Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN NAUWKEURIGE LEZER

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

EEN NAUWKEURIGE LEZER

14 minuten leestijd

Op oudere boeken wordt — als ze van waarde zijn — vaak een commentaar geschreven, omdat ze hier en daar niet zo gemakkelijk verstaanbaar meer zijn. Er komen oude gebruiken in voor of zegswijzen of toestanden of voorstellingen, die toegelicht moeten worden. Het schijnt dat ons Gereformeerd Weekblad nog al onverstaanbaar is of spoedig verouderd, want een lezer verzocht mij vriendelijk om commentaar op het nummer van 21 september j.1.

Daar stond in, dat een dominee preekte over Jeremia 35 : 15: , En Ik zal u heden herders geven naar Mijn hart en die zullen u weiden met wetenschap en verstand."

Het ligt voor de hand te denken, dat deze bedoelde herders koningen zijn, regeerders, vorsten, die Israël zullen leiden in de wegen des Heeren. Men ziet hieruit de eenheid van Kerk en staat. Er waren in Israël zelf opgeworpen koningen geweest, maar de Heere zou nu door God gestelde regeerders schenken. Bij ons zijn Kerk en staat heel erg gescheiden, zodat wij de herders, op de klank van het Woord afgaande, in de Kerk zoeken. Het is ook genade als de Heere in de Kerk voor het volk herders geeft naar zijn hart of alle predikers tot zulke herders maakt. Dit neemt m.i. niet weg, dat ook voor de regeerders van de staat is te bidden, dat zij herders mogen zijn naar Gods hart. Ik ga nog even verder. Het is toch ook mogelijk, dat niet alleen de koningen zijn bedoeld en de andere regeerders, maar ook de priesters. Ik lees tenminste in een verklaring van Jeremia bij de bovengenoemde tekst: , , De afvalligheid had grotendeels haar oorzaak in het feit, dat de leiders van het volk aan hun plicht tekort kwamen. Die toestand zal ophouden. De nieuwe leiders zullen zich schikken naar de verlangens van Jahwe, en het volk besturen met wijsheid en verstand, het leren wat de wil van Jahwe is."

Nu weten we nog niet, wie de leiders (herders) zijn. Maar bij Jeremia 2 : 8 geeft deze commentaar, de volgende toelichting: Vooral de leiders hebben schuld, omdat zij hun plicht hebben verwaarloosd. De priesters wijzen het volk niet meer op de macht van Jahwe. Die zich bezig hielden met en toelegden op de Wet erkenden en eerden Jahwe niet (Hosea 4:6). De politieke leiders (letterlijk de herders, vgl 2 Samuël 5:2) betrouwden niet meer op Jahwe, maar namen hun toevlucht tot vreemde goden..."

Als ik zo de twee genoemde teksten verbindt, meen ik toch wel vrijmoedigheid te hebben om onder de herders van Jeremia 3 : 15 ook de geestelijke leiders te verstaan. Bovendien, als het politieke leiders betreft, moeten we niet alleen denken aan koningen, maar ook aan ministers en kamerleden. De Korte Verklaring zegt: , De wereldlijke machthebbers, waarbij we niet alleen te denken hebben aan onderscheidene koningen, maar vooral ook aan de talrijke rondom de troon zich groeperende waardigheidsbekleders, waren evenmin tot 's Heeren dienst genegen." Zo hebben we al heel wat herders gevonden namelijk geestelijke leiders en politieke leiders. Calvijn zet de geestelijke leiders zelf voorop. Hij tekent bij Jeremia 3:15 aan: , Ik moet toegeven, dat men onder het woord herders bekwame en verstandige overheden kan verstaan, maar in eerste aanleg bedoelt hij profeten en priesters, wier ambt het was de afgodendienst weg te doen. Het bestaan van een kerk kan niet duurzaam zijn als zij niet door trouwe herders wordt geleid, die haar de weg der zaligheid bekend maken. Daarop rust het heil van de kerk, dat God voor haar goede en oprechte leraars verwekt, die haar de leer verkondigen. Waar echter bekwame leraars aan een kerk ontbreken, moet alles met elkaar te gronde gaan. De Kerk Gods kan slechts ontstaan door de werkzaamheid van heilige en vrome herders, maar zonder hen kan haar leven ook niet groeien en sterk worden. Het is niet voldoende, één keer een geordende staat op te richten, de overheid moet ook in haar ambt blijven. Evenzo bestaat er niets, dat zo verderfelijk is voor een kerk, dan dat God van haar de goede herders wegneemt."

Nu moet ik eerst even zeggen, dat mijn briefschrijver naar de inhoud van de genoemde tekst niet heeft gevraagd. Ik werd zelf geboeid door de vraag: ie zijn toch die herders uit Jeremia 3:15? De uitslag van het onderzoek heb ik u verteld. Daar mocht veel gebed zijn in de gemeente of God arbeiders in Zijn oogst wil uitstoten.

Maar wat was dan de vraag van mijn correspondent? Die is al opgelost in het bovenstaande. Hij is namelijk een secuur lezer. Dus toen hij in het nummer van 21 september las als tekst Jeremia 35 : 15 greep hij zijn bijbel en zocht het verband op. Helaas, hij vond de woorden niet, die in het blad stonden afgedrukt. Dus schreef hij mij: , Nu heb ik dat nagezien, maar volgens mij klopt deze tekst niet en ik kan bovenvermelde tekst niet vinden." Toen ik aan het zoeken met bovenvermeld resultaat. We moeten in Jeremia 3:15 zijn. Op zulk een nauwkeurigheid in het lezen heeft blijkbaar noch de redactie noch de uitgever gerekend. Het moge voor alle schrijvers een aansporing zijn om de uiterste securiteit te betrachten en zeker geen fouten in de bijbelteksten te maken, ze worden secuur gelezen.

Doch onze secure lezer gaat verder: , , En dan heb ik nog een vraag aan u, uit datzelfde blad... Wat is een Urim en wat is een Tummim? Mag ik als domme kerel uw antwoord tegemoet zien? "

Ik ben maar weer op pad getogen om nasporingen te verrichten. In Numeri 27 : 21 wordt van de Urim gesproken, deze naam komt hier voor in een Schriftgedeelte, waarin wordt verteld hoe Jozua tot opvolger van Mozes moet worden bevestigd. Van Jozua wordt gezegd, dat hij een man is, in wien de Geest is. Ik vraag hier even de aandacht van mijn lezers in verband met ons Formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen, waar we in het dankgebed lezen: , Heere God, hemelse Vader, wij danken U... dat Gij ons thans in deze gemeente verleend hebt mannen van goede getuigenis en die begaafd zijn met LIw Geest. Wij bidden U, verleen hen meer en meer zodanige gaven als hun in hun bediening nodig zijn: e gave der wijsheid, der dapperheid, der onderscheiding en der weldadigheid, opdat een iegelijk zich behoorlijk kwijte in zijn ambt."

Het gaat in dit Formulier dus in de eerste plaats om ambtsgaven. Dat wou ik maar even zeggen, want zo is het bij Jozua ook. Iemand kan veel genade hebben en toch geen of weinig gaven voor het ambt. Het omgekeerde lijkt mij ook niet onmogelijk. Dat Jozua de Geest der wijsheid bezat, lezen we in Deut. 34 : 9.

Wat is wijsheid? Dat is niet een grote hoeveelheid kennis, maar de bekwaamheid om de juiste middelen te kiezen, nodig voor het beoogde doel. Farao schreef deze wijsheid aan God toe ten opzichte van Jozef (Genesis 41 : 38). Wat is nu het verschil tussen Mozes en Jozua? Met deze vraag kom ik aan de urim. Mozes draagt door het opleggen der handen het gezag over op Jozua. Hij legt op hem van zijn heerlijkheid, of hoogheid of majesteit, waarmee koningen bekleed zijn. Nochtans wordt Jozua niet de gelijke van Mozes. Slechts een deel van de autoriteit van Mozes gaat op zijn opvolger over.

Wat is het verschil? Jozua zou de aanwijzingen Gods niet rechtstreeks ontvangen, zoals dat met Mozes het geval was geweest. Jozua zou gebruik moeten maken van de bemiddeling van de hogepriester, die daarvoor de Urim zou gebruiken. Wat is dat? Nu komt de moeilijkheid. Prof. dr. A. Noordtzij schrijft: waarvan aard en uiterlijk ons ten enemale onbekend zijn en die naar 1 Samuël 14 : 41 v dienden om des Heeren wil in een bepaald geval te leren kennen. Jozua zal dus de bemiddeling van de hogepriester nodig hebben en geen profeet zijn als Mozes". (Deut. 34 : 10). Dit neemt niet weg, dat de Heere menigmaal tot Jozua sprak volgens het boek Jozua. Maar hier gaat het om de inzetting in zijn ambt. Hoewel God de onveranderlijke God is heeft Hij zich de vrijheid voorbehouden om telkens weer anders te handelen dan men zou denken.

Maar wat is nu de Urim? In Exodus 28 : 30 lezen we: Gij zult ook op de borstlap des gerichts de Urim en de Tummim zetten, dat zij op het hart van Aaron zijn, als hij voor het aangezicht des Heeren ingaan zal. Alzo zal Aaron dat gericht der kinderen Israëls geduriglijk op zijn hart dragen voor het aangezicht des Heeren."

De Kanttekening zegt al, dat veel hier onzeker is. Men leest niet, dat Mozes deze dingen moest maken en hoe zij er uit

zien. Wanneer men ze met de borstlap verbindt zou het kunnen zijn, dat we eerst aan een „schort" moeten denken, dat aan de borstlap vastgeknoopt wordt, als de Hogepriester er mee werkt. Misschien dat Urim en Tummim steentjes zijn, die in de zak van iets, dat op een kledingstuk gelijkt, bewaard worden. Dat kledingstuk, in de Schrift ook wel Ephod genoemd kan dan wel van gouddraad doorweven en zeer kostbaar zijn. Als Urim en Tummim steentjes waren, stond misschien op het ene steentje ja en op het andere neen. Er werden vragen gesteld en nog weer eens vragen en deze werden telkens door steentjes beantwoord. Zo zou het kunnen geweest zijn. Maar in het „Beknopt Commentaar op de Bijbel in de Nieuwe Vertaling" lees ik bij Exodus 28 : 30: De Urim en de Tummim: etterlijk de lichten en de volmaaktheden. Wij weten niet, wat wij daaronder moeten verstaan. Men denkt wel aan twee orakelstenen, die „ja" of „neen" bevatten of voorstelden. Meer valt er te zeggen voor de opvatting, dat het geen aparte voorwerpen waren, daar hun vervaardiging niet afzonderlijk wordt vermeld, doch dat zij op de een of andere wijze met de 12 stenen samen vielen. Men denkt wel aan het oplichten of mat worden der edelstenen van het borstschild en der schouderstenen. Doch wij hebben hier geen zekerheid. De Urim en de Tummim dienden om des Heeren wil te vragen, zie Lev. 8 : 8; Nura. 2 : 21; Deut. 33:8; 1 Sam. 14 : 37; 23 : 9; 28 : 6; 30 : 7; Ezra 2 : 63; Neh. 7 : 65.

Tot nu toe kon niemand ons het rechte zeggen. Dat is ook het belangrijkste niet, want wij zijn bezig om naar de vorm der dingen te vragen. Naar de inhoud is het duidelijk, dat het God behaagt heeft zijn wil aan mensen bekend te maken. Dit is voor ons zeer belangrijk. God wil ons helpen om zijn wil te kennen. Als Saul in 1 Samuël geen antwoord krijgt, weet men direct, dat er dan iets mis moet zijn, maar David wordt op deze wijze in 1 Sam. 23 gewaarschuwd. Nog altijd geeft God zijn wil te kennen en ook nog altijd, gelijk met Urim en Tummin, als het Hem behaagt en als de aanvrager Hem behaagt.

We zetten ondertussen onze reis voort om mogelijk nog meer onderricht te krijgen. Prof. dr. Th. C. Vriezen schrijft: „Deze Symbolen werden gedragen in de borsttas van de priesterlijke efod (letterlijk overtreksel, ook wel borstschild of borstlap genoemd) hoe deze Urim en Tummim er uit zagen en de wijze waarop zij de beslissingen gaven, is niet met zekerheid vast te stellen; maar waarschijnlijk geschiedde dit, doordat de een op een bepaalde vraag een positief en de ander een negatief antwoord gaf. Het zijn dus een soort lotstenen... De beslissing door deze „lotstenen" zal de oudste vorm van tora („onderwijzing" Gods) zijn." Ook dat is de mening van een deskundige.

De „Christelijke Encyclopedie" schrijft: rim en Tummim waren voorwerpen, die zich in het borstschild van de Hogepriester bevonden. (Ex. 28 : 30). Wat voor voorwerpen het waren is volstrekt niet uit te maken. Ze dienden om „God te vragen", het waren dus orakelmiddelen. Hoe ze gebruikt werden is ook niet bekend. Er zijn wel allerlei veronderstellingen over. Volgens sommigen zouden het steentjes, stokjes of pijlen geweest zijn, waarop een teken aangebracht was. Van dat teken kon men de uitslag aflezen. Bij gebrek aan gegevens zal men er van af moeten zien iets te beweren over de aard van de voorwerpen en de hantering er van".

Is er nog verschil tussen Urim en Tummim? In Numeri 27 : 21 gaat het over beslissingen van Urim. In 1 Sam. 28 : 6 gaat het ook over Urim voor de strijd met de Filistijnen. In 1 Sam. 14:41 wil de Encyclopedie lezen voor: oon de onschuldige: eef Tummim. Een vergelijking met de Septuagint (De Griekse vertaling van het Oude Testament) doet ons aannemen dat Tummim beter is. Bij Urim en Tummim gaat het dus enerzijds over vragen als: at gaat er gebeuren? Of: at moeten we doen? Anderzijds over de vraag: ie is er schuldig? Waarschijnlijk zijn Urim en Tummim twee afzonderlijke orakelmiddelen geweest: rim diende bij de vraag: at moeten wij doen? Tummim bij de vraag: ie is schuldig? "

Daar zullen nog wel meer meningen over bestaan, maar waarschijnlijk zullen deze alle de bijvoeging hebben: ij weten niet, hoe het precies was. Toch blijft er nog altijd de behoefte om de wil Gods te kennen. De Urim en Tummim zijn verdwenen. In Ezra 2 : 63 lezen we, dat de mannen, die niet in het priesterlijk geslachtsregister stonden, van de heilige dingen niet mochten eten, totdat er een priester op stond, die met Urim en Tummin kon beslissen. Hier blijkt, dat het er niet meer was, maar dat men wel verlangde naar een dergelijk middel. Wij hebben, zou ik zeggen, het Woord des Heeren.

Kunnen wij ons nu altijd op een bepaalde tekst beroepen, om onze beslissingen te motiveren? Een bepaalde tekst kan veel betekenen in ons leven. Maar de hoofdzaak is, dat wij ons verdiepen in het ge-

heel der Schrift. God leidt, dacht ik, op heden meer door innerlijke dan door uiterlijke middelen. Maar helemaal doorzichtig is hiermee de leiding Gods niet gemaakt. Daar is een spreken Gods, waarvan de inhoud uit het Woord, ook wel uit een bepaalde tekst komt, doch waarvan de kracht uit Gods Geest komt. Wij zullen het zonder lirim en Tummim moeten doen. Dat zal wel gaan. God gebruikt voor de tijden en leeftijden gepaste middelen. Maar wij kunnen het niet zonder de leiding van Gods Geest doen. Daarvan schreef Paulus: „Want zo velen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods". Dat heeft ongetwijfeld ook betekenis voor het dagelijkse leven. 't Is niet zo spectaculair als een beslissing door Urim en Tummim, maar een verborgen drijving van Gods Geest geeft toch wel een vaste leiding.

Wat is dan de voornaamste leiding des Geestes? Zou het niet deze zijn, dat God ons laat zien wat een bepaald gebod of een bepaalde aanwijzing der Schrift in mijn persoonlijke toestand van mij vraagt en dat Hij mijn hart zo ombuigt en bestuurt, dat ik bereid ben Hem te gehoorzamen? Wat is er een betere Oerim en Toemim (zo is het wel uit te spreken) dan dat God ons leert naar Zijn wil te handelen en die te kennen? Calvijn schreef bij Handelingen 8 : 26: dat wij altijd moeten weten, dat het goed is voor God wat wij doen." Hij vervolgt: Indien iemand tegenwerpt dat de engelen niet elke dag van de hemel neerdalen om ons te laten zien, wat wij moeten doen, dan is hier gemakkelijk op te antwoorden, dat het Woord Gods ons genoeg onderwijst en aantoont, wat wij moeten doen: n dat zij, die de mond des Heeren vragen en zich onderwerpen aan de leiding van de Heilige Geest niet beroofd zijn of verstoken van voorlichting. Derhalve is er niets, dat ons belet of belemmert God naarstig te volgen, met een goed en vurig hart dan onze luiheid en nalatigheid om te bidden? "

D.

L. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 oktober 1963

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

EEN NAUWKEURIGE LEZER

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 oktober 1963

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken