Bekijk het origineel

HET BOEK DANIËL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HET BOEK DANIËL

7 minuten leestijd

(18)

Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden en al de bewindvoerders der landschappen, tot inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld dat Nebukadnezar opgericht had. En een heraut riep met kracht: en zegt u aan, gij volken, gij natiën en tongen: en tijde dat gij horen zult het geluid des hoorns, der fluit, der citer, der vedel, des psalters, des accoordgezangs en allerlei soorten van muziek, zo zult gijlieden nedervallen en aanbidden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar heeft opgericht; en wie niet nedervalt en aanbidt, die zal terzelfder ure in het midden van de oven van het brandende vuur geworpen worden. Daniël 3 : 3—6.

Zo heeft koning Nebukadnezar dus iets nieuws bedacht. Hij heeft een groot beeld doen verrijzen, een kolosaal beeld van een mens. De koning gaat daarin derhalve niet God maar de mens eren. Hij gaat een nieuwe godsdienst invoeren, maar het is de godsdienst van de mens, ter verheerlijking van de mens. Het beeld wordt met goud overtrokken, zodat het staat te schitteren in de hete oosterse zon.

Koning Nebukadnezar wil nu, dat men dit beeld zal gaan aanbidden. Hij legt als 't ware een nieuwe godsdienst aan het volk op. Men moest daar in het dal van Dura de grootheid en de heerlijkheid van de mens aanbidden. Nebukadnezar was er blind voor dat de mens enkel ijdelheid is. Alle volkeren der wereld samen zijn bij de Heere God vergeleken nog minder dan een druppel aan een emmer en een stofje aan de weegschaal. Maar dat moet op 's Heeren leerschool worden geleerd. Want van nature zijn we allemaal zo groot in eigen ogen. Daarom moet de Heere zijn volk wel klein maken, soms in moeilijke en zware wegen, opdat men van genade zal leren leven en in die weg God zal verheerlijken. Want Hij alleen is groot.

Nebukadnezar is niet tevreden met zijn beeld alleen. Men moet dat beeld aanbidden. En daarom moeten uit zijn ganse rijk alle overheidspersonen, alle machtigen, alle rechters en alle hoge ambtenaren naar het dal van Dura komen om daar de knie te buigen voor het mooie grote beeld door mensenhanden vervaardigd, door vergankelijke mensenhanden, waaruit alleen maar vergankelijke dingen kunnen voortkomen. En ze komen allemaal om het gouden beeld van Nebukadnezar in te wijden, om feest te houden ter verheerlijking van de mens. Natuurlijk komen ze allemaal. Stel u voor, dat ze hadden durven wegblijven.

Dat waagde er niet één! Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden en al de bewindvoerders der landschappen tot inwijding van het beeld hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht. . . (vers 3a).

Ongetwijfeld is er op deze historische dag een grote mensenmenigte op de been geweest. En het moet voor de aanwezigen een machtig schouwspel geweest zijn. Het feest ter ere van de mens is goed georganiseerd. Al in de vroege morgen begint de vallei zich te vullen met de genodigden. Ze zijn er trots op dat ze voor dit feest ter ere van de mens zijn uitgenodigd. Zij mogen vlakbij het beeld staan en zij zullen de plechtigheden van nabij zien. Tegen de hellingen van de heuvels, die een prachtig uitzicht bieden op de vallei verzamelden zich de duizenden en duizenden die ook getuige willen zijn van de inwijding van dit beeld. Maar de machtige gasten staan stram in de houding bij het beeld: ...en zij stonden voor het beeld dat Nebukadnezar opgericht had (vers 3b).

Daar zullen veel plechtigheden geweest zijn om dat beeld in te wijden. De priesters van de afgoden zullen veel offers gebracht hebben, zodat het bloed der offerdieren rijkelijk is gevloeid. Maar dan komt tenslotte toch hét moment van dit feest, wanneer de groten en de kleinen eerbiedig voor dat beeld gaan knielen.

Hoor, daar schalt een trompet. Een heraut treedt naar voren. Wees stil! Hij komt met een bevel van zijn koning. Straks zal de muziek opklinken, het zal een rijk geïnstrumenteerd orkest zijn, en zodra die muziek inzet, dan moeten alle mensen die daar zijn ter aarde vallen, van de eerste minister af tot de laagste ambtenaar toe: En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, gij volken, gij natiën, gij tongen: ten tijde dat gij horen zult het geluid des hoorns, der [luit, der citer, der vedel, des psalters, des accoordgezangs en allerlei soorten van muziek, zo zult gijlieden nedervallen en aanbidden het gouden beeld hetwelk de koning Nebukadnezar heeft opgericht (vers 4 en 5).

Opgeblazen van troost en tintelend van ingehouden vreugde hoort de koning zijn heraut dit bevel aflezen. Dat wordt straks een feest voor hem als zij allen zich ter aarde zullen nederwerpen voor zijn beeld. Want eigenlijk zullen ze dan allemaal knielen voor hem. Want wanneer die mensen straks goddelijke eer zullen bewijzen aan dat beeld zal het voor Nebukadnezar zijn alsof ze die eer bewijzen aan hem. En hij ziet ze wel, ook die mensen die hem vijandig gezind zijn, maar ze zullen straks voor hem knielen, ze zullen allemaal knielen. Niet één zal het wagen daar te blijven staan. Daar zal hij zelf voor zorgen. Nebukadnezar weet best dat lang niet allen even spontaan en gewillig meejubelen. Maar alles is goed geregeld op dit feest. Alles is geweldig georganiseerd. Zie daar dat gouden beeld eens, zie al die hoogwaardigheidsbekleders, hoor het tromgeroffel en de gewijde muziek. En vergeet ook... de brandende oven niet! Want wie het zou wagen niet te knielen die zal immers de machtige en toornende hand van Nebukadnezar voelen: En wie niet nedervalt en aanbidt, die zal terzelfder ure in het midden van de oven van het brandende vuur geworpen worden (vers 6).

Zo'n oven is misschien het best te vergelijken met onze kalkovens, die een opening naar boven hebben, waardoor de slachtoffers als door een nauwe trechter naar beneden geworpen werden. Overigens doet het er niet zoveel toe. Want voor degenen die het beeld van de mens niet willen aanbidden is er ook in onze tijd nog zo'n oven van brandend vuur in allerlei vorm, maar heet genoeg.

Overigens is het toch wel opmerkelijk dat koning Nebukadnezar zo'n oven moet laten bouwen opdat zijn volk en zijn dienaars voor hem zullen knielen. Hoe anders is het immers bij 's Heeren volk. Want dat volk is gewillig op de dag van 's Heeren heirkracht. Ja het laat zich zelfs in de oven van het brandende vuur werpen wanneer het anders gedwongen zou worden om de Heere en Koning te verloochenen. O, van nature is dat volk ook onwillig. Maar het wordt gewillig gemaakt. En wanneer het voor de Heere God en voor Koning Jezus is ingewonnen dan leert het ook te volgen waar het ook heengevoerd wordt, al moet het tot in de oven van het brandende vuur.

Moeilijk is dikwijls de weg van het volk des Heeren. Het komt ook dikwijls in onze tijd voor de keuze te staan. En de oven van het brandende vuur dreigt nog steeds. Maar niemand wordt gedwongen. De Heere heeft een volk dat Hem uit liefde dient. En al moet dat vqjk in die brandende oven dan zal men daarmee God nog verheerlijken. Hoe heerlijk en schoon is toch de dienst des Heeren, want al moeten we door de brandende oven heen, we zullen toch eeuwig bij de Heere wonen en Hem dienen en loven. En dat kan als de Heere maar bij ons is. Want als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? En wie zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, die daar is in Christus Jezus, onze Heere?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 juni 1961

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

HET BOEK DANIËL

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 juni 1961

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken