Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

BIJ GODS ALTAREN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

BIJ GODS ALTAREN

11 minuten leestijd

(2)

Zelfs vindt de mus een huis en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning en mijn God. Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.

Psalm 84 : 4 en 5.

„Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren, en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven? " Somtijds kan een mens de vogelen des hemels gelukkiger achten dan zichzelf. Zo was het met de dichter van Psalm 84, toen hij zong: „Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, Heere der heirscharen, mijn Koning en mijn God." Die vogels, zo dicht bij de altaren des Heeren, acht hij gelukkiger dan zichzelf, omdat hij door allerlei moeilijke omstandigheden zo ver is van het huis des Heeren, er niet binnen kan gaan, en mee daardoor een magerheid aan zijn ziel heeft. Hij mist zoveel. Hij is jaloers op mus en zwaluw. Wat hebben die kleine vogeltjes het goed in hun warme, veilige, rustige nest, in de nabijheid van Gods altaren! „En", zo is het in zijn angstig hart, „ik moet maar zwerven, vaak in groot gevaar, en in bange onrust. O, Heere, erbarm U over mij!"

Ook wij prijzen de vogelen, de dieren, dikwijls gelukkiger dan onszelf, als wij het moeilijk hebben met onze toestand voor de eeuwigheid, als wij de vrede des harten missen door zonde en schuld, ook na ontvangen genade, als de duivel rondgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden, dan is wel eens in ons binnenste de overlegging: „ach, wat ben ik toch een ongelukkig schepsel, de vogels zijn gelukkiger dan ik; zij hebben geen ziel te verliezen; zij zingen, al is het dan ook onbewust, op hoge toon de lof van hun Schepper, en ik heb zelden of nooit een Psalm tot Zijn eer; ik loop maar te zuchten en te klagen."

En toch zegt de Heere Jezus: Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren, en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven? " — Zo wil Hij ons opwekken, om niet bezorgd te zijn, maar alles van boven te verwachten, en met al onze nooddruft naar lichaam en ziel tot God te gaan. Ja, gij gaat de vogelen zeer veel te boven; gij hebt een onsterfelijke ziel, gij zijt voor een eeuwigheid geschapen, en tot u gaat uit de roep-en wekstem van het Woord van God: Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods, en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden" (Matth. 6 : 33).

Wat is een zondaar, die, zoekende gemaakt, niet genoeg meer heeft aan al het zijne, uitwendig en inwendig, toch gelukkig! Zoals de mus een huis heeft, en de zwaluw een nest, waar zij haar jongen legt, bij de altaren van de Heere der heirscharen, zo is er voor allen, die zoeken naar het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, een huis Gods op aarde reeds, in veel diepere, in geestelijke zin.

Hier denken wij aan het huis des gebeds, aan het huis des Heeren, waar de gemeente te zamen komt, om Gods Woord te horen, de Sacramenten te gebruiken, God de Heere openlijk aan te roepen, en de armen christelijke handreiking te doen; ten andere, dat ik al de dagen mijns levens van mijn boze werken viere, de Heere door Zijn Geest in mij werken late, en alzo de eeuwige Sabbat in dit leven aanvange." - — Ja, dezulken hebben een huis, hebben een nest, waar zij hun kinderen leggen, bij de altaren van de Heere der heirscharen, hun Koning en hun God.

Wij lezen in Psalm 92, een psalm op de Sabbatdag, van allerlei zegeningen, die het deel zijn van het volk des Heeren, en waarin zij zich verlustigen, in het bijzonder op de Sabbatdag, en waarvoor zij Gods naam verheerlijken. Onder die zegeningen vinden wij in verband met de stof van onze overdenking: „Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen", ook deze: „Die in het huis des Heeren geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods." En dan verder in de berijming:

In hunne grijze dagen Blijft hunne vreugd gewis; Zij zullen, groen en fris, Gewenste vruchten dragen; Om met verheugde monden Te roemen 't recht mijns Gods. In Hem, mijn vaste rots, Is 't onrecht nooit gevonden.

In het huis des Heeren vluchten zij, om daar rust te vinden temidden van de levensstormen. Dan zingen zij wel naar Jesaja 49 : 2: Onder de schaduw Zijner hand heeft Hij mij bedekt."

Als de levensstormen woeden, Rondom mij, op zee of land, Dan zal ik mijn toevlucht zoeken In de schaduw van Gods hand.

Hij bedekt mij, Hij bedekt mij, En geen kwaad komt ooit nabij mij, Hij bedekt mij, 'k rust dan veilig In de schaduw van Gods hand.

„Bij U schuil ik", zingt de psalmdichter. Als wij daar komen, dan zijn wij veilig. Daar vinden wij rust. Bij de altaren des Heeren, daar zijn wij wel geborgen, geborgen ook voor de bestrijdingen van alle vijanden. Daar zijn wij, als wij zoekende zijn geworden, eerst recht thuis, zoals de mus in haar huis, zoals de zwaluw in haar nest. Daar is het de bevinding van al Gods kinderen:

Want God zal mij, opdat Hij mij beschutt', In ramp en nood versteken in Zijn hut; Mij bergen in 't verborgen van Zijn tent, En op een rots verhogen uit d' ellend'.

God zal mijn hoofd nu boven 's vijands benden Verhogen; dies wil ik, met blij geschal, In Zijne tent het offer opwaarts zenden, Daar psalm en lied Zijn lof vermelden zal.

In het huis des Heeren, daar hebben wij ook onze onderlinge samenkomsten, die wij niet mogen verzuimen, want de Heere is aldaar in Christus. Daar maakt de grote Ontfermer de harten van de

Zijnen dikwijls warm in het oefenen van de gemeenschap der heiligen, in gemeenschappelijk gebed en psalmgezang, in het uitreiken der gaven voor de behoeftigen, in het samen luisteren naar de prediking van Gods heilige Wet, in het samen vrezen en beven van wege onze zonden, in het samen luisteren gelukkig ook naar het wondere Evangelie van Jezus Christus en die gekruisigd, en dus in het samen zich verheugen in, en zingen van Gods vrije genade. Ja, dan wordt ondanks alle ellende ook onder Gods volk, de band nog wel eens gevoeld en mogen hun harten ineenvloeien in al dat heerlijk gemeenschappelijke.

Ach, wat missen zij toch ontzettend veel, die zich met een boekske in een hoekske terugtrekken móéten vanwege hun ouderdom, of die zich terugtrekken willen van wege hun te klein denken van Gods genade, juist ook in Zijn gebruik maken van zwakke middelen, zoals ook de bediening des Woords er een is. Broeders en zusters, wij hebben u ook nodig, uw tegenwoordigheid, uw medeleven, uw gebed, juist omdat alles zo zwak en zo gebrekkig is. En vergeet het niet, gij hebt ook ons nodig, omdat het ook bij u alles zo ten dele, en zo met zonde bevlekt is. Wij hebben elkander zo nodig. En vooral, wij hebben samen de Héére zo nodig, en dus daar moeten wij gemeenschappelijk om vragen, van zingen, van horen. De Heere Jezus zelfs ging naar Zijn gewoonte op naar de synagoge. Heeft dat ook ons in deze niet dit te zeggen: „Veracht de dag der kleine dingen niet"?

In dat huis des Heeren, en daarin ook het huis van al Zijn kinderen, worden ook de jongen, de kinderen gelegd, zoals de zwaluw haar jongen legt in 't kunstig nest bij Gods altaren. Wat gevoelen die jongen zich daar gelukkig. Welk een warmte met elkander in het moedernest. Welk een zoete rust. Welk een veiligheid!

In dat beeld zien wij ook de roeping van vaders en van moeders. Welk een dure, welk een heerlijke roeping, om hun kinderen in hun prilste jeugd te brengen in het huis des Heeren, in de warmte van hun liefde, en vooral, moge het zijn, van hun gebed, om gedoopt te worden in de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.

En welk een warmte verspreidt het in menig gezin, als de kinderen reeds vroeg gebracht worden naar de catechisatie, om onderwezen te worden in de waarheid van Gods dierbaar Woord, als zij jong en geregeld gewend worden aan het opgaan naar Gods huis, om daar te horen van de Zaligmaker, Die ook kinderen tot Zich nodigt, als Hij zegt: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods" (Matth. 10 : 14). „En verhindert ze niet", op welke wijze dan ook. Is het zo begeerlijk nog minder voor uw kroost te zorgen dan mus en zwaluw, die haar jongen koesteren in de warmte van hun nest. Zonder de warmte van een opvoeding in de vreze des Heeren mist ons huis de ware warmte. „En verhindert ze niet", dat geldt ook ons, herders en leraars, onderwijzers en Zondagsschoolonderwijzers. Ach, wat doen wij dat herhaaldelijk en op velerlei wijze, b.v. door onze koude wijze van behandelen van zulk een rijke stof, door te weinig meelevende belangstelling in de vreugde, in de droefheid, in de moeilijkheden van onze jeugd. Denken wij ook tot onze opwekking aan de warmte, aan de zorg van mus en zwaluw voor hun jongen in het nest, bij Gods altaren. De warmte van de catechisatie, van de school, van de Zondagsschool, is al menig kind ten zegen geweest. Wij hebben een schone, en, onder beding van Gods zegen, een dankbare taak voor de jongeren in het midden van de gemeente. Het is een taak, waartoe de hoogste Profeet en Leraar, de Heere Jezus Christus, ons opwekt, waarin Hij ons is voorgegaan, als een navolgenswaardig, als een lokkend en een lichtend voorbeeld. Bidden wij maar veel om Zijn licht, om Zijn leiding, om iets van Zijn wijsheid en van Zijn warmte!

Het is voorwaar geen wonder, dat de dichter van Psalm 84 zingt: Bij Uwe altaren, Heere der heirscharen, mijn Koning en mijn God. Welgelukzalig zijn allen, die bij U wonen." Daar zingen wij zo gaarne van uit Psalm 119:83, in blijde zielsverrukking, of in heilige jaloersheid:

Wat vreê heeft elk, die Uwe Wet bemint! Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten. Ik, Heer', die al mijn blijdschap in U vind, Hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten; 'k Doe Uw geboön oprecht en welgezind; Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

„Welgelukzalig zijn allen, die bij U wonen." Wij zien dit, het allermeest en het allerbest, in de Zoon des mensen, de Heere Jezus. Van Hem lezen wij niet maar, dat Hij in de schoot des Vaders was, toen Hij nog bekleed was met de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had eer de wereld was. Neen, wij lezen: Die in de schoot des Vaders is". Ook, toen Hij als waarachtig mens rondwandelde op de aarde. Er staat toch geschreven: Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard" (Johannes 1 : 18).

Hij woonde altijd in het huis Zijns Vaders. Duidelijk komt dat uit, als wij de 12-jarige Jezus zien in de tempel, zittende in het midden der leraren. En allen, die Hem hoorden, verwonderden zich over zijn verstand en antwoorden. Dan

komen Jozef en Maria binnen, en vinden Jezus daar. En zij, Hem ziende, werden verslagen, en Zijn moeder zeide tot Hem: „Kind, waarom hebt gij ons zo gedaan? Zie, uw vader en ik hebben u met angst gezocht." En dan antwoordt Jezus: „Wat is het, dat gij mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat ik moest zijn in de dingen mijns Vaders? " — De Heere Jezus woonde in het huis Zijns Vaders, als Hij 's nachts in het gebed was op de berg. Welk een innige, warme gemeenschap is dat geweest!

Ja, de Heere Jezus in de tempel, in de synagoge, op de berg. Hij was altijd en overal in het huis Zijns Vaders. Hij woonde daar. Een wonderlijke genade en zegen is het, als wij door en in Hem daar ook iets van ontvangen en genieten mogen. Dat volk is welgelukzalig, de groten en ook de kleinen. Het is een volk, om jaloers op te wezen. En eens zullen zij altijd, zullen zij eeuwig bij hun God wonen in het huis Zijns Vaders met zijn vele woningen. Wat zal dat niet zijn! Daar hopen wij de volgende week nog wat verder op in te mogen gaan.

Mijn lezer, wat missen wij toch ontzettend veel, als wij van deze zaken niets weten, niets kennen! Ik wens u biddend toe, dat gij uw gemis enigermate zult leren kennen, en in die weg van gemis zult leren bidden:

Geef, dat mijn oog het goed' aanschouw, 't Welk Gij, uit onbezweken trouw, Uw uitverkoor'nen toe wilt voegen; Opdat ik U mijn rotssteen noem', En delend in Uws volks genoegen.

Mij met Uw erfdeel blij beroem'.

Z.

S. v. D.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 september 1959

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

BIJ GODS ALTAREN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 september 1959

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken