók de verkiezing moet aannemen van al de dopelingen. Maar het lijkt ons toch eigenlijk godslasterlijk, dat God ons zou laten aannemen en veronderstellen datgene, waarvan Hij ons leert dat het niet waar is (cursivering van mij, L.V.). Dit was ons steeds ondenkbaar en stuitend voor het religieus gevoel."

Inderdaad, de oude Ds. Kievit had gelijk. God leert ons, dat er tweeërlei kinderen des verbonds zijn, hoe kan Hij dan willen, dat wij geloven dat ze allemaal uitverkoren en wedergeboren zijn? Daar staat dan ook in de H. Schrift nergens, dat de Waarachtige dit van ons vraagt.

Ik ga hier nog even door met de overweging of het misschien mogelijk is, dat wij alle kinderen, die gedoopt worden, voor wedergeboren moeten houden. In de brief laat de schrijver ons lezen, dat hij in het geloof de kinderen voor wedergeboren houdt. Ds. Kievit gaat daar nog dieper op in en het is zeker goed, dat iemand onder ons, die deze dwaling van Dr. A. Kuyper en zijn volgelingen op wil rakelen, eerst nog eens naar hem luistert. Hij schrijft dan: „Nog één opmerking worde hieraan toegevoegd. Calvijn wil niets weten van een veronderstelde wedergeboorte, maar verwerpt die idee als dwaas. Hij zegt: „Zij nu die uitverkoren zijn worden niet terstond van de moederschoot af, noch ook allen op dezelfde tijd door de roeping tot de schaapsstal van Christus verzameld, maar zoals het God belieft hun

Zijn genade mede te delen. Voordat zij tot dien opperherder verzameld worden, dwalen zij verstrooid in de gemene woestijn rond en verschillen ook niets van de andere mensen, dan alleen daarin, dat zij door de bijzondere barmhartigheid Gods bewaard worden, dat zij niet storten in het uiterste des doods. Indien gij dan uw oog op hen slaat, zo zult gij het geslacht ontwaren van Adam, dat de reuk heeft van de gemene verdorvenheid der gehele natuur... Want degenen die dromen van ik weet niet welk zaad der verkiezing, dat in hun harten van hun geboorte af zou ingeplant zijn, worden hierin niet ondersteund door het gezag der Schrift, maar zelfs door de ervaring wedersproken..."

Het ware zeker te wensen, dat de latere theologen zich aan deze onbetwistbare waarheid hadden gehouden, wat helaas niet kan worden gezegd. Calvijn weet niets van een veronderstelde wedergeboorte, maar zegt, dat Gods kinderen tót hun roeping vijanden zijn, gelijk ook de anderen. Ook bij de doop is bij Calvijn nooit sprake van veronderstelling als grond voor de Doop." Aldus Ds. Kievit.

Daar valt dus voor ons niet over te denken, dat wij de veronderstelde wedergeboorte zouden kunnen leren zolang wij Schriftgetrouw en Calvinisten willen blijven.

Zo denken er blijkbaar de mannen van artikel 31 ook over. Als men aan hun woorden geloof mag hechten heeft de synode van de Geref. Kerken van 1944 op hen toegepast wat Kuyper neerschreef in E Voto Dordrace no. III blz. 54: „maar volhardt iemand desniettemin (d.i. na onderzoek) in de opinie, dat een kind zou mogen gedoopt, zonder dat daarbij zijn uitverkiezing ondersteld wierd, en alsof eerst in de volwassene het genadewerk Gods kon beginnen, dien zeggen wij aan dat hij met geen eerlijke consciëntie in de Gereformeerde Kerken blijven kan..."

Ik heb nooit goed begrepen, wat precies de jongste scheuring in de Gereformeerde Kerken veroorzaakt heeft. De beide partijen leken mij in de praktijk der godzaligheid zo gelijk. En dat lijken ze mij nog. Maar hier is in elk geval een punt van verschil.

Prof. Veenhof schreef in het nummer van 26 augustus van de Nw. Haagse Crt. over de bezwaarden. „De drie formulieren aanvaardden ze van ganser harte. Voor wat hun visie op verbond en doop betrof, bleven zij voorts wijzen naar hun Verklaring van Gevoelen. Maar als goddelijke waarheid aanvaarden, dat men de gedoopte kinderen moet beschouwen als kinderen, die reeds wedergeboren zijn, of als kinderen die wedergeboren zijn of zullen worden — dat, zo verklaarden ze, kunnen we niet. Want dat vraagt God niet van ons in Zijn Woord. En toen is het onbegrijpelijke verbijsterende geschied. Toen zijn predikanten, ouderlingen, diakenen bij tien-, ja bij honderdtallen geschorst en afgezet... En dat alles geschiedde, men lette daar goed op, uiteindelijk alleen, omdat ze een synodale leeruitspraak niet als Goddelijke waarheid konden aanvaarden.Wat deze schorsingen zo bijzonder pijnlijk en, zakelijk gewaardeerd, zo onwaarachtig maakte, was, dat ze voor het merendeel werden uitgesproken op grond van het verstoren der kerkelijke orde, scheuring der kerk en dergelijke... En toch, — hun enige „zonde" was, dat zij die contructie over het voor wedergeboren houden van de kinderen der gemeente niet, zoals de synode dat dat eiste, als „goddelijke waarheid" aanvaardden."

Dat het om deze zaak ging staaft prof. Veenhof in een noot met de mededeling, dat de zg. Vervangingsformule eist, dat men de kinderen moet ..beschouwen en behandelen als zulken die delen in de wederbarende genade van de H. Geest".

Deze formulering omvat twee mogelijkheden. Weliswaar is ieder, die in de Gereformeerde Kerken zijn kinderen laat dopen verplicht om te belijden, dat hij zijn kinderen beschouwt als uitverkorenen tot het eeuwige leven. Immers alle kinderen

van ouders uit de Gereformeerde Kerken worden wedergeboren, want zij zijn allen uitverkoren, meent men. Zie boven de opmerking van Ds. I. Kievit. Kuyper heeft al gezegd, dat men geen lid van een Gereformeerde Kerk kan zijn als men dit niet belijdt, dat alle kinderen daar wedergeboren zijn. Men moet het er voor houden en wie kan nu iets voor waar houden, waarvan hij niet ten volle overtuigd is, dat het waar is? Maar de Vervangingsformule eist niet, dat men gelooft, dat dit gedoopte kind wedergeboren is. Men mag dit in het midden laten of het wedergeboren is of zal worden. De synode heeft deze uitdrukking gekozen, naar zij zelf verklaarde „om ruimte te laten èn voor de opvatting, dat de kinderen te beschouwen zijn als reèds wedergeboren èn voor de opvatting dat zij zijn te beschouwen die wedergeboren zijn of zullen worden.

Ds. I. Kievit noemde de gedachte, dat God zou eisen, dat wij iets voor waar houden, waarvan Hij in Zijn Woord verklaard heeft, dat het niet waar is, „eigenlijk godslasterlijk".

Ik behoef ditmaal niet uitvoerig te beschrijven hoe Gods Woord juist zegt, dat niet allen uitverkoren zijn en niet allen wedergeboren of tot het geloof gebracht worden. De Heere Jezus heeft tot de kinderen des verbonds gezegd, dat er weinigen van hen de enge poort vinden. Hoe kan men het er dan voor houden, dat zij er allemaal zonder één uitzondering zullen komen? Want wel geeft men wonderlijker wijze toe, dat er mogelijk zullen zijn, die niet zalig worden, doch men mag geen kind dopen, tenzij men het er voor houdt, dat dit kind wedergeboren is of zal worden. Dit moet men aanvaarden als een goddelijke waarheid. Ik snap er niets van. Misschien wil iemand zeggen, dat het alleen maar voor een zuivere kerk geldt. Maar was de kerk bij Abraham niet zuiver of bij Izaak? En toch beroept de apostel Paulus zich op de zaken daar om te bewijzen, dat er kinderen des vleses zijn en kinderen der belofte (Rom. 9:6—8).

In het huis van de vader der gelovigen was Ismaël naast Izaak. Zat het bij Abraham niet zuiver met zijn geloof en wandel? Ontbrak de tucht in de kerk van Abraham?

Bij Izaak was het Ezau naast Jacob. Was dat een gevolg van de onzuiverheid der kerk! Neen, want de apostel legt er de nadruk op, dat het voornemen Gods dit onderscheid maakte. Maar hoe kunnen dan ooit de gereformeerde doopouders voor gewis houden, dat al hun kinderen uitverkoren en wedergeboren zijn of zullen worden? Zijn zij meer dan vader Abraham, sterker in het geloof, heiliger in de wandel? En ligt het daar aan? Een mens komt wel eens verstand te kort.

Maar hoe moeten wij nu onze kinderen aanspreken wanneer wij het er niet voor mogen houden, dat zij „brandhout voor de hel zijn" — wat is het verschrikkelijk dat een dominee dit woord voor kinderen gebruikt —' en ook niet, dat zij wedergeboren zijn of zullen worden zonder één uitzondering, wat dan? Wat zegt de Schrift? Ik dacht dat wij ze allen zonder enige uitzondering geroepenen, uitgenodigden tot de zaligheid mogen noemen. Is dat niet genoeg? Moeten zij eerst wat hebben waarvan wij kunnen zeggen: kind dat heb je nu, dat kun je niet meer verliezen?

Als de Heere Jezus begint te prediken in Israël, zegt de Heiland dan: annen en vrouwen, jullie zijn allemaal kinderen van Abraham en als je nu netjes en kerkelijk leeft zit het wel goed? Neen, Hij zegt het omgekeerde: eent niet bij uzelven te zeggen: ij zijn verbondskinderen, wij zijn uitverkorenen, wij hebben Abraham tot een vader (Luc. 3:8). Zeg nu niet dat Johannes dit woord heeft gesproken, want de dienaar sprak alleen, wat de Meester hem voor zei. En het is bovendien een eigen woord van Jezus tot de bondelingen, tot allemaal: ekeert u. Al onze kinderen, beschouw ze zo, zijn geroepenen tot bekering en tot het Koninkrijk. Wij hebben niet het recht om te zeggen, dat zij wat hebben, maar wij hebben de plicht en het voorrecht om te mogen zeggen, dat God wat voor hen heeft.

Hier ligt het verschil. Kuyper en de zijnen willen wat in de mens hebben om mee te beginnen. Maar Calvijn en de zijnen willen er alleen van weten, dat alles in God is en dat het er nu op aankomt, dat de geschonken gaven ieder kind deelachtig worden gemaakt. Met zekerheid is van ieder kind te zeggen, dat er voor dit kind bij God zijn en bij zijn Christus: itgebreide armen. God sprak: Ik heb Mijn handen uitgebreid de ganse dag tot een wederstrevig volk", dus niet tot een wedergeboren volk (Jes. 65 : 2).

Laat men toch niet menen, dat de toestand in welke geref. of andere kerk ook in onze dagen zoveel beter is dan in Israël. Bij God is alles, ook voor onwedergeboren kinderen. Zij en wij worden tot de genade in Christus, tot bekering en geloof, geroepen. Alles wordt aan de voeten der kinderen neergelegd. Maar waarom zou het dan verzwegen moeten worden, dat zij weliswaar geen lust hebben om Gods genade aan te nemen, doch dat de Heere die lust wil maken. Het hele dankgebed van de Doop spreekt over wat God aan de voeten der gedoopten heeft doen neerleggen. Maar als iemand hen preekt, dat zij al wedergeboren zijn, belet hij de ware wedergeboorte. De Heere Jezus zei niet tot Nicodemus: Houdt het daarvoor, dat je wedergeboren bent en wees getroost man, waar tob je over. Je zou zo ziekelijk worden als die Veluwse mensen. Neen, dat zei de Heere Jezus niet. Maar vlak uit klonk het: Nicodemus, met heel je besnijdenis en heel je belijdenis en heel je vroomheid en kennis en geloof moet je nog radicaal vernieuwd worden. Gij met uw vrienden moet wederom geboren worden.

In de bijbel is geen sprake van een wedergeboorte veronderstellen. Ik heb het woord nergens gelezen. Doch wel is daar sprake van een roeping, van een nodiging. De belijdenis weet ook van een verkondigde en aangeboden Christus. Dit moet ieder kind bij het opgroeien weten, dat de Drieenige God hem roept om zich te laten zaligen. Is dit niet groot? Waarom moet er meer bij om mee te beginnen?

„Zo gij Zijn stem dan heden hoort. Gelooft Zijn heil-en troostrijk woord".

Het komt er op aan, dat de kinderen werkzaam worden met deze roeping en komen tot God. Noemt ze niet wedergerenen. Noem ze geroepenen. Dan zijt ge in de weg der Heilige Schrift.

D.

L. V.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 september 1959

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Waar zullen we de kinderen voor houden?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 september 1959

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken