Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VOORBEREIDENDE BEWEGINGEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VOORBEREIDENDE BEWEGINGEN

11 minuten leestijd

De laatste tijd hebben we in verschillende artikelen zoeken aan te wijzen, wat er volgens Calvijn aan het geloof voorafgaat en hoe Comrie dit ziet. Als we in dit verband het woord geloof noemen, bedoelen we, ieder verstaat dit', het geloof in Jezus Christus. Sommigen houden het er voor, dat er niets aan vooraf gaat, maar dat is de leer van Calvijn en de nadere reformatoren niet. Wij hebben dat uit Comrie uitvoerig aangetoond. Het is mogelijk, dat iemand denkt, dat het helemaal niet nodig is om de oudvaders aan te halen. Ieder kan ze toch zelf Iezen^ Aan dat laatste ga ik wel eens twijfelen. Lezen is veel moeilijker dan men denkt. Als ik zie, wat men mij soms in de schoen schuift, vrees ik, dat velen hun eigen gedachten leggen in hetgeen zij lezen. Daar heb ik een sprekend voorbeeld van. In 't nummer van 10 december heb ik uit Comrie een gedeelte aangehaald uit zijn verklaring van zondag '7. Daar drukt hij zich heel sterk uit. Hij stelt daar, dat God eerst zijn uitverkorenen, die Hij in de volwassenheid bekeert, rampzalig maakt door de w r et. Dat gaat aan de bekering, aan de levendmaking vooraf. Er is nog veel meer, dat aan de le-

vendmaking voorafgaat volgens Comrie.

Neen hoor, schrijft iemand mij nu. Ik lees heel wat anders bij deze schrijver. Hij haalt dan iets aan, dat een enkele bladzij eerder in Comrie's uitleg voorkomt. Daar gaat het echter niet over het voorbereidende werk van Gods Geest, maar over het voorbereidende werk van de mens. Comrie betoogt, dat er geen voorbereidselen tot de levendmaking en instorting van het geloof zijn die van de mens uit gaan. Uit het verband is het cursief gedrukte duidelijk.

Maar leert Comrie nu, dat er niets aan de levendmaking voorafgaat? Dat zij verre. Op blz. 406 van zijn boek (uitgave De Banier) schrijft hij over de leringen der Engelse godgeleerden. Deze stelden het volgende: , , Daar zijn enige inwendige werkingen, die de bekering of wedergeboorte voorgaan die door de kracht des Woords en des Geestes verwekt worden in de harten dergenen die nog niet wedergeboren zijn, als daar zijn: de kennis van de wil Gods, het gevoel der zonden, de vrees der straf, te denken op de verlossing en enige hoop van vergiffenis

De meeste van de Nederlandse godgeleerden veroordelen dat, zegt Comrie, maar hij niet. Hij beschouwt het als een woordenstrijd „dewijl niets klaarder is dan dat de Geest eerst de wet gebruikt om de zondaar te doden, door dezelver eis en vloek in de consciëntie te doen indringen om de zondaar te benauwen, te verschrikken en te doen wanhooen om ooit door iets in zichzelf tot de genade te komen, voor en aleer hij het Evangelie gebruikt om hem levend te maken".

Dat is toch duidelijke taal zou ik zeggen. Als een zondaar gevoelig aangedaan wordt over zijn zonden, begint te bidden, genade gaat begeren zonder levend gemaakt te zijn, komt dat uit hemzelf, uit zijn natuur? Bedoelt Comrie dit? Neen, dat verwerpt hij. In plaats daarvan stelt hij werkingen van Gods Geest door middel van Wet en Evangelie op onwedergeboren mensen, welke werkingen allerlei aandoeningen en gevolgen hebben, maar deze zijn geen bewijs van wedergeboorte.

Ik geloof dat het goed is ons rekenschap te geven van deze stellingen. Velen stellen m.i. de wedergeboorte te vroeg. Dat betekent niet, dat zij gelijk valt met de bewuste rechtvaardigmaking, zo als men dat noemt, maar het betekent wel, dat het gevaarlijk is bij de eerste aanslag van een zondaar, maar direct van wedergeboorte te spreken. De benauwdheid over de zonde, het gevoel van besef van eigen rampzaligheid, het storten van vele tranen, het gebed om behoud dat alles is op zichzelf geen bewijs van een nieuw leven, maar het is wel een vrucht van de werking van Gods Geest. Comrie zegt ervan: , , De uitwerkingen, die wij opgegeven hebben, worden niet veroorzaakt door onze blote natuurlijke kennis van de Goddelijke waarheden, waarin wij zeer ver kunnen vorderen, noch door de kracht van onze wil, maar door het Woord en de Geest van God met dat Woord gepaard gaande. Waardoor, ofschoon de Geest van God geen bovennatuurlijk leven instort, Hij nochtans zo krachtig op onze zielen werkt door het Wöord, dat wij dat enigszins met betrekking tot onszelven verstaan, daarbij bepaald worden en de uitwerking daarvan gevoelen'.

Wanneer stelt Comrie dan de wedergeboorte. Waar hij hoort, namelijk bij de openbaring van Christus. Men maakt vaak de fout dat men geloof in Christus en wedergeboorte een heel eind uit elkaar rukt. Wedergeboorte en geloof horen echter nauw bijeen. Alleen moet men dan ook voor een zwak geloof begrip en een plaatsje hebben.

Waarom stelt God Zijn uitverkorenen onder te tucht van de vurige wet? vraagt hij. Het antwoord luidt: , , Oin hen daarvoor te doen vallen en om in hen ten onder te brengen al de hoogten van eigen werk, die zich tegen de vrije genade verheffen en om zijn weg voor Christus en de vrije genade te banen, zodat de Heiland, als Hij hen levend maakt, hen gestaltelijk dood vindt bij henzelf; de dingen, die hen gewin waren schade en drek achtende en onder een gevoelen, dat zij zo geheel door zijn, dat als de zaligheid om een zucht of zoveel als een schrapsel van een nagel moest bekomen worden, zij dan eeuwig zouden moeten verloren gaan".

Wij geven Comrie nog eens het woord.

Dit alles gaat bij Comrie aan de levendmaking vooraf. God doodt en Hij maakt levend. Gods uitverkorenen zijn dood, dat spreekt vanzelf, en worden met hun doodsstaat beleend gemaakt. Dat is genade. Zulke dingen ondervinden ook mensen, die nooit levend gemaakt worden. Die worden er soms wat mee en blijven er wat mee. Maar Gods uitverkorenen worden bewaard voor uitersten.

Hoe lang blijven zij in deze doodsstaat? Totdat Christus hen geopenbaard wordt, volgens Comrie. De uitverkorenen leren eerst, dat zij er buiten liggen. Dan zijn ze nog niet wedergeboren, doch er zijn wel werkingen des Geestes. Deze werkingen leren hen hoe langer hoe dieper hun doodsstaat kennen.

Comrie beschrijft het met deze woorden: , , Dat Hij, hoe lang of kort ze duren en hoe groot of klein de trap van de beroeringen zijn mogen, evenwel een ieder Zijner uitverkorenen daardoor zo in de dood doet vallen, dat zij door hun werkzaamheden van hun zijde niet tot de genade kunnen opklimmen, maar zo geestelijk dood worden bij en in zichzelven, en dus blijven, langer of korter, totdat de vrijmachtige God door Zijn wederbarende kracht hen levend maakt en door de werking Zijns Heiligen Geestes Zijn Zoon in hun zielen openbaart, zoals Hij hun van God geworden is tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en volkomen verlossing. Velen komen in de kuil van hun ellende. Bij enigen gaan de indrukken over, maar bij velen is het zo gelegen, dat zij met hun gestalte en werkzaamheden daaruit klauteren en zijn en blijven dieven en moordenaren, die over de muur klimmen en niets hebben, waarop zij hun zaligheid bouwen, dan alleen enige werkzaamheden van hun zijde".

Mij dunkt, dat het gedeelte van de heilsorde bij Comrie nu wel duidelijk voor ons staat. Eerst komt de Geest Gods werken in de mens. De Heilige Geest kan daarbij wet en evangelie gebruiken. Maar de mens blijft vooralsnog dood. Hij wordt gestaltelijk in zijn doodsstaat gebracht. D.w.z. Hij leert die staat des doods en die onmogelijkheid aan zijn kamt om zalig te worden grondig kennen. Wat is dan het begin van de wedergeboorte? De openbaring van Christus aan de ziel. Ik zou zeggen, voor ieder die lezen heeft geleerd, is dit toch alles volkomen duidelijk. Maar het is niet naar de mens van hen, die de wedergeboorte willen laten beginnen bij de kennis der ellende. Men ziet hoe Comrie hier tegen waarschuwt. Velen komen in de put der ellende, verklaren zich wedergeboren en maken van hun gestalten en werkzaamheden een Christus. Dat moest men niet doen. Onze ouden hebben daar zeer tegen gewaarschuwd.

Betekent dit nu dat zij alleen de grote bekeerde mensen voor wedergeboren houden? Volstrekt niet. In het stuk van de openbaring van Christus daalde Comrie laag af. Als een zondaar zijn doodsstaat grondig kent en geen enkele deugd of gestalte meer over heeft in eigen schatting. Als een zondaar een goddeloze en onbekeerde in eigen oog is geworden, maar een aanhoudende, uit de zielegrond voortkomende, krachtige en rusteloze begeerte heeft naar Jezus, dan ziet Comrie daarin de werkingen van een nieuw leven. Maar dit leven is nog heel pril. Hij acht dit dorsten naar Christus geloof, maar niet de allerwezenlijkste daad des geloofs. Het is een groot verschil of iemand met teksten, versjes, verlangens naar God, benauwdheden, verruimingen, hoop vanwege zijn aanvankelijke omkering werkt, dan wel of hij als een verloren zondaar, die alles mist om de Heere Jezus zeer hard verlegen is geworden. Dat gemis van alle grond in zichzelf aan de ene kant: de geboden niet kunnen houden, God niet kennen, niet kunnen bidden dan als het eens even geschonken wordt, niet kunnen geloven, onbekeerd zijn en daartegenover het gezicht, dat men in en op Christus gekregen heeft. Deze mens weet, dat het buiten de Borg en Zaligmaker verloren is. Hij is verlangend naar de Persoon van Jezus. ïn hem nu meent Comrie aan te treffen de allerkleinste beginselen van het geloof in Jezus en dat geloof is een vrucht van de aanvankelijke vernieuwing.

Calvijn zegt ook ergens: Het geloof is een hongeren en dorsten. Comrie ziet dit dorsten gelegen in een verlangen naar God om aan deze grote en geduchtige God deel te hebben. Het is een dorst naar Jezus alleen en naar Hem geheel om door Hem lafenis voor hun ziel te vinden en vrede en gemeenschap naar de Drieënige God. Het is een dorsten om geloof opdat zij Jezus mogen zien, tot Hem komen en omhelzen. Het is een dorsten naar vergeving en naar heiligmaking. Van dit dorsten naar Jezus meent Comrie, dat het niet de aller-

wezenlijkste daad des geloofs is, die bestaat in een dadelijk aannemen van Jezus en een overgeven van zichzelf aan Hem. Toch is er wel geloof in. Maar let op de omschrijving. Het gaat over een aanhoudende, uit de grond der ziel voortkomende, krachtige en rusteloze begeerte naar Jezus. Weliswaar kunnen tijdgelovigen deze begeerte ook hebben. Men bedriege zichzelf dus niet.

Wat is dan het verschil tussen dit verlangen naar Jezus in de tijdgelovigen en de uitverkorenen? Comrie antwoordt: Hoe sterk de begeerte in tijdgelovigen ook zijn mogen, hun ziel begeert nooit Jezus Christus zelf, nooit Zijn Persoon, maar iets van" Christus. Hadden deze (de tijdgelovigen) maar enige vrede, enige mindere smart en angst, zij zouden nooit naar Jezus zelf vragen...

Maar hier is het heel anders gelegen met de kleinsten in de genade. Hun begeerte is gevestigd op de Persoon van Jezus Zelf, en de goederen van Hem willen zij alleen hebben uit kracht van de vereniging met de Persoon. Als men een kleingelovige, een gekrookt rietje, vragen zou: zoudt gij niet tevreden zijn als het geweten u zo niet kwelde, en dat gij vrede hadt? Zou hij zeggen zonder zich veel te bedenken: och, vrede, zonder deel aan die lieve Jezus Zelf te hebben zou ik verwerpen, en al mijn kommer is, dat ik vrede mij zou toeëigenen, eer ik waarlijk met Jezus verenigd ben. Daarom bid ik God, dat ik nooit rust mag hebben dan door wezenlijk aangrijpen van Jezus' Persoon."

Comrie haalt van zijn overgroot-oom Fraser (u kunt het in het A. B. C. des geloofs vinden): „wanneer hoop, begeerte en liefde op Christus gevestigd zijn, dan wordt het embryo, het eerste stamsel van het geloof, in de ziel geformeerd. Ofschoon het gebouw niet voltrokken is, maar de eerste fundamentstenen worden nu gelegd."

Het zou mogelijk zijn, dat iemand nu een grond ging maken van zijn begeerten naar Jezus. Comrie heeft dat ook verstaan. Hij oordeelt, dat de tijdgelovige dit doet. Maar de uitverkorene kan op zijn begeerten naar Jezus niet rusten. Hij is bang van bedrog.

Ik hoop twee dingen hiermee wat duidelijker gemaakt te hebben. Ten eerste op welke wijze er, volgens Comrie, voorafgaande zaken zijn, die nog niet de wedergeboorte zelf veronderstellen en ten tweede, waar we de eerste beginselen van de vernieuwing moeten zoeken namelijk als ons de Christus onmisbaar is geworden en dierbaar. De Schrift zegt: , , U dan die gelooft is Hij dierbaar". Doch ook dan is er met grote voorzichtigheid van wedergeboorte te spreken. Het eerste stamsel, het embryo, is geformeerd. Het is meer leven dan geboorte en is afhankelijk van de openbaring van Christus.

Een andere keer hoop ik nog eens te laten zien, dat we dezelfde gedachten bij Brakel aantreffen.

D.

L. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 januari 1961

Gereformeerd Weekblad | 1 Pagina's

VOORBEREIDENDE BEWEGINGEN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 januari 1961

Gereformeerd Weekblad | 1 Pagina's

PDF Bekijken