Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KLEINE KRONIEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KLEINE KRONIEK

11 minuten leestijd

Van kerken tot kerk en een gewetensvraag

Prof. dr. G. P. Itterzon heeft getracht om ons ten aanzien van de eenheid der kerk, waarover in de laatste tijd op zo'n idealistische wijze gesproken wordt, op het nuchtere vlak der werkelijkheid terug te brengen. Hij stelt voorop, dat ook hij verlangt naar de eenheid der kerk. In het Hervormd Weekblad De Gereformeerde Kerk schrijft hij:

„Het „congres van de achttien" is er geweest. Een groots gebeuren, met zeker een 4500 mensen, zowel uit de Ned. Herv. Kerk als uit de Gereformeerde Kerken in Nederland. Niemand zal er aan kunnen twijfelen, of ik behoor tot hen, die hartelijk verlangen naar de dag, waarop de breuken van 1834 en 1886 zullen worden geheeld. Reeds in de dertiger jaren was het mij een vreugde door Deputaten van de Gereformeerde Kerken te zijn uitgenodigd om onder het oog te zien, wat er zou moeten gebeuren om de kerkelijke eenheid tussen de broeders weer volledig te herstellen. Met grote ernst werd toen gepeild, waar de moeilijkheden lagen en hoe wij, ieder in zijn eigen kerk, zouden moeten handelen om op die kerkelijke eenheid met bewustheid aan te koersen. Het zou mij hartelijk verblijden, als beide kerken (en nog enige andere, bijv. Lutherse en Chr. Gereformeerde) binnen afzienbare tijd tot een samensmelting of fusie of iets dergelijks zouden komen. Maar dan toch in de lijn van het gebed van onze biddende Hogepriester: Dat zij allen één zijn. Als het mogelijk zou worden om spoedig te komen tot kanselruil tussen hervormden en gereformeerden, tot gemeenschappelijke avondmaalsviering over en weer, zou ik graag tot degenen behoren, die niet in de laatste plaats iets zo schoons zouden mogen meebeleven. Wat zou dat een gebedsverhoring zijn.

Ik wil vergeten, dat ik een hele serie vragen zie, die dan om een oplossing roepen, ook op kerkrechtelijk gebied. Maar aan de oplossing daarvan zal ik zeker van heler harte meewerken. Als er stenen kunnen worden weggeruimd, wil ik graag meehelpen."

Maar dan komt prof. van Itterzon met een vraag. En dat is de vraag die ook mij de laatste tijd geregeld heeft beziggehouden: Hoe moeten we nu als Hervormde Kerk tot eenheid komen met de Gereformeerde Kerken als we in onze Hervormde Kerk nog zo ver verwijderd zijn van de eenheid? Er zijn immers in onze kerk nog verschillende richtingen. En nu kan men wel zeggen, dat die richtingen eigenlijk niets met de waarheid te maken hebben en dat we hier te doen hebben met invloeden die de kern van de zaak niet raken en dat we het ten aanzien van het evangelie allemaal goed eens zijn, tenminste wat de kern van de zaak betreft — toch geloof ik niet dat men op deze wijze een zuivere analyse geeft van de richtingen. Naar mijn mening heeft het richtingvraagstuk wel degelijk te maken met de waarheidsvraag. En daar doelt prof. van Itterzon toch eigenlijk ook op als hij schrijft: „

Ik zit echter momenteel met een vraag. LI moogt dat een gewetensvraag noemen of niet, maar ik zit er mee. Niet om toch heimelijk roet in het eten te gooien en mijn best te doen, dat er van een kerkelijke verbroedering toch weer niets komt, maar omdat ik het gevoel heb: Zijn wij als hervormden tegenover de gereformeerden wel helemaal eerlijk? Mag ik het kind bij de naam noemen en doet u dan uw best mij van mijn bezwaar af te helpen?

Zijn wij als hervormden wel helemaal eerlijk? Ik bedoel natuurlijk niet, of alle achttien het wel eerlijk bedoelen, want daar ben ik zeker van overtuigd. Het zijn stuk voor stuk mensen, die weten wat zij willen en die de gebeurtenis in Utrecht niet anders dan als een gebedsverhoring zullen hebben beleefd. Daarover ben ik niet het minst in zorg.

De vraag, waarmee ik zit, is deze: Als wij als hervormden willen, dat de kerkmuren tussen hervormden en gereformeerden zullen worden neergehaald, omdat er immers tussen ons geen verschillen meer bestaan, en meer mogen bestaan, hoe zit het dan met al die tussenmuren in ons eigen hervormdkerkelijk huis? Om man en paard te noemen en er niet om heen te draaien: Bij de achttien trof ik hervormden aan van verschillende modaliteit. Ook een, die officieel lid is van de Geref. Bond en een, die officieel lid is van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden. Ik neem graag aan, dat deze beide broeders vinden, dat de muren tussen de Herv. Kerk en de Geref. Kerken nu eindelijk maar eens moeten worden geslecht. Maar wat denken deze beide voormannen van de binnenmuren in onze eigen kerk? Kunnen die zonder bezwaar wor-

den weggebroken? Heeft noch de een, noch de ander meer enige moeite met „de waarheidsvraag"? Kan ik binnenkort in de pers het bericht verwachten, dat de vrijzinnige broeder en de Geref. Bondsbroeder van kansel hebben geruild, met een beroep op de bede van onze Heiland: Dat zij allen één zijn?

Men neme goede nota van mijn alleruitdrukkelijkste verzekering, dat ik God zal danken, als alle scheidsmuren vallen. Muren tussen de kerken. Muren van richting en modaliteit ook binnen de kerken. Daar doe ik graag aan mee. Want als Gods Heilige Geest de kerken hervormt en bezielt, zodat al haar ambtsdragers als met één mond de Drieenige God gaan loven en prijzen, zal het echt Pinksteren worden. Wie zou daar niet naar uitzien? Wie daar niet om bidden?

Maar menen wij het allen echt, dat nu de richtingsmuren zijn gevallen, zoals de muren van Jericho? Zodat wij zonder tussenmuren bij elkaar kunnen binnenlopen en voor elkaar kunnen preken? Zodat ook een vrijzinnig-hervormde op de kansels komt van de Geref. Bond en van de gereformeerde kerken beide? Zodat ook een „Bonder" overal vrije toegang krijgt?

Ik verwacht, dat de achttien wel zó reëel zijn, dat zij dit alles zien. Maar als we een volksbeweging op gang brengen, moeten we ook naar een antwoord zoeken op de moeilijkste vragen, waar we op stoten. Dat hebben we met elkaar van prof. Kraemer geleerd. En dan blijft het mij benauwen, dat wij samen met de gereformeerden een zo groots en heerlijk appèl laten uitgaan, als wij, hervormden, nog zoveel tussenmuren hebben. Of kan ik werkelijk de bedoelde kanselruil van genoemde broeders uit de achttien spoedig tegemoet zien? Als een teken? "

Ook in de Geref. Kerken veel kritiek

Ook in de Gereformeerde Kerken wordt veel kritiek gehoord op de beweging: Van kerken tot kerk. Zo schrijft ds. J. Overduin in „Belijden en beleven":

„Vóórdat ik nu over de principiële kanten ga schrijven, wil ik toch eens heel nuchter stellen, wat er zou gebeuren, wanneer wij in deze huidige situatie van de beide kerken tot vereniging zouden komen. Ik acht dit nodig vanuit het standpunt van verantwoord kerkelijk beleid. Want het is niet zo moeilijk om een enthousiast congres te bezoeken of te organiseren, maar het begint pas, wanneer wij de volle werkelijkheid moeten verdisconteren, en in die concrete werkelijkheid de eenheid gaan bewerkstelligen. Men behoeft waarlijk geen profeet te zijn om het volgende te profeteren: Stel, dat de kerken in hun geheel tot één kerk zouden worden, dan zou een deel (ik geloof het kleinste deel) enthousiast of met een bezwaard hart meedoen. Een ander deel zal zeggen: Zie je wel, hoe diep onze kerken al vervallen zijn, wij gaan naar meer principiële kerken. Een deel van dit volk zal naar de Chr. Geref. Kerk of naar de Vrijgemaakten gaan, al naar gelang van sympathie en geestelijke ligging. En tenslotte zal een deel pal staan, en zeggen: Wij willen 1834, 1886, 1892 niet verloochenen: wij blijven de wettige voortzetting van de Geref. kerken in Nederland. Zo ligt de feitelijke situatie op het ogenblik. Daar mogen wij onze ogen niet voor sluiten. De tijd is niet rijp voor hereniging van de kerken in hun geheel. De ramp zou niet te overzien zijn. De voorwaarden om tot een waarachtige geestelijke eenheid te komen zijn nog lang niet aanwezig. We hopen en bidden dat die eens zullen komen, want dan pas kunnen wij met recht spreken over de akte van afscheiding èn wederkeer! Wij kunnen toch niet wederkeren naar de links-vrijzinnigen in de Kop van Noord-Holland? Dat hebben onze vaderen niet bedoeld.

Een vereniging, waar wij niet aan toe zijn, is een ramp.

De Geref. Kerken zouden in stukken gebroken worden. De kracht, die onze kerken, ondanks alle gebreken en zonden, ontwikkelt op allerlei gebied zal gebroken worden.

Wij hebben verantwoordelijkheid tegenover ons volk, dat niet in een avontuur geleid mag worden, waarvan naar mijn overtuiging de achttien de gevolgen niet overzien en niet hebben ingedacht. Wie de samenstelling van ons Geref. volk kent, zal deze feiten wel kunnen weerspreken.

Daarom moet ik om zulke chaotische toestanden te verhinderen, die in plaats van meerdere eenheid, meerdere verdeeldheid zal brengen, ernstig waarschuwen tegen een grijpen naar iets, dat er nog niet is."

Dit is nog slechts een stem die wijst op de praktische moeilijkheden van de hereniging. Bij ds. Overduin en bij vele anderen leven ook principiële bezwaren tegen een samensmelting van de Gereformeerde Kerken met de Hervormde Kerk, zoals ze nu is. Want ook zij zien de richtingen in de Hervormde Kerk. En vooral de aanwezigheid van de vrijzinnigen is voor hen een doorn in het oog, hoewel ze ook met de hervormd gereformeerden dikwijls moeite hebben.

Vrijzinnig onbehagen

In vrijzinnige kring heerst nog steeds groot onbehagen over het feit dat aan prof. Smits de emeritaatsrechten zijn ontnomen. Ik geloof niet dat dit feit verdere gevolgen zal hebben voor de positie van de vrijzinnigen in de Hervormde Kerk. Men heeft wel geprotesteerd, maar men voelt zich verder machteloos. En men wil als vrijzinnigen blijkbaar toch nog niet breken met de Hervormde Kerk. Ik voor mij zou zeggen: De vrijzinnigen hebben eigenlijk al gebroken met de kerk, omdat ze gebroken hebben met de belijdenis der kerk, die uitdrukkelijk in artikel X van de Kerkorde wordt genoemd. De band met de Hervormde Kerk is eigenlijk alleen nog een formele band. Toch aarzelt men om de laatste stap te doen en zich te voegen bij kerkgenootschappen van vrijzinnige structuur. Trouwens van de zijde van de kerk wordt het de vrijzinnigen ook niet moeilijk gemaakt. Ook zij krijgen ruimte voor hun vrijzinnige prediking. En klachten tegen hun prediking zijn nog niet in dat stadium van behandeling gekomen, zodat leertucht is geoefend.

In Kerk en Wereld vond ik een brief van ds. J. van Leeuwen van Moordrecht, geschreven aan ds. F. H. Landsman, de hoofdredacteur van Hervormd Nederland, die een nabeschouwing' gaf over de zaak-Smits. Deze brief werd in Hervormd Nederland niet opgenomen en daarom nu geplaatst in het blad van de vrijzinnig hervormden. Onze lezers weten, dat prof. Smits niet is „bestraft" om zijn verloochening van het verzoenend lijden en sterven van Christus, maar om zijn weigering te spreken met de Raad voor de zaken van kerk en theologie.

Op formele gronden zijn hem derhalve de emeritaatsrechten ontnomen. Het geweigerde gesprek is de uiteindelijke aanleiding geweest tot het besluit van het breed moderamen van de generale synode om de bekende maatregel tegen prof. Smits te nemen. Ds. van Leeuwen schrijft nu o.a.:

„U schrijft, dat „enkele diepgaande gesprekken" in kleine kring prof. Smits hadden doen kennen als een acceptabele partner voor hét kerkelijk gesprek. Vervolgens, dat de synode „de gelegenheid tot dit gesprek" wilde openen, door inschakeling van de Raad v. d. zaken van kerk en theologie, als „uitnodigende" instantie. Ik maak u mijn compliment voor uw diplomatiek talent, om de toedracht zó eufemistisch weer te geven! Prof. mr. A. Mulder — toch niet de eerste de beste — geeft de toedracht aldus weer: „Men had elkaar gevonden en er was over en weer vertrouwen gegeven. Er was voorts afgesproken dat het breed moderamen het gezamenlijk opgestelde stuk als verklaring zou voorleggen aan de Generale Synode. Wat gebeurde evenwel?

Het breed moderamen voegde — dit blijkt uit het slot van de uitspraak •— zonder voorkennis van prof. Smits aan het gezamenlijke opgestelde stuk een zin toe, waarin het de synode aanried om aan de Raad v. d. zaken van Kerk en Theologie op te dragen het gesprek met prof. Smits voort te zetten". Dit geeft toch een heel ander beeld van de situatie! Hoe verklaart u dit? Heeft prof. Mulder het verkeerd begrepen? Ik hoop dat u mij niet in het onzekere zult laten. En dan ligt mij hierin de vertrouwenscrisis: dat onze kerkelijke rechtspraak blind is geweest voor het feit, dat de bewuste rechten zijn ontnomen niet aan de bekwame en eerlijk denkende theoloog Smits, doch aan een getergde, diep gegriefde en daardoor gemakkelijk op een woord of gebaar te vangen „randfiguur". Geciteerd nota bene tot een gesprek met de raad waaruit hij zelf als onwaardig verwijderd was..."

Ik kan begrijpen dat er onbehagen is bij de vrijzinnigen. Ik kan niet begrijpen, dat de generale synode geen leertucht geoefend heeft ten aanzien van prof. Smits. Daarom kan ik ook begrijpen, dat vele gereformeerden het wel erg moeilijk vinden om met de Hervormde Kerk te verenigen, wanneer zij van hun eigen „standpunt der scheiding" de zaak bezien.

Kroniekschrijver.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 23 June 1962

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

KLEINE KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van Saturday 23 June 1962

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken