Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VANWAAR? WAARHEEN? HOE?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VANWAAR? WAARHEEN? HOE?

11 minuten leestijd

Lucas 2 : 20.

, , Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden." Dat is de prediking, die het Kerstfeest gebracht heeft. Ware Gods Zoon niet van Zijn hemeltroon afgedaald, om in gestalte gevonden te worden als een mens, dan zou er niet gesproken kunnen worden van een verzadigd worden met de gerechtigheid.

Hoe zou een zondaar dan ooit hebben kunnen worden rechtvaardigheid Gods?

't Is waar, ook dan zouden wij kennis gemaakt hebben met de Goddelijke gerechtigheid, maar alleen zoals zij, die de heerlijkheid van het Kerstfeest niet kennen, er eens door zullen veroordeeld worden tot de plaats van eeuwige wroeging en eeuwige smart.

Nu, nu wij Kerstfeest mogen vieren, nu wij mogen denken aan Christus' geboorte, nu is 't zo geheel anders voor allen, die zichzelf leren veroordelen, omdat zij slechts ongerechtigheid in zich ontdekken en die toch gevoelen: „zonder gerechtigheid kan ik niet bestaan voor het aangezicht des Heeren, de onkreukbare Rechtvaardige."

Tot dezulken is de Kerstprediking uitgegaan: „Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden."

Bij hongerenden en dorstenden naar de gerechtigheid rijst de vraag op: hoe word ik gered? hoe rechtvaardig voor God?

Te leven in het vurige verlangen naar de gerechtigheid, waarmee wij voor Gód kunnen bestaan, is zulk een kostelijk voorrecht, want dit brengt in de binnenkamer, drijft uit tot gebed, om van de Heere af te smeken, wat wij bij en in onszelf niet kunnen vinden.

Wij moeten die begeerte bij eigen ervaring kennen om te weten, hoe sterk zij kan zijn, hoe zij bij ogenblikken kan worden tot een smachtend verlangen. In die ogenblikken gevoelt zulk een heilbegerige ziel: „ik zal sterven van honger, als ik dat brood des levens niet krijg te genieten; < — ik zal versmachten van dorst, als door het water des levens mijn brandende lippen en tong niet worden verkoeld en verkwikt."

En nu is dit, o heilbegerige ziel, de vreugde van het Kerstfeest weer geweest, dat het u toeriep: „Er is gerechtigheid, want in vervulling is gegaan dit Woord des Heeren bij Jeremia: „Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit verwekken zal, die zal Koning zijnde regeren en voorspoedig zijn en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen, en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem noemen zal: De HEERE, onze gerechtigheid."

Welk een grote blijdschap geeft het iets te zien van de diepe betekenis van het Kerstfeest. Dat merken wij zeer in 't bijzonder op, als wij bij hoger licht overdenken Lukas 2 : 20: En de herders keerden wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was."

Schoner dan de dagen is de Kerstnacht, die nacht, waarin de ster uit Jakob verscheen aan de genadehemel. Nooit zullen wij op aarde geheel verstaan de betekenis van die nacht. Ook in deze blijft ons kennen hier beneden ten dele.

De Kerstnacht predikt ons, dat God in de düisternis het licht doet opgaan. Zoude iets voor de Heere te wonderlijk zijn? Als duisternis de afgrond bedekt, dan spreekt Hij: „Er zij licht" en •—• daar is licht.

Zo is in de Kerstnacht verschenen het licht der wereld, waarvan wij zingen:

Voor elk, die in het duister dwaalt, Verstrekt deez' zon een helder licht, Dat hem in schaüw des doods bestraalt, Op 't vredepad zijn voeten richt.

Dat predikt ons de heerlijkheid des Heeren, die de herders omscheen in Efratha's velden. Wat moet dat niet geweest zijn voor die herders! Een engel Gods staat bij hen, de heerlijkheid des Heeren is rondom hen, en de verkondiging van de grote blijdschap komt tot hen. Is het geen grote blijdschap te vernemen, dat persoonlijke: „li is heden geboren de Zaligmaker, Welke is Christus de Heere"?

En terwijl deze woorden de herders nog in de oren klinken, zingt een menigte des hemelsen heirlegers het wonderschone lied: „Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen."

Het zal de herders wel geweest zijn, alsof zij droomden, alsof zij van de aarde waren weggenomen. Maar ziet! al die glans en heerlijkheid verdwijnt weer. De engelen varen weg naar de hemel.

En nu zijn de herders vol van verlangen, om te zién het woord, dat er geschied is. Het is: „Laat ons dan heengaan naar Bethlehem." Zij gaan naar Bethlehem.

Daar vinden zij Jozef en Maria en het Kindeke. Daar, aan de kribbe, vieren zij Kerstfeest, toen er nog geen Kerstfeest was. Dat was een grote blijdschap, die hun ziel vervulde en hun lichaam doortrilde. Het is geen wonder, dat wij in de stof van onze overdenking lezen: „En de herders keerden wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was."

Wij slaan de terugkerende herders bij de overdenking van deze stof gade, en vragen als vanzelf:

1. Vanwaar keren de herders weder? 2. Waarheen keren de herders weder? 3. Hoe keren de herders weder?

„En de herders keerden wederom." — Vanwaar? - — Zij keerden wederom van Bethlehem, waarheen zij met haast gekomen waren. Zij keerden weder van de kribbe, waar zij het kindeke hadden gevonden, in doeken gewonden.

Zij waren te Bethlehem geweest. Die naam betekent, zoals wij weten: „broodhuis". Welnu, al hadden de herders daar niet aangezeten aan een rijk voorziene dis, toch waren zij in het broodhuis geweest. Daar hadden zij geestelijke spijze ontvangen. Hun ziel was er rijkelijk verkwikt. In de Kerstnacht konden ook de herders getuigen: „Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn."

Bethlehem is door de geboorte van Jezus eerst werkelijk een broodhuis geworden, want Jezus Christus is het brood des

levens, dat uit de hemel is nedergedaald. , , En zo iemand van dit brood eet, die zal in der eeuwigheid leven."

O, wat is het dan heerlijk in dat broodhuis in te gaan, om daar te ontvangen van het ware Manna, van het Brood des levens, van die spijze, die blijft tot in het eeuwige leven. Hoe zalig is het, als de herders verkwikt te worden naar de ziel!

Wij moeten allen, zal het wel zijn, in geestelijke zin Bethlehem, het broodhuis, binnentreden. Het is niet alleen ons lichaam, dat voedsel nodig heeft. Onze ziel kan er ook niet buiten. Wij moeten gespijsd en gelaafd worden ten eeuwigen leven. Zonder te eten van het Brood des levens komt onze ziel om. In eeuwige honger en kommer, sterft zij dan de eeuwige dood.

Zijn wij al wel eens in Bethlehem, in het broodhuis geweest? Zijn wij daar naar de ziel verkwikt geworden? O, dan is dat Bethlehem ons dierbaar, dierbaar bovenal, omdat daar is geboren Hij, Wiens naam genoemd wordt , , Jezus", en ook , , Immanuël". Jezus, Zaligmaker, Immanuël, God met ons, Diè is als het Brood des levens, uit de hemel neergedaald op de aarde, waar de mens, als zondaar uit het Paradijs verdreven, en nu missende, wat alleen zijn ziel voeden en verkwikken kan, door dat Brood gespijsd wordt ten eeuwigen leven, en gesterkt tot de strijd tegen zijn doodsvijanden.

De herders zijn op een nachtelijk bezoek geweest in de stal van Bethlehem bij het Kindeke Jezus. Het was een ongedacht, een onverwacht, en ook een wonderlijk bezoek. Om nooit te vergeten! Zij hebben daar in Bethlehem, in die stal, bij de kribbe met het Kindeke, veel gehoord en veel gezien. Wat zullen Maria en Jozef niet veel te vertellen hebben gehad met eerbiedige schroom! Hoe zal hun geloof, zo vaak smartelijk bestreden, daar versterkt zijn geworden! Zij hebben daar in het broodhuis gegeten en gedronken.

In de beestenstal van Bethlehem, rondom de kribbe, werd ook op bijzondere wijze genoten van de gemeenschap der heiligen. Wat ontbreekt daar, vooral in onze dagen, veel aan. Zie maar die lange lijst van kerken, alle met dikke muren, scheidsmuren. Daar in de stal van Bethlehem, daar was de Kerk wel heel klein. Maar, wij horen het: „waar twee of drie in Mijn naam tezamen zijn, daar ben Ik in het midden." Daar wordt een schuur, daar wordt een stal zelfs, een tempel. Zo was het in de stal van Bethlehem: Maria, Jozef, de herders èn het Kindeke, liggende in de kribbe. Zij, die daar stonden rondom de kribbe, hadden gemeenschap met het Kindeke Jezus, en in Hem en door Hem ook met elkander. Wij zien daar in de stal van Bethlehem de strijdende Kerk op aarde, zoals zij behóórt te zijn: geschaard rondom de Zaligmaker, verenigd met Hem door het geloof, de hoop en de liefde. En in Hem ook één met elkander.

Te Bethlehem hebben de herders veel gehoord, maar ook veel gezien. Veel gezien? Maar wat was er dan te zien? — Waarlijk geen aardse glans en schittering. Zij traden geen koninklijk paleis, maar een beestenstal binnen. En in die stal een paar eenvoudige mensen, terwijl een pas geboren Kindje, in doeken gewonden, lag in de kribbe, in de voederbak van het vee.

Meer was er niet te zien. Alles sprak er van geringheid en armoede, en toch! toch hebben de herders er veel gezien.

Niet slechts met het lichamelijk oog, ook met het oog des geloofs hebben zij gezien op het Kindeke Jezus. Dat was juist het grote verschil bij Jezus' verblijf op aarde, of men Hem aanschouwde alleen met het natuurlijk oog, of ook met het geestelijk oog. Zo duidelijk zien wij dat uit wat ons wordt verhaald van de twee moordenaars, die met Jezus gekruisigd werden. De ene zag in Jezus slechts een medekruiseling. De andere zag in Hem de Messias, de van God gezalfde Koning. En dat zag hij in Hem, omdat zijn blinde zielsogen geopend waren geworden.

Zo was het ook in de stal van Bethlehem. Het bloot natuurlijke oog kon daar geen heerlijkheid aanschouwen. Het oog des geloofs echter zag daar vele en grote dingen.

De herders hebben daar iets gezien van de verborgenheid der godzaligheid, nl. dat God is geopenbaard in het vlees. Aan de kribbe van Bethlehem hadden zij wel kunnen zingen met de oude Simeon:

Zo laat Gij, Heer', Uw knecht, Naar 't woord hem toegezegd, Thans henengaan in vrede, Nu hij Uw zaligheid, Zo lang door hem verbeid. Gezien heeft, op zijn bede.

De herders hebben gezien de tastbare tekenen en bewijzen van de barmhartigheid Gods, Die Zijn eigen Zoon zendt tot een verzoening ook van hun zonden.

De herders hebben in verband daarmee ook gezien, hoe vreselijk hun zonden waren in de ogen des Heeren, zó vreselijk, dat het grootste offer nodig was, om er verzoening voor te doen.

De herders hebben in al die armoede hulpeloosheid van het Kindeke, in de en nederigheid, in de beestenstal, in de schamele doeken in de lage staat van Maria en Jozef, gezien de bereidwilligheid van de Zone Gods, om te zijn de Verlosser en Zaligmaker van zondaren. Zaligmeker van zondaren! — dat wilde de Middelaar Gods en der mensen zijn, het koste, wat het koste. Geen vernedering was Hem daarvoor te groot. In de diepste diepten wilde Hij daartoe afdalen, om de diepstgezonkene, de voornaamste der zondaren te kunnen ondervangen met Zijn armen van eeuwige liefde.

Als wij aan dit alles denken onder de leiding van Gods Woord en van de Heilige Geest, dan is het geen wonder, dat wij in de stof van onze overdenking lezen: , , En de herders keerden wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was."

De herders keerden weder van Bethlehem, van de kribbe. Daar waren zij geweest. Daar waren zij verkwikt. Daar hadden zij genoten, gegeten en gedronken.

Maar ach, zult gij misschien denken, die genietingen zijn voor ons niet weggelegd. Wij kunnen niet, als de herders, staan rondom de kribbe van Bethlehem. Dat kan wèl, mijn lezer. Maar! in de geest, door het geloof. Dat was toch het eigenlijke ook bij de herders. Als zij daar in de beestenstal eens gestaan hadden zonder geloof, dan zouden zij geërgerd zijn geworden in plaats van verblijd, dan zouden zij twijfelmoedig gevraagd hebben: „Is dat nu de Langverwachte? Is dat nu de Koning Israëls? " Alleen door het geloof hebben zij daar in die stal zo onuitsprekelijk veel gezien.

En zo valt het ook nu zondaren nog wel eens te beurt, dat zij in de geest staan mogen aan de kribbe van Bethlehem, en dan, dan eerst is het waarlijk Kerstfeest.

O, als ons dat eens gebeurt, o kind des Heeren, wat mogen we dan door het geloof veel zien in dat kleine wicht in al Zijn nederigheid! Dan peinst de ziel: „De Zone Gods heeft vlees en bloed aangenomen, en is alzo de broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde." Dan ziet gij in Hem de Borg, de Plaatsvervanger, door God tot zonde gemaakt, opdat zondaren zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 januari 1960

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

VANWAAR? WAARHEEN? HOE?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 januari 1960

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken