Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

JOHANNES VÓÓR PETRUS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

JOHANNES VÓÓR PETRUS

11 minuten leestijd

De opstanding van Christus is het voornaamste heilsfeit. Indien Christus niet is opgestaan, zo is onze prediking ijdel en ijdel is dan ook uw geloof. Met de opstanding staat of valt heel het geloof. Als Christus niet was opgestaan, dan zou het kruislijden niet zijn dan een marteldood. Dan had de geboorte van Christus niet dan een gewone menselijke betekenis. Dan immers was de dood niet overwonnen. Dan was heel Zijn strijd slechts beeindigd en ondergegaan in het graf. Maar nu Christus is opgestaan is Hij de Eerstgeborene uit de doden.

Wij hebben van Zijn opstanding vele en klare bewijzen, waaraan wij onvoorwaardelijk geloof willen hechten. De krachtigste getuigen zijn voor ons wel Petrus en Johannes. Petrus, die Hem eerst verloochend heeft, is op zijn schreden teruggekeerd. En Johannes, die alles heeft meegemaakt, die in de hogepriesterlijke zaal is geweest, die op Golgotha heeft gestaan, die in het graf is geweest. Zij beiden kunnen het weten. Naar hen willen wij luisteren. Onze tekst vinden wij in Johannes 20 : 3—8.

Petrus dan ging uit, en de andere discipel en zij kwamen tot het graf. En deze twee liepen tegelijk; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf. En als hij nederbukte, zag hij de doeken liggen, nochtans ging hij er niet in.

Simon Petrus dan kwam en volgde hem en ging in het graf en zag de doeken liggen; en de zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in een andere plaats samengerold. Toen ging dan ook de andere discipel er in, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het en geloofde.

Als het ene Evangelie meedeelt, dat Maria Magdalena naar het graf ging, het andere dat de vrouwen naar het graf gin-

gen, als het ene Evangelie meldt dat Maria Magdalena het boodschapte aan de discipelen, het andere dat zij het zeide tot Petrus en de andere discipel, dan is dat daarom nog niet in tegenspraak met elkander. De ene Evangelist beziet dezelfde zaak van deze zijde, de andere van die zijde. Johannes geeft in zijn Evangelie het ooggetuigeverslag, en ook hij beschrijft niet alle dingen.

Als Maria van Magdala in de discipelkring gekomen is met haar ontstellende mededeling, dat zij de Heere weggenomen hadden, dan richt zij zich speciaal tot Petrus en Johannes.

Hoewel het heel vroeg in de morgen was en nog duister, maken terstond Petrus en Johannes zich op om te gaan naar het graf. Dit zijn de twee liefdediscipelen, die met Jezus geweest zijn op de berg der verheerlijking. Dit zijn de twee, die ook medegenomen zijn tot in Gethsemané. Jacobus is hier op onbegrijpelijke wijze niet bij. Aan hem zal de Heere straks apart verschijnen, zoals wij lezen in 1 Cor. 15. Deze twee zijn veelal samen opgetrokken, ondanks het verschil in leeftijd, ze doen het ook nu samen. Johannes noemt zichzelf bescheiden de andere discipel. Op de studeerkamer van een collega zag ik een heel mooie reproductie van een schilderij, voorstellende Johannes en Petrus gaande naar het graf. De duisternis hing nog in de lucht. Met grote ernst gingen de beide mannen. De ernst lag in beider ogen en in het gegroefde gelaat van Petrus en het gefronste voorhoofd van de veel jongere en tengere Johannes. Haast is in hun beider gestalte te zien. Een hele pas was Johannes Petrus voor. Treffende schilderij!

Dat voorgaan van Johannes staat duidelijk uitgedrukt in onze tekst. Zij liepen tegelijk, maar Johannes liep vooruit, sneller dan Petrus. En hij kwam eerst tot het graf. Dat kan een gewone natuurlijke reden gehad hebben, namelijk dat Johannes als de jongere sneller lopen kon. Schat anders de stoere visser Petrus, die bovendien een zeer voortvarend karakter had en zeer spontaan was, ook niet gering. Dat was toch nog niet zo lang geleden, dat hij pardoes over boord stapte om te wandelen op de zee. En dat was ook nog niet zo lang geleden, dat hij het zwaard trok om Malchus, des hogepriesters dienstknecht, het oor af te houwen. Neen, ik geloof dat deze onderscheiden gang van de discipelen wel degelijk geestelijk iets te zeggen had.

Als Johannes met zoveel vaart ging, dan is het de sterke liefde, die aan zijn voeten vleugelen gaf. Dit is de discipel, die van de broederen het laatste woord gekregen heeft, en die als bij testament de verzorging van Jezus' moeder Maria ontvangen heeft. Hij zal ook de eerste zijn die tot het geloof der opstanding komt. De liefde vergaat nimmermeer. Ze is sterker dan de dood. Deze liefde doet hem zo snellijk gaan. Petrus moge dan straks onder tranen getuigen: , , Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb!" maar de liefde-discipel, dat is toch Johannes. En de liefde tot de gestorven Jezus doet hem met snelle passen gaan. Lijkroof, dat is de gedachte, die Maria gesuggereerd heeft. Lijkroof van de Geliefde, dat is toch geen geringe zaak. En daar gaat hij, sneller dan Petrus — hij komt eerst bij het graf.

Petrus komt wat achter. Na het bitterlijk wenen is hij toch terstond weer in de kring der discipelen gekomen. Dat kon hij toch niet laten. Dat gezelschap, waarin hij terecht gekomen was in de hogepriesterlijke zaal, lag hem toch helemaal niet. Daar paste hij niet, daar voelde hij zich helemaal niet bij thuis. Hij was weer in de discipelkring. Merkwaardig met Johannes. En dat is nu juist de jongere, die de hogepriester bekend was, die hem medegenomen had in de hogepriesterlijke zaal, zoals sommigen menen, die daar getuige geweest is van Petrus' verloochening. Is het wonder, dat Petrus zo snel niet gaat? Daar is een last die hem drukt. De verloochening is nog niet vereffend. Daar is een geweten, dat nog spreekt. Hij heeft de Heere Jezus een dolksteek in de rug toegebracht. Hij heeft Hem dood verklaard. toen hij zeide: , , Ik ken de Mens niet." Een aanklagend geweten, onbeleden zonden, onvergeven schuld, die maken onze gang zo traag. Schuldige mensen, die schuldig zijn aan anderer dood, trekken altijd weer naar hun graf. Maar o met zo loodzware schreden. En toch kunnen ze het niet laten. Het schuldgevoel weerhoudt — het schuldgevoel trekt. Zo liepen deze twee tegelijk.

Johannes bukt en ziet de doeken liggen, maar gaat er niet in. En als ook Simon Petrus kwam en hem volgde, dan ging hij in het graf en zag de doeken liggen. Nu is Petrus de eerste. Mocht Johannes het dan van hem winnen in ijver en haast, Petrus wint het van Johannes in kloekmoedigheid. Misschien was hier niet zoveel moed voor nodig, want ook de vrouwen met hun specerijen waren van zins in het graf te gaan. In elk geval: Petrus gaat voor Johannes uit het graf in en Johannes volgt straks.

En zij vinden de doeken liggen, de zweetdoek, die om het hoofd geweest was, apart opgerold. Dit zegt ons allerlei over de opstanding. Als, zoals de Joden zeggen, de Heere Jezus weggenomen was door de discipelen of door wie ook, dan zou men Hem toch minstens weggedragen hebben in de doeken en zeker op dit feest, waarop men geen dood lichaam mocht aanraken. Daarom hebben de Joden op de Goede Vrijdag gevraagd de lichamen af te nemen van het kruis, omdat het Paasfeest daar was. Van wegneming zonder de klederen is dus geen sprake. Was daar sprake van grafroof, dan zouden in de eerste plaats de doeken weggenomen geweest zijn, want die waren uit de rijke beurs van Jozef van Arimathea en Nicodemus van fijn lijnwaad. Maar zelfs die zou men dan meegenomen hebben en ook het lichaam werd niet gevonden. Rest slechts dat de Heere uit de doden moest zijn opgestaan. Hij heeft die klederen niet genomen om Zich daarmede te kleden, hoewel zij Hem pasten. Hij heeft in doodsklederen niet willen gaan. Hij heeft die afgelegd, als een teken dat de dood teniet gedaan is. Bij de Levensvorst pasten niet meer de klederen des doods. Vraagt gij welke klederen Hij dan heeft gedragen, dan moeten wij u het antwoord schuldig blijven, of ons antwoord moest zijn, dat de engelen Gods uit de hemel Hem gekleed moeten hebben. Redenen waarom de vrouw Maria Hem niet kende. Hij is aangedaan met hemelse heerlijkheid. Als de Vorst van Pasen, als de Vorst des Levens. Wat Petrus en Johannes vinden is dus een schone prediking, dat Hij de dood verslonden heeft tot overwinning, dat Hij het leven en de onverderfelijkheid heeft aan het licht gebracht.

Daar is nog iets, wat onze opmerking verdient, namelijk dat de doeken in volmaakte orde in het graf liggen. Dat zegt niet alleen dat de Heere een God van orde is, maar dat zegt ook, dat de opstanding zo rustig en vredig heeft plaats gehad, dat de Heere (of op Zijn last de engelen) ordelijk en rustig de doeken heeft opgerold en op hun plaats gelegd. De soldaten mogen dan als doden wanhopig gevlucht zijn, de opstanding zelf was een zeer rustige, vreedzame handeling. En als nu zo de opstanding was van de Eersteling Christus, dan zal alzo de opstanding zijn van allen, die in Christus ontslapen zijn. Als de graven opengaan, dat zal een zeer vreedzame, rustige dag zijn. Als van hun slaapsteden zullen zij opstaan in de morgen der verrijzenis. Het doodskleed zullen zij afleggen om dat te laten in het graf, zij zullen gekleed worden door de Heere Zelf met de klederen des heils.

Psalmzingt, Gods gunstgenoten, geeft Geeft lof den Heer', die eeuwig leeft! Zijn vlekkeloze heiligheid Zij ter gedachtenis verbreid. Een ogenblik moog' ons doen beven; Zijn gunst verduurt een eeuwig leven.

Gij hebt mijn weeklacht en geschrei Veranderd in een blijde rei; Mijn zak ontbonden, en mij weer Met vreugd omgord, opdat Mijn eer Niet zwijg', zo klimt Uw lof naar boven; Mijn God! U zal ik eeuwig loven.

Psalm 30 : 3, 8.

Petrus heeft dat het eerst gezien. Nu volgt er een eenvoudig woord, nl. dat ook de andere discipel er in ging, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het en geloofde. Heel onze tekst, heel het Paasevangelie, is eenvoudig, maar voornaam. Johannes zag het en geloofde. Dat is echt Johannes. Een diepe en contemplatieve geest. Een man van grote diepten. Hebt u er wel eens op gelet, dat de diepste dingen meestal om eenvoudige woorden vragen? Hij zeide te komen voor de afgelegde dood, en hij gelooft in de opstanding. Al zegt hij er zelfbeschuldigend bij: , , Want zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan." Zij hadden het kunnen weten, maar door hun onkunde en hardleersheid wisten zij het niet. Een mens, ook de mens Johannes,

moet door de Heere maar bij de dingen gebracht worden. Het geloof is ook voor de beste van Gods kinderen maar een gave Gods. En dat geloof is van leerstuk tot leerstuk maar een gave Gods. In al de stukken, ook die aangaande Christus, moet een mens maar ingeleid worden. Dat is met Johannes in dat graf geschied. De Levensvorst had Zichzelf nog niet aan hem geopenbaard. En toch geloofde hij. In dat graf was niets te vinden dan de Heilige Geest, Die het uit het Zijne neemt en het ons verkondigt. Dit geloof is daar door de Heilige Geest gewerkt op een zeer stille en wonderbaarlijke wijze. Zo stil als de opstanding van Christus zelf is toegegaan, zo stil en ongezien waakt in Johannes ook op het opstandingsgeloof. Toen Petrus en Johannes naar het graf gingen, werkte in hen het verborgen zaad des geloofs. Het waren ook toen al gelovige mensen, maar dit geloof moest verder. Het moest in nieuwe schatten des geloofs worden ingeleid, in nieuwe stukken worden ingevoerd. Ten aanzien van de opstanding gingen zij als ongelovige gelovigen naar het graf. Toen geloofden zij wat Maria gezegd had: , , Zij hebben de Heere weggenomen." Staande in het graf komt Johannes tot de overtuiging: , .de Heere is waarlijk opgestaan."

En de Heilige Geest gebruikt zulke eenvoudige middelen. Eenvoudige opgerolde doeken worden het middel in des Geestes hand om Johannes te doen geloven. Hij zag, hem vielen als schellen van de ogen, hij zag door de tekenen en opgerolde doeken heen, op de betekende zaak: de levende Christus.

De discipelen gingen dan wederom naar huis. Zij wisten niet, wat hen te wachten stond. Wisten nog niet van eventuele verschijningen, wisten nog niet van een komende hemelvaart. Zij hebben het met het naakte geloof moeten doen. En het was hun genoeg. Althans Johannes. Hebt u er wel eens op gelet, dat Johannes niet, zoals Petrus, Jacobus en Paulus, een aparte beurt heeft gekregen? Dit is Johannes' beurt geweest in het graf. door het geloof alleen. Daarom getuigt ook Johannes van deze dingen, opdat ook gij geloven moogt. Ook al krijgt iemand niet zo'n aparte beurt, leert dan door het geloof te leven. Het geloof is geen kleine zaak. Het geloof leert te zien Christus gestorven voor onze zonden, opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. En gerechtvaardigd wordt ge door het geloof alleen. Zo ging dan Johannes uit het graf gerechtvaardigd naar zijn huis.

K.a.Z.

W. L. T.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 april 1962

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

JOHANNES VÓÓR PETRUS

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 april 1962

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken