Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Boedvaardigheid bij Calvijn en de Nadere Reformatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Boedvaardigheid bij Calvijn en de Nadere Reformatie

12 minuten leestijd

Daar is neiging, dacht ik, bij sommigen om uit de orde des heils het eerste stuk weg te nemen of te verplaatsen. Men predikt dan niet meer aan de armen het evangelie, doch aan de kerkgangers in het algemeen of aan de gedoopten of aan de wereld. Gemakkelijk kan iemand nu zeggen, dat het evangelie toch aan alle mensen gepredikt moet worden. Daar ben ik het van harte mee eens. Dat wil ik zelfs nog wel onderstrepen. Maar is men nu met het adres van het evangelie klaar? Wat heeft de Heere Jezus dan bedoeld toen Hij sprak: aan de armen wordt het evangelie verkondigd. Er staat toch niet: zalig zijn alle mensen, want derzulke is het Koninlcrijk der hemelen? Het zijn toch de armen van geest, die met nadruk worden aangewezen om de zaligheid te verkrijgen. Het zal moeilijk zijn om hierbij de stelling te verdedigen, dat alle mensen zo arm zijn. De Heere Jezus had een andere gedachte. Hij liet schrijven: Laodicea, gij zijt rijk en verrijkt in uzelf en weet niet, dat gij arm zijt (Openb. 3).

Wat is het een zeldzaamheid als men onder de kerkgangers een waarlijk arm mens ontmoet. En toch willen vele predikanten het evangelie zomaar in ieders handen stoppen. Dat kan toch niet. Dat is toch al te goedkoop. Daar moet toch wat haperen en dat moet men voelen als men

de evangeliën aandachtig leest. Ik weet wel, dat men onder de „armen van geest" alle zondaren wil verstaan en zo het evangelie objectiveren of geheel voorwerpelijlc maken, maar dat klopt niet, want de Heere Jezus maakt een duidelijk onderscheid tussen rechtvaardigen en zondaren. Deze armen noemt de Heere Jezus een klein kuddeke (Lucas 12 : 32). Zij worden treurenden genoemd en hongerigen. De armen van geest zijn de armen aan geestelijk verstand en aan gerechtigheid om voor God te bestaan. Christus voor de armen en alleen voor de armen van geest.

Hoe sluit Calvijn hier bij de Heilige Schrift aan als hij schrijft, dat Christus zich aan geen anderen vertoont dan aan ellendigen en benauwde zondaren. Dat veroordeelt de prediking van allen, die zeggen reformatorisch te preken, maar de Schriftuurlijke noodzakelijkheid van de voorafgaande kennis der ellende loochenen of verzwijgen of verzwakken. En deze lust is sterk in onze dagen. Zij zit verscholen achter de stelling, dat het evangelie voor de wet komt in de toepassing der genade aan het hart des mensen of in de stelling, dat wij onze zonde door het evangelie ieren kennen.

Op zichzelf is op het laatste niet zoveel tegen. Maar men bedoelt, dat men eerst in Christus gelooft en daarna door het evangelie leert hoe groot onze zonde is. Die neiging nu, om iedere wereldling in of buiten de kerk, die de bekering, de belijdenis van zonde, de ware vernedering des harten bespot en schuwt de Christus in de handen te stoppen, alsof het om een reclamestunt gaat van een waspoeder van huis tot huis, is uit den boze. Deze prediking vindt dan ook Calvijn vierkant tegen zich. Hij is bedrogen zegt immers de reformator, die meent de genade van Christus te kunnen genieten als hij niet ontledigd is van alle waan van eigen waardigheid. De gewone kerkganger kan Christus niet zo maar ontvangen. Daar moet hij voor bekwaam en geschikt gemaakt worden. Dat is de leer der reformatie.

Zo is ook de neiging om de wet in het eerste stuk uit te schakelen. Daarbij is het dan opmerkelijk welke gevaarlijke lieden de theologen kunnen zijn. Gewapend met alle kunstmiddelen der exegese draaien zij net zo lang aan duidelijke teksten, tot zij precies het omgekeerde lezen van wat er staat.

De apostel schreef: Door de wet is de kennis der zonde. Deze en gene beweert: Door de wet is de kennis der zonde niet.

Calvijn weet echter nog, dat wij van al onze eigengerechtigheid verlost moeten worden door de wet. Zo leert Calvijn een afbrekende weg vóór de wedergeboorte en het geloof in Christus. Een negatieve voorbereiding.

Daar is nog wat, dat tegenwoordig bij sommigen naar voren komt. Het is dit, dat men de grond der zaligheid verlegt van de rechtvaardigmaking naar een ingebeelde heiligmaking. Met dit laatste bedoel ik de gestalte van een ontdekte zondaar, die hongert en dorst naar genade, die graag een nieuw hart zou hebben en die verlangt om Gods geboden te kunnen houden. Men noemt dit heiligmaking, hoewel de kennis van Christus nog geheel ontbreekt. Hoe heeft Calvijn tegen deze heiligmaking gewaarschuwd. Het is niet zo best als een mens zich te vroeg voor wedergeboren en bekeerd houdt. En dat is 't gevaar van de laatste anderhalve eeuw kan men wel zeggen. Men noemde de overtuiging van zonde een vrucht van de wedergeboorte en schoof deze wedergeboorte in de plaats van het geloof in Christus en de rechtvaardigmaking als weldaad des geloofs.

Men had geen oog meer voor de voorafgaande werkingen van de Geest Gods, die nochtans niet de wedergeboorte zijn.

Hoe ligt dit nu bij Calvijn? Hij leert de noodzakelijkheid van de voorbereidende genade. Inst. III, 4, 3: „V/ij hebben zelf ook in een zekere plaats gezegd, dat de vergeving der zonden nimmer zonder boetvaardigheid wordt verkregen, dat geen andere Gods^ barmhartigheid oprecht kunnen begeren dan die, die benauwd en door het gevoelen hunner zonden gewond zijn".

Zijn deze dingen een grond voor de zaligheid? Neen, zegt Calvijn, zoals dat ook onder ons vast staat: Wij hebben meteen daar bij gevoegd, dat de boetvaardigheid niet de oorzaak is van de vergeving der zonden".

Wil Calvijn het evangelie zo preken, clat de Christus ieder in de handen gestopt wordt? Dat is niet reformatorisch. Calvijn zegt: „Wij hebben geleerd, dat een zondaar niet moet zien op zijn prikkelingen noch op zijn tranen, maar dat hij beide zijn ogen alleen moet slaan op de barmhartigheid des Heeren. Wij hebben alleen vermaand, dat degene die vermoeid en beladen zijn voor Christus geroepen worden, aangezien Hij gezonden is om de armen het evangelie te verkondigen, om te genezen die verbroken zijn van hart... opdat daardoor uitgesloten zouden worden de farizeeën, die vanwege hun eigengerechtigheid dronken en zat zijnde, hun armoede niet erkennen, alsook de verachters, die om Gods toorn niet bekommerd zijnde, geen medicijn zoeken tegen hun kwaad. Want de zodanige zijn niet vermoeid noch beladen nog gebroken van hart... En hier is groot verschil of gij leert dat een zondaar, door een genoegzame en volle verbrijzeling (die hij nimmer kan volbrengen) de vergeving der zonden verdient; of dat gij hem onderwijst te hongeren en dorsten naar Gods barmhartigheid, opdat gij hem door de kennis zijner ellendigheid, door zijn hittige ontsteltenis, door zijn vermoeidheid en gevangenis mocht aanwijzen, waar hij verkoeling, rust en vrijheid zoeken moet".

Doch wanneer begint nu het leven dat eeuwig is? Begint dat bij de ontdekking, bij de kennis der armoede? De Schrift geeft hier een duidelijk antwoord. V/ie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven" (Joh. 3 : 36). Calvijn sluit zich hier bij aan: Want wanneer ons om Christus' wil gegeven is in Hem te geloven, alsdan beginnen wij eerst uit de nood te komen in het leven" (Inst. III, 14, 6).

Wanneer begint nu de heiligmaking? Na de rechtvaardigmaking. Wat is dan deze rechtvaardigmaking door het geloof? „Daarentegen zal die mens door het geloof gerechtvaardigd worden, die geen gerechtigheid der werken hebbende, de gerechtigheid van Christus door het geloof aangrijpt, met dewelke hij bekleed zijnde, voor Gods aanschijn niet als een zondaar, maar als een rechtvaardige verschijnt." Dus het geloof in Christus gaat voorop en God neemt de gelovige aan. En dan geldt verder: „Als wij zeggen, dat de boetvaardigheid haar oorsprong neemt van het geloof, zo dromen wij nochtans niet van enige tijd, die het geloof nodig heeft om die te baren en voort te brengen. Maar wij willen alleen aanwijzen, dat een mens de boetvaardigheid niet kan betrachten met ernst, tenzij dat hij overtuigd is het eigendom Gods te zijn" (Inst. III, 3, 2).

Nu wordt er menigmaal gezegd, dat de mannen van de Nadere Reformatie zo ver van Calvijn zijn afgeweken. Het komt mij voor, dat dit niet met de werkelijke stand van zaken overeenkomt. Calvijn stelt de noodzakelijkheid der voorbereidende genade zeer nadrukkelijk: De zondaar moet bekwaam gemaakt worden om de genade Gods te ontvangen. Dit bekwaammakende werk gaat aan het geloof in Christus vooraf. Deze voorbereidende genade is de wedergeboorte niet en is ook geen grond voor het geloof. Hetzelfde nu vinden we bij mannen als Comrie en Brakel e.a. Zij verwerpen met kracht de gedachte, dat in de natuur des mensen enige voorbereiding is gelegen. Comrie stelt ons als voorbeeld voor ogen de leer der Semi-Pelagianen, volgens welke in de natuur des mensen mogelijkheden liggen. Zij stellen: „dat wij allengskens, bij langzame trappen, uit de natuur opklimmen tot de genade en dat dus als voorbereidselen ter ontvanging van Gods genade voorafgaat een bekering van zijn zondige weg, welke verlaten wordt en waarvan men afstand doet. Verder een droefheid der ziel daarover, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, een begeerte naar Gods genade, hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, zoeken en kloppen, opdat er gevonden en opengedaan mag worden, en een oprechte doch onvolmaakte liefde tot God en Zijn dienst." Dat zou uit de natuur des mensen opkomen en God zou de mens, die zich zo voorbereidt en God tegemoet komt, om Christus' wil levend maken.

De Remonstranten zouden zich als volgt hebben uitgedrukt: „Daar is enig werk des mensen, dat zijn levendmaking voorafgaat: zijn dodelijke staat te erkennen en die te beklagen, te willen en te zoeken, dat hij daarvan verlost mag worden; te hongeren, te dorsten en te zoeken naar het leven. Welke zaken, en nog meer, Christus eist van degenen, die Hij levend wil maken."

Het spreekt dat Semi-Pelagianen en Arminianen als dienaars van de vrije wil door Comrie worden tegengestaan. Het

mensdom is niet half dood, maar geheel dood.

Maar nu wat anders. Bereidt God door zijn Geest de uitverkorenen voor? Is er een bekwaammaking, zoals Calvijn dat noemt? Engelse godgeleerden, o.a. Perkins en Amesius, hebben geleerd, dat er enige voorbereidingen tot de levendmaking zijn? Welke? 1. Enige verbreking van de aangeboren hardnekkigheid en dus buigzaamheid in de wil. 2. Een zeer ernstige overdenking van Gods Wet. 3. Een overdenking van zijn zonden, waardoor men God vertoornd heeft. 4. Een wettische vrees voor de straf en angsten der hel, vergezeld met wanhoop aan alles, wat men in zichzelf heeft. Op de Dordtse synode stelden de Engelsen: , , Daar zijn enige inwendige werkingen, die de bekering of wedergeboorte voorgaan, die door de kracht des Woords en des Geestes verwekt worden, in de harten dergenen, die nog niet wedergeboren zijn, nl. de kennis van de wil Gods, het gevoel der zonden, de vrees der straf, te denken op de verlossing en enige hoop op de vergiffenis."

Comrie zegt hiervan in zijn verklaring van zondag 7, dat hij deze stelling niet in alle opzichten veroordeelt, dewijl er niets klaarder is dan dat de Geest eerst de Wet gebruikt om de zondaar te doden, door derzelver eis en vloek in de consciëntie te doen indringen, om de zondaar te benauwen, te verschrikken en te doen wanhopen om ooit door iets in zichzelf tot genade te komen, voor en aleer Hij het Evangelie gebruikt om hem levend te maken.

Comrie licht dit toe, door eerst te stellen, dat er aan de wedergeboorte niets voorafgaat, waardoor wij ons daartoe schikken. Er is geen tussenstaat. Hij wil daarom niet spreken van voorbereidingen doch wel van voorafgaande dingen. Die werkingen nu van schrik en vrees en verlangen komen niet uit een algemene kennis, maar zijn vruchten van Woord en Geest Gods, ofschoon de Geest van God geen bovennatuurlijk leven instort. Nochtans werkt de Geest en wel zo krachtig, door het Woord, dat wij dat enigszins met betrekking tot onszelf verstaan, daarbij bepaald worden en de uitwerking daarvan gevoelen. Het Woord verwekt aandoeningen en werkingen. Dit komt door de werking van de H. Geest.

Menigeen zegt, dat hij gevoel heeft en bidt en dat hij dus wedergeboren moet zijn. Een dode kan niet voelen. Comrie zegt: Wel werkingen des Geestes, geen wedergeboorte. , , Ik ben van dit gevoelen, dat noch de vurige Wet met al haar vloek ons beroeren of verschrikken, noch het Evangelie ons troosten zal, indien er geen werkingen des Geestes met het Woord gepaard gaan. Ondertussen, deze werkingen zijn niet levendmakende, geloof instortende en wederbarende, maar alleen werkingen niet van de Geest van Christus, maar van de Geest Gods."

Hier ligt dus een aanzienlijk punt van overeenkomst, dat er èn bij Calvijn èn bij Comrie de gedachte is, dat er aan de wedergeboorte en aan de inplanting van het geloof in Christus dingen voorafgaan, die de wedergeboorte zelf niet zijn.

Hoe algemeen deze werkingen zijn, volgens Comrie, kan ons de volgende uitspraak nog leren:

„Hoewel zij in en uit hun eigen natuur niet zaligmakende zijn, nochtans is het Gods gemene weg om altoos de Wet op de consciëntie der bejaarden eerst te gebruiken, om hen daardoor bij zichzelf rampzalig te maken. En zo men dit niet wil toestaan, dan spreekt men-het Woord Gods en de bevinding van alle eeuwen tegen en maakt zichzelf ten enenmale bespottelijk en verachtelijk en geeft een duidelijk bewijs, dat men nooit zijn ellende door de V/et heeft leren kennen. Dewijl derhalve deze dingen gewoonlijk voorgaan in een mate en trap, die God dan eens groter met de allerontzaggelijkste beroeringen, dan eens met meer bedaardheid in dezelve geeft, zo is het te vrezen dat zij, die zich daartegen kanten, zullen bevonden worden tegen God te strijden, dewijl dezelve werkingen van de Geest en het Woord zijn. Het is derhalve het best de dingen te laten overzomeren en overwinteren, onze leer niet te verzaken om ze terstond voor zaligmakende dingen of voorbereidingen daartoe te laten doorgaan, noch ook om ze te bestrijden, dewijl ze gewoonlijk, maat en trap daargelaten, de bekering voorafgaan... doch invloed op de levendmaking hebben zij niet."

Bij Calvijn en Comrie gebeurt er dus eerst iets met de zondaar, eer hij in Christus ingelijfd wordt. Dit werk heeft ten doel.naar Comrie meent, om de weg voor Christus en de vrije genade te kanen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 december 1960

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Boedvaardigheid bij Calvijn en de Nadere Reformatie

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 december 1960

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken