Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Enkele psalmen uit de „Proeve” beproefd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Enkele psalmen uit de „Proeve” beproefd

7 minuten leestijd

PSALM 130

Korte inhoud.

Psalm 130 is een boetelied. De dichter roept tot God. En wel uit de diepte. Zoals de profeet Jona ook uit de diepte tot God riep (Jona 2). Hij vertoefde in het ingewand van de vis. Ver was hij gescheiden van God, de bron van leven. De dood bedreigde zijn bestaan. Wat scheiding maakt, dat zijn de zonden. Het bewustzijn daarvan drukt de dichter teneer. Als de Here de zonden gadeslaat, dat is in gedachten houdt, ons de schuld aanrekent, en de Here laat ons dat gevoelen, dan kunnen we niet meer leven. „Heere. wie zal bestaan? " (vs. 3).

De Heere is voor de psalmdichter die God, die de schuldige geenszins onschuldig houdt. Maar Hij is nog meer. Hij is ook die God, welke de berouwvolle zondaar barmhartigheid bewijst. Vandaar, dat we in vers 4 vinden: „Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt".

Hebben we tevoren de psalmdichter horen roepen uit de diepte van zijn nood, hier merken we, hoe het zaligmakend geloof in hem werkzaam wordt, dat de hoop op God vestigt.

Het geloof is een kracht Gods tot zaligheid. Dat zien we ook hier. De Geest des Heren doet het geloof werkzaam zijn. „Ik verwacht den Heere" (vs. 5), dat is, ik zie naar Hem uit, ik verbeid zijn komst. Dit verwachten is niet een bijkomstigheid, maar maakt de innerlijke gesteldheid van de psalmdichter uit. Hij weet ook, wie hij verwacht, namelijk de Heere. Die is geen yreemde voor hem. Naar zijn eigen woord (zie vers 4) mag hij hopen, dat de Heere hem andermaal genadig zal willen zijn. In vers 7 en 8 wendt de dichter zich tot Israël, zijn volk. Daarmee weet hij zich nauw verbonden. Zijn strijd is niet die van een enkeling, maar van velen in Israël. Het is mogelijk, dat de Heere zijn woord van genade en ontferming reeds tot hem gesproken heeft. Maar hoe het ook zij, zijn geloof is zo levend, dat hij geheel Israël opwekt om op de Heere te hopen. Bij Hem is er genade te krijgen. Vele zijn de middelen en wegen die Hem ten dienste staan om ons te verlossen.

Formeel theologische a. couplet 1. opmerkingen.

Dit vers uit de nieuwe berijming bedoelt goeddeels een restauratie te zijn van het desbetreffende vers uit de oude berijming. Inderdaad zijn in de laatste woorden te vinden die wij zo niet meer bezigen. Ik noem: „smeekstem", en „jammerklacht".

De eerste drie regels uit de Proeve achten wij een verbetering van de overeenkomstige uit de berijming van 1773. „Roep ik met mond en hart" is op zichzelf bezien beslist niet onjuist, maar het staat niet in de onberijmde tekst.

De 4e regel uit de Proeve achten wij minder geslaagd. Wat doet de psalmdichter eigenlijk? Hij stelt zich aan de Heere voor in al z'n ellende. Waar het hem om te doen is, zegt hij aanvankelijk niet. Eerst aan het eind van de psalm wordt dat duidelijk. Het gaat hem om verlossing. Kraus, in z'n bekende commentaar, drukt ciat aldus uit: „In grote terughoudendheid en ootmoed waagt de psalmist het niet zijn bede vrij uit te spreken". Hier vanuit gaande, constateren wij, dat het iets te veel gezegd is, wanneer wij in de Proeve lezen: „Dat ik gehoor verkrijge En eind'lijk word' gered".

De dichter bedoelt dat wel, maar hij drukt dat nog niet uit. Over het woord „jammerklacht" hebben we reeds iets opgemerkt. Dat is een verouderd woord. Of het nieuwe „bedeesd gebed" zoveel beter is, wagen we te betwijfelen. Kennen we dat in deze combinatie? Trouwens de onberijmde tekst, welke luidt „stem mijner smekingen", zegt ons niet hoe dit gebed is, namelijk krachtig of „bedeesd", maar wat voor een gebed, namelijk een smeekbede.

b. couplet 2. „Zo Gij, Heere de ongerechtigheden gadeslaat", aldus de onberijmde tekst. Vrij vertaald zouden we dat aldus kunnen weergeven, zo Gij, Heere onze misvormdheid, verkeerdheid, of verkeerde gezindheid in gedachten houdt, ons toerekent. De nieuwe berijming geeft dat beter weer dan de oude. Van een opstaan van God ten gerichte lezen we hier niet.

Mooi en raak is de berijming van Datheen: „Wilt Gij met ernst de zonden Toerekenen voortaan; W^ie kan t' eeniger stonden In Uw oordeel bestaan? "

Ook het tweede gedeelte is treffend. „Maar Gij wilt, Heer, vergeven De zonden minst en meest; Dies zijt Gij in dit leven Zeer bemind en gevreesd." De laatste regel geeft een niet onaardige interpretatie van wat wij moeten verstaan onder: „opdat Gij gevreesd wordt" (onberijmde tekst).

God vrezen, dat is Hem hoogachten, " & 2pho, a u eerbied voor Hem koesteren, ook Hem liefhebben. De nieuwe berijming geeft hiervoor. „Opdat wij zouden vrezen Uw goedertierenheid".

O.i. kan dat niet. We kunnen wel God vrezen, of God als de Goedertierene, maar niet zijn goedertierenheid. Niet een eigenschap van Hem, maar zijn persoon is oorzaak tot (kinderlijke) vrees. De zesde regel uit de Proeve is juist. „Gij scheldt de schulden kwijt" geef weer, wat de vergeving inhoudt. Als vulsel — immers in de onberijmde tekst vinden wij dat zo niet — vinden wij dat beter geslaagd dan: „altijd bij U geweest", aldus de oude berijming. Het begin van regel 5 daaruit is treffend. Het geeft de geestelijke gedachtengang van de dichter juist weer: „maar neen", als wilde hij zeggen: neen, zoals een God die enkel de zonden toerekent en bij wie geen vergeving mogelijk is, heb ik U niet leren kennen. Vandaar: „ach wie zal dan bestaan? ... Maar neen "

c. couplet 3.

Vers 5 en 6 uit de onberijmde tekst handelen over 't verwachten van de Heere. We zeiden reeds, verwachten is hier verbeiden, met inzet van heel ons zijn uitzien naar. Er spreekt een zekere geladenheid uit deze verzen: „Ik verwacht... mijn ziel verwacht... en ik hoop... Mijn ziel wacht meer dan wachters... de wachters."

Deze geladenheid vinden we sterker in de oude, dan in de nieuwe berijming weergegeven. „Ik heb mijn hoop gevestigd" klinkt slap. „Zijn verlossend woord" vinden we niet mooi. Als vondst niet onaardig, maar hier niet op z'n plaats. Dat geldt evenzeer voor „Uw glorend aangezicht", in regel 8. Overigens is deze laatste regel naar z'n strekking meer in overeenstemming met de onberijmde tekst, dan de daarmee corresponderende regel uit de oude berijming, waar we lezen: den morgen, ach, wanneer? " Heeft het geloof van de dichter hier aan kracht ingeboet? Wij menen van niet. Het derde couplet in de berijming van Datheen eindigt dan ook: En de dag opstaat klaar". Kraus wijst er op, dat verscheidene psalmen er melding van maken — zo psalm 46 : 6; 90 : 14;

143 : 8 — dat de morgen hulp heeft gebracht.

d. couplet 4.

Dit vers is in de oude en de nieuwe berijming gelijkluidend. De aansluiting aan de onberijmde tekst is tamelijk vrij. Datheen is in deze tekst getrouwer. Zijn berijming is tevens krachtiger: „Dat Israël vast bouwe Op God de hope zijn; Want vol genaad en trouwe (een mooie weergave van „goedertierenheid" en „verlossing") Is de Heer en God mijn".

Voor ons is het de vraag, of ook het slot bij Datheen niet beter is. „Hij is 't, die onbezweken Israël gansch bevrijdt Van zonden en gebreken, Die Hij meteen scheldt kwijt". Daarbij gaat het ons voornamelijk om de laatste regel. De dienovereenkomstige uit de berijming van 1 773 en de Proeve luidt: „zoo doe Hij ook aan mij". Wie wordt er nu met die „mij" bedoeld? O.i. niet de psalmdichter. Daarvoor is het tweede gedeelte van psalm 130 te positief. De psalm eindigt niet als een bede, maar als een krachtig getuigenis. Er blijft dus alleen over om „zoo doe Hij ook aan mij" te verstaan als een antwoord uit de gemeente van Israël.

Conclusie.

Het is niet eenvoudig hier conclusie te trekken. We kunnen niet zeggen, dat de ene berijming veel beter of slechter is, dan de andere. Naar ons besef, is de berijming van Datheen als geheel het best geslaagd. Het is mogelijk, dat een voortgaande en herziene restauratie van de berijming van 1773 uitkomst biedt.

A.

P. M. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 25 december 1963

Gereformeerd Weekblad | 25 Pagina's

Enkele psalmen uit de „Proeve” beproefd

Bekijk de hele uitgave van woensdag 25 december 1963

Gereformeerd Weekblad | 25 Pagina's

PDF Bekijken