Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een Godverheerlijkende belijdenis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een Godverheerlijkende belijdenis

11 minuten leestijd

Psalm 119 : 144a.

Met het Kindeke Jezus in de armen, zo stond de oude Simeon in de tempel. Dat was de vervulling van een belofte des Heeren. Hem was een Goddelijke openbaring gedaan door de Heilige Geest, dat hij de dood niet zien zou, eer hij de Christus des Heeren zou zen. — En nu, door de Geest in de tempel gekomen, juist toen Jozef en Maria het Kindeke Jezus inbrachten, nu gaat de belofte van de waarachtige God in vervulling.

Ja, als wij een belofte hebben ontvangen — en niet genomen, niet zelf opgezocht < — dan zal de vervulling niet uitblijven, al moet er dikwijls, evenals door de oude Simeon, lang op worden gewacht. Al Gods beloften zijn in Christus Jezus ja en amen. Dat heeft Simeon met het Kindeke Jezus in de armen ervaren. Dat is de zalige, rijke bevinding van zovelen geweest in de loop der tijden. — Is zij ook de ónze reeds?

Met het Kindeke Jezus in de armen komt het tot een loven van God. Simeon loofde God en zeide: , , Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord, want mijne ogen hebben Uwe zaligheid gezien, die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken; een licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël."

Dat is een schone lofzang. Dat is een rijke, diepe belijdenis. O, gelukkig degene, die belijden mag met het Kindeke Jezus in de armen des geloofs. Ook nu nog kunnen wij immers dat Kindeke in de armen hebben, nl. in de armen des geloofs.

En dat is toch ook bij Simeon het eigenlijke geweest. Hij mocht in dat Kindeke de door God bereide, de van God geschonken zaligheid en Zaligmaker zien. , , Mijn ogen hebben Uwe zaligheid gezien" — dat kon hij niet zien met zijn lichamelijke ogen. Dat kon hij niet omvatten met zijn vleselijke armen. Dat zag hij door de verlichting des Geestes. Dat omvatte hij in het geloof. Er staat toch: , , En de Heilige Geest was op hem."

Om te belijden in waarheid, hebben wij hetzelfde nodig wat Simeon ontving, al is het dan niet in die rijke, volle mate, waarin hij er in mocht delen. Als er maar iets van mag gekend worden van dat staan onder de bearbeiding des Heiligen Geestes, van dat ontvangen en aanvaarden in het geloof van de belofte des Heeren, van dat omarmen van het Kindeke Jezus, dat is geworden de Man van smarten, maar ook de Heere der heerlijkheid, met de armen des geloofs, wat is dat al groot! Dat geve, mijn lezer, God de Heere u en mij, voor het eerst, of bij vernieuwing. Hij lere ons in waarheid biddend zingen:

Leer mij, o Heer', de weg door U bepaald, Dan zal ik die ten einde toe bewaren.

Geef mij verstand met Godd'lijk licht bestraald, Dan zal mijn oog op Uwe wetten staren.

Zo biddend, geholpen, geleerd, verlicht en geleid, zullen wij instemmen met het , , naar Uw Woord" van Simeon, en met de dichter van Psalm 119, bij wie het ook telkens is „naar Uw Woord", als wij met elkander overdenken Psalm 119 : 144: De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven."

De dichter van Psalm 119 wordt ons niet genoemd. Velen menen, dat het een dichter is geweest, die leefde bij het eindigen van de Babylonische ballingschap, in de tijd van Ezra. Anderen, zoals Calvijn, denken aan de liefelijke in psalmen, David, al is Calvijn, zoals altijd, ook hier zeer voorzichtig. Hij schrijft in zijn commentaar op de Psalmen: Wat betreft de auteur van Psalm 119, hieromtrent kan ik niets met zekerheid vaststellen. Dewijl David echter in dit opzicht boven al de anderen heeft uitgemunt, zal ik er geen bezwaar in zien hier en daar zijn naam te noemen." Dat doet hij dan ook bij de verklaring van Psalm 119:144.

Waarschijnlijk is de dichter nog niet zo oud. Die gedachte wordt opgewekt o.a. door het vers:

Waarmede zal de jongeling zijn pad, Door ijdelheên omsingeld, rein bewaren? Gewis, als hij het houdt naar 't heilig blad.

En dan ook vers 50:

Ik overtref mijn leraars in beleid, Want ik betracht al Uw getuigenissen; Ik overtref zelfs in voorzichtigheid De grijsaards, die de ware godsvrucht missen; 'k Bewaard' Uw Wet, die zulk een licht verspreidt En van mijn heil mij best kan vergewissen.

Hoe dit ook zij, of de dichter jong was dan wel ouder, een groot voorrecht is het op elke leeftijd en vooral in onze jonge jaren, de Heere te vrezen. O, jongeren onder ons, moge u tot jaloersheid verwekken, wat wij lezen van koning Josia: Toen hij nog een jongeling was, begon hij de God zijns vaders Davids te zoeken" (2 Kron. 34 : 3).

Een oud opschrift boven Psalm 119 is: „Een gulden A.B.C. van de lof, liefde, kracht en nuttigheid van het Woord Gods", of ook wel: „Het gulden A.B.C. van Sions scholieren".

Een A.B.C. wordt de Psalm genoemd,

orrdat hij bestaat uit 22 strofen e 11 ' van

8 verzen, en boven elk van die 22 strofen staat een letter van het Hebreeuwse alfabeth, van de eerste tot de laatste. En in het Hebreeuws begint elk van de 8 verzen van een bepaalde strofe met de letter, die er boven staat. Dus de 8 verzen van de eerste strofe beginnen alle met de Aleph, of A; de 8 verzen van de 2de strofe met de Beth, of B, enz. Van A tot Z, zeggen wij, gaat het dus bij de lofprijzing op het Woord van God, die wij in Psalm 119 vinden. Daarin ligt deze waarschuwende en leidinggevende waarheid: Gods Woord omvat duidelijk en klaar alles wat tot onze zaligheid te weten van node is, het ganse A.B.C. des geloofs. En nog verder: Gods Woord predikt ons de Christus, de volkomen Zaligmaker, de Alpha en de Omega, het begin en het einde, de eerste en de laatste.

Och, dat er dan iets van die liefde tot dat rijke Woord van God, zo volmaakt en zo duidelijk, van die liefde tot de rijke Jezus voor arme zondaren, in ons hart zij, die te vinden is in Psalm 119 en ook in het 144ste vers. Dat vers zij ons tot lering en tot leiding bij onze overdenkingen. De Heilige Geest verlichte onze ogen, als wij tezamen lezen: „De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze

mij verstaan, zo zal ik leven." Hier vinden wij:

1. Een Godverheerlijkende belijdenis. 2. Een Godverheerlijkende bede.

, , De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in eeuwigheid" — dat is een blijmoedige, een Godverheerlijkende belijdenis. Zij gaat over Gods getuigenissen. Wat zijn Gods getuigenissen?

Wij denken daarbij allereerst aan Gods heilige Wetten. Zij zijn getuigenissen van Gods heiligheid en van Zijn gerechtigheid. Wij vinden hier getuigenissen van Gods wetgevende gerechtigheid, van Zijn rechterlijke gerechtigheid, en van Zijn strafeisende gerechtigheid. De Wet getuigt ervan, dat Hij de schuldige geenszins onschuldig houdt, dat Hij een licht is, en er is gans geen duisternis in Hem. De Wet getuigt: „Onze God is een verterend vuur."

O, dat wij luisteren naar dat getuigenis! — dat wij beven voor het recht Gods, dat wij leren dat recht toe te vallen, dat wij leren dat recht lief te hebben, lief te hebben zelfs meer dan onze zaligheid.

Van nature willen wij wel zalig worden, naar de hemel gaan, ten minste, als wij ten slotte toch moeten sterven, maar, wij willen zalig worden in onze eigen weg, niet in Gods weg. Wij willen naaide hemel zonder ons te bekommeren om de deugden Gods, in het bijzonder Zijn rechtvaardigheid en Zijn heiligheid.

Doch onder de bearbeiding van Woord en Geest wordt dit anders. Dan begeren wij zeer zeker zalig te worden. Dan roepen wij met de stokbewaarder: „Wat moet ik doen, om zalig te worden? " Maar, wij leren rekenen met de waarheid: „Sion zal door récht verlost worden." En, als het wel is, — maar het is een moeilijke les en weinigen zijn er, die er iets van verstaan < — als het wel is, dan is het: „Heere! red mij door Uwe gerechtigheid, want liever dan dat één van Uw deugden zou worden gekrenkt, wil ik verloren gaan."

Mijn lezer, hebben wij kennis aan dat verliezen van ons leven? aan het omhelzen van het recht Gods? om die beide te zoeken en te vinden in de lijdende, stervende en verrezen, verheerlijkte Borg, in Wiens werk al Gods deugden worden verheerlijkt, Zijn liefde en ontferming, maar ook Zijn gerechtigheid en Zijn heiligheid?

Ook daarvan spreken Gods getuigenissen klaar en krachtig. Gods getuigenissen zijn zeer zeker Zijn geboden, maar niet minder Zijn heilig Evangelie, dat getuigt van Zijn eeuwige zondaarsliefde, Zijn vrijmachtig welbehagen, Zijn rijke genade, Zijn onveranderlijke trouw. Het Evangelie, dat is het getuigenis van Jezus Christus en Die gekruist, van het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.

Gods getuigenissen zijn dus zowel de veroordelingen en de dreigingen van de Wet, als de lokkingen en de beloften van het Evangelie. Als de Psalmist daaraan denkt, dan roept hij uit: „De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid." Of wel: „Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden." Of ook:

Hoe wonderbaar is Uw getuigenis, Dies zal mijn ziel die ook getrouw bewaren. Want d'oop'ning van Uw woorden zal gewis, Gelijk een licht, het donker op doen klaren; Zij geeft verstand aan slechten, wien 't gemis Van zulk een glans een eeuw'ge nacht zal baren.

Of nog eens: 'k Heb ana'ren al de rechten van Uw mond Met lust verteld, hen vlijtig onderwezen; Uit al de schat van 't grote wereldrond Is nooit die vreugd' in mijn gemoed gerezen, Die 'k steeds in Uw getuigenissen vond, Door mij betracht en and'ren aangeprezen.

Heerlijk, zo het Woord Gods te leren kennen, liefhebben en aan te prijzen!

„De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid." Die getuigenissen, in Wet en Evangelie, zijn een heldere spiegel van Gods wetgevende gerechtigheid, van Zijn rechterlijke gerechtigheid en van Zijn strafeisende gerechtigheid. Het Evangelie getuigt van de gerechtigheid des geloofs, van de gerechtigheid, die in Christus Jezus is, van de borgtochtelijke, van de toegerekende gerechtigheid.

De gerechtigheid van Gods getuigenissen moeten wij leren kennen, zowel de gerechtigheid Gods in de Wet, als de gerechtigheid Gods in het Evangelie. W i j moeten ontdekt worden aan onszelf. Dat is een lange weg, waarop wij verder voortgeleid worden ons leven lang. Wij moeten ontdekt worden aan de onmisbaarheid. de gepastheid, de algenoegzaamheid, de dierbaarheid, de trouw en de almacht van de vernederde en verheerlijkte Borg en Middelaar.

Hebben wij aan die gerechtigheid van Gods getuigenissen reeds kennis? Weten wij iets van haar heerlijkheid?

De Psalmist kende ze wel. Hij belijdt, hij verheerlijkt haar aldus: „De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid."

„In der eeuwigheid." — In tegenstelling tot al het menselijke, ook de menselijke gerechtigheid, ook met de mens. Welk een tegenstelling ook tot al wat heerlijk is op aarde. Daarvan geldt het bekende Latijnse spreekwoord: „Sic transit gloria mundi", d.i. Zo gaat de heerlijkheid van de wereld voorbij.

Dat zien wij bevestigd keer op keer. Denk maar aan Wilhelm, de laatste keizer van Duitsland, en zovele kronen, die op de straat zijn gerold. Zie het ook in eigen leven bij het ouder worden. Na een tijdperk van bloei misschien de aftakeling door zwakte, ziekte, ouderdom. Zie het vooral bij het sterven. De dichter Van Haren heeft er klagend van gezongen:

De koning zelfs valt van zijn zetel, En is een handvol stofs.

En hoe aangrijpend wordt onze broosheid, onze vergankelijkheid, ons voor ogen gesteld in Jesaja 40: „Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is als gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Heeren daarin blaast; voorwaar het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af, maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid."

Jesaja 40 is in overeenstemming met Psalm 119 : 144: De gerechtigheid LKver getuigenissen is in der eeuwigheid." Een zegen is het door de Heilige Geest gezet te zijn, en dus te staan op de rotsbodem van Gods getuigenissen. „Wat vergaet — 't Woordt bestaet". Wij mogen hier wel denken aan het woord van Luther: Hier sta ik, ik kan niet anders; God helpe mij." Dat met beslistheid vasthouden aan de gerechtigheid van Gods getuigenissen zij, of worde ook ons deel!

Een van de kenmerken van genade is liefde voor Gods getuigenissen en voor de gerechtigheid, waarvan zij spreken. Verschrikkelijk is het er van af te wijken, ze te verdraaien! Bedenken wij het toch, dat wij dan in het gericht Gods getuigenissen tegen ons zullen hebben om het: „Vervloekt!" over ons uit te spreken. Nog is het de tijd om te leren buigen onder de gerechtigheid van Gods getuigenissen.

Z.

S. V. D.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 november 1960

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Een Godverheerlijkende belijdenis

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 november 1960

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken