Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De levendmaking bij Comrie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De levendmaking bij Comrie

6 minuten leestijd

De laatste artikelen hebben voor de lezers beschreven, welke zaken er in ons kunnen zijn, die geen bewijs vormen van onze wedergeboorte. Deze is echter strikt noodzakelijk. Ons gereformeerde Doopformulier beklemtoont de noodzaak der wedergeboorte reeds in zijn eerste regels, waar het betuigt, dat wij in het Rijk van God niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden.

Comrie schrijft: , Er zijn maar twee staten, waarin de nakomelingen van Adam zich bevinden: en staat van vriendschap met God of van vijandschap, een zaligmakende of een verdoemelijke staat. In een van beide bevindt zich elk onzer. Het menselijk geslacht verdeelt zich in twee ranken. De ene is een rank van de ware wijnstok Christus Jezus, is in de Geest, wandelt naar de Geest; de ander is een rank van de wilde olijfboom, is in het vlees, wandelt naar het vlees, Joh. 15:5; Rom. 8:1, 9; Rom. 11 : 17. De een wordt licht genoemd, de ander duisternis. Efeze 5:8: , die eertijds duisternis waart, heeft Hij geroepen tot Zijn wonderbaar licht. Eertijds waart gij duisternis, maar nu zijt gij licht. De een is een kind des toorns, de ander een kind Gods; er is geen middelstaat. Alle gelovigen, de gekrookte rietjes en glimmende vlaswiekjes, zowel als de sterke ceders van de Libanon; Thomas, die niet geloven kon zonder te zien, zowel als Abraham, die geloofde zonder wankeling, zijn in de staat van leven en vriendschap. Daarentegen de alleredelste, zowel als de allergoddelooste, de jongeling met al zijn deugden zowel als Judas met zijn hemeltergende zonden, zijn in de staat des doods, in de staat van vijandschap."

Deze wedergeboorte is noodzakelijk vanwege onze val in Adam. De mens is van nature onbekwaam en onwillig tot het

goede. Hij is dood tegenover God en zijn dienst. Daarom is de wedergeboorte, de herschepping in alle tijden voor alle mensen noodzakelijk om het eeuwige leven in te gaan. Waar dit vaststaat is het vreemd, dat men van zovele kerkgangers de klacht hoort: ik heb in mijn vakantie een talentvol prediker gehoord, maar over de noodzakelijkheid der wedergeboorte repte hij niet. In vele kerkgenootschappen schijnt de prediking opgang te maken: geloof maar en neem maar aan. Dat er zo'n alles omkerende ingreep Gods aan de mens moet geschieden, dreigt bij velen totaal vergeten te raken, naar het schijnt.

Zodoende heeft menige oudere en jongere kerkganger wel godsdienst, maar geen wedergeboorte. Wat is de kern van deze nieuwe geboorte? De vereniging met Christus. Houdt dat goed in het oog als u over de wedergeboorte spreekt en over haar kenmerken. Denk er vervolgens aan, dat deze vereniging met Christus bij vele uitverkorenen, die tot jaren van onderscheid komen, voorafgegaan wordt door een bediening van de wet. God brengt zijn uitverkorenen eerst tot kennis van hun doodsstaat. De kenmerken, die Comrie geeft, veronderstellen deze voorafgaande genade. Maar in die tijd ligt de mens nog buiten Christus en buiten het leven. Het leven begint met de openbaring van Christus in het hart, niet met de openbaring van de zonde, dus niet met de ontdekking. Ik geef nog maar eens de woorden van Comrie, opdat we ons in het wezen der wedergeboorte niet zouden vergissen: „God stelt de uitverkorenen onder de tucht van de vurige Wet, om hen daarvoor te doen vallen en om in hen ten onder te brengen al de hoogten van eigen werk, die zich tegen de vrije genade verheffen en om Zijn weg voor Christus en de vrije genade te banen, zodat de Heiland, als Hij hen levend maakt, hen gestaltelijk dood bij zichzelf vindt; de dingen die hun gewin waren, schade en drek achtende en onder een gevoelen, dat zij geheel dood zijn, dat als de zaligheid om een zucht of zoveel als een schrapsel van een nagel moest bekomen worden, zij dan eeuwig zouden moeten verloren gaan." Dit betekent „dat God, hoe lang of hoe kort zij duren en hoe groot of klein de trap van de beroeringen zijn mogen, evenwel een ieder Zijner uitverkorenen daardoor zo in de dood doet vallen, dat zij door werkzaamheden van hun zijde niet tot de genade kunnen opklimmen, maar zo gestaltelijk dood worden bij en in zichzelf, en dus blijven, langer of korter, totdat de vrijmachtige God door Zijn wederbarende kracht hen levend maakt en door de werking Zijns Heiligen Geestes Zijn Zoon in hun zielen openbaart, zoals Hij hun van God geworden is tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en volkomen verlossing."

Waarin bestaat nu dit levend maken? Dit bestaat hierin, volgens Comrie, dat Christus zich met deze ontdekte zondaar verenigt. Deze uitverkoren zondaar is dood in zonden en misdaden. Aan deze doodstaat heeft de voorafgaande werking van de Heilige Geest niets veranderd. Zodra echter Christus Zich met de zondaar verenigt door de Geest, begint hij te leven. Wat doet Christus om deze dadelijke vereniging te weeg te brengen? „Christus, Zich met zulk een verenigende, door de Heilige Geest, door een bovennatuurlijke, krachtdadige en onwederstandelijke werking, stort hem een nieuw leven in en een nieuwe natuur, die voor ieder uitverkorene in Christus toebereid is geworden en hun, in deze vereniging van Christus met hen, door de Heilige Geest dadelijk zo medegedeeld wordt, dat zij die deelachtig worden."

Dit is er dus gebeurd, voordat Comrie over kenmerken gaat spreken. Daar is alzo een vereniging met Christus voordat de zondaar hier bewustzijn van heeft. Na deze vereniging, die van Christus uitgaat, komen de uitverkorenen tot het bewuste geloof in Christus. Maar is er dan een vereniging van Christus en de verloren mens zonder geloof? Neen, zegt Comrie, maar het geloof, dat ik bedoel, is een geloofsvermogen en niet een daad of werkzaamheid van de mens. Uit dat geloofsvermogen komen dan de daden des geloofs in zwakker of sterker mate. Ik durf niet te zeggen, dat de H. Schrift zo klaar van een geloofsvermogen spreekt, maar ik wil wel even proberen aan te geven waarom Comrie het zo stelt. De aandachtige en geoefende lezer zal Calvijn herkend hebben in de structuur van Comrie's gebouw. Daar is eerst de voorafgaande genade, bestaande in het brengen tot een kennis van de zonden. Christus komt bij Calvijn alleen tot de mens, die zijn zonden heeft leren kennen. Hij openbaart Zich aan geen andere, zegt Calvijn (Inst. III, 3, 20). Een gedeelte der bekering gaat aan het geloof vooraf (Hand. 20:21), terwijl bij Calvijn het leven begint met het geloof. Hierin komt Comrie met Calvijn overeen. Wat vóór het geloof in Christus ligt, van hoe groot belang ook, laat toch de mens dood in zichzelf, leert Comrie. En Calvijn schrijft: Laat dan dit vast blijven, dat het beginsel van onze zaligheid is gelijk een wederopstanding van de dood tot het leven: ant wanneer ons om Christus' wil gegeven is in Hem te geloven, als dan beginnen wij eerst uit de dood te komen in het leven" (Inst. III, 14, 7).

(Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1962

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De levendmaking bij Comrie

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1962

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken