Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De aanspraak: Gemeente des Heeren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De aanspraak: Gemeente des Heeren

14 minuten leestijd

„Bij ons op de Mannenvereniging kwam de vraag op dagen of een predikant een gemeente mag aanspreken in de predikatie als gemeente des Heeren. Toen kort geleden een predikant met zijn intrede deze uitspraak deed, was dit een eigenaardige klank. In een andere gemeente waren ze een predikant gaan horen. Deze was ook met die aanhef begonnen. Toen de broeders ouderlingen dit verslag uitbrachten waren anderen daar nog al tegen gekant, doch het beroep is uitgebracht en ook aangenomen.

Is de aanspraak niet goed of is dit onder de Herv. Geref. een kopschuwheid voor de algemene verzoeningsleer? "

Dat is de vraag. Ik hoop, dat het met beide predikanten goed uitgekomen is, hoewel ik veel klachten onder ogen krijg. Wat is de kern van deze klachten? Neem deze, die ik zo juist ontving: „Het is hier bij ons in de Hervormde Kerk droevig gesteld. Je hoort geen onderscheid meer prediken. Het gaat toch zo maar niet. Je zult toch wedergeboren moeten zijn. Waar moeten wij met onze kinderen toch heen? O, dominee, ik zou willen dat ze beter onderwezen werden op catechisatie en in kerk."

In deze klacht heb ik onderstreept, wat mij de kern lijkt van de m.i. niet helemaal ongerechtvaardigde bezwaren. Nu zegt u misschien: at heeft deze klacht te maken met de bovenvermelde aanspraak? Naar ik meen, is er geen bezwaar op bijbelse grond in te brengen tegen deze aanspraak mits er onderscheidenlijk gepreekt wordt. Ik meen, dat er wel predikanten zijn, die er van uitgaan, dat zij juist de rechte bijbelse aanspraak gebruiken, maar dan vergeten ze, dat deze aanspraak alleen dan geen kwaad doet en geen gevaar is voor het kerkvolk, als de bijbelse waarschuwing niet ontbreekt. Laat mij mogen proberen om dit nader toe te lichten. Ik ga er van uit, dat de Kerk niet op de Pinksterdag is begonnen maar in het paradijs. In onze dagen met zijn valse oecumene is het goed nog eens te herinneren aan de ware oecumene. Zij is breed en lang en diep en hoog. Zij is breed, want ze omvat de gehele breedte der aarde, doch geen kerken. Zij omvat op z'n hoogst overblijfsels of resten van wat op de aarde kerken genoemd worden, 't Geldt voor de kerken, waar het evangelie nog gepredikt wordt < — de anderen zijn valse kerken: Alzo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade" (Romeinen 11 : 5). Van dat overblijfsel spreekt ook Jezus, als Hij zegt van de kerkgangers of het verbondsvolk uit zijn dagen en van alle tijden: Want de poort is eng en de weg is nauw, die tot het leven leidt en weinigen zijn er die dezelve vinden" (Mattheüs 7 : 14).

Doch aangaande de oecumene, vergaderd uit alle ware kerken, belijden wij: „Wij geloven en belijden een enige heilige vergadering der ware christgelovigen, alle hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Geest" (Artikel 27 N.G.B.). Heilige

Hoe oud is de Kerk? „Deze Kerk is geweest van den beginne der wereld af, en zal zijn tot den einde toe; gelijk daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is, dewelke zonder onderdanen niet zijn kan."

Ik vind deze Kerk dus ook beschreven in het Oude Testament. Zij is daar geen wezenlijk andere Kerk als onder het Nieuwe Verbond. De Kerk komt daar telkens voor als een overblijfsel, een rest van de kerkgangers, om het zo eens te zeggen. De Apostel vatte deze gang van zaken samen in de woorden: Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn" (Romeinen 9:6). Dit is een feit, dat velen telkens weer schijnen te vergeten. En zo is in de roomse kerk alles Israël en protestantse kerken volgen hierin, en hierin niet alleen, Rome na. Men maakt de weg breed en de poort wijd en zou dit niet misleidend kunnen zijn voor de gemeente des Heeren? Daar is geen waarschuwende stem meer. In dit opzicht kan men de klacht van psalm 74 verstaan: aar is geen profeet meer. In dit geval een profeet, die waarschuwt zoals b.v. Jesaja in zijn eerste hoofdstuk. Daar wordt Israël genoemd: ods volk en kinderen des Heeren. Maar als een wervelstorm gaan dan de striemende woorden over de gemeente des Heeren heen. Volk Gods Israël genoemd, maar ook Sodom en Gomorra. En nu meen ik, dat een predikant niet bijbels aanspreekt, als hij alleen spreekt van gemeente des Heeren. Men kan uit Jesaja 1 leren, dat men, op grond van het Verbond over gemeente des Heeren mag spreken in allerlei vormen, doch dan ook moet spreken van alles, waarin deze gemeente tot een volk van zware ongerechtigheid is geworden, dat tot bekering moet komen.

Voorts moet men dan wel bedenken, dat men in de gemeente des Heeren niet alleen de ongerechtigheid, doch ook de eigengerechtigheid moet bestrijden en alle hoogmoed, natuurlijk geloof, eigenwillige godsdienst, vleselijk vertrouwen op het verbond en op een geloof zonder de levende tollenaarsgestalte met kracht moet zoeken uit te roeien. Maar dan zal de klacht verstommen: „Je hoort geen onderscheid meer prediken."

Het is onze tijd zo, dat de profeten van vele zijden geprezen worden. Geleerd en ongeleerd zegt: ie profeten van Israël, dat waren nog eens mannen. Maar worden ze ook nog gelezen? En hebben ze invloed in de studeerkamers van de predikanten en in de overlegging van de verborgenheden des geloofs door de ouderlingen? De profeten spreken van een overblijfsel, van een rest, die zich bekeert. Die rest wordt als een kleine rest beoordeeld (Jesaja 6 : 13). Die profeten predikten onderscheidenlijk.

Wat is daar voor nodig? Dat men ogen heeft gekregen om onderscheid te zien. Soms schrijft men mij: nze dominee zegt: spreekt over Gods volk, wie zijn dat? Ik zie alleen maar de kerkgangers, de gedoopten, de belijdende lidmaten, dat is Gods volk. Maar u spreekt van bekeerde mensen, volk Gods in bijzondere zin, ik zie geen bekeerde mensen. Kijk, als iemand geen onderscheid ziet, kan er in zijn prediking ook geen onderscheid gemaakt worden. Maar dat is erg als men geen ogen heeft om onderscheid te zien. Het hoort immers altijd nog tot de roeping van de predikers het kostelijke van het snode te onderscheiden (Jer. 15 : 19).

Hoe Jesaja het volk aanspreekt als volk des Heeren en toch onderscheid maakt op een heel bijzondere en strenge wijze kan ieder duidelijke bij hem lezen. Dat is bij de profeet Jeremina niet minder het geval. De Heere spreekt daar van „Zijn volk", maar dan een volk, dat God verlaat. „Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan. Mij, de Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden" (Jeremia 3 : 14).

Zo is dan de aanspraak: gemeente des Heeren zeker geoorloofd, maar dan vergete men niet: afkerige gemeente. Men leze de profeten verder na. Maar nog eens, om onderscheiden te prediken, moet de wet des Heeren gekend worden en moet men bevindelijk weten wat wedergeboorte, geloof, bekering, verzoening en al deze dingen, is. Men moet in beginsel onderscheid kennen om onderscheidenlijk te kunnen prediken. De profeten zagen waarin Israël afweek. Datzelfde vinden wij ook bij de Heere Jezus. Ook Hij stond midden tusen het volk des verbonds. Maar heeft er ooit een prediker zo onderscheiden, zo fel, zo „zwaar" gepreekt als de Heere Jezus. Wanneer we lezen hoe Hij over het eeuwig verderf heeft gesproken met zulke aangrijpende woorden, dat weinigen ze tegenwoordig durven herhalen, vrees ik, dat Hij in menige gemeente geen beroep zou krijgen. Als men dan opmerkt hoe een predikant, die iets zegt, dat uit de verte herinnert aan de geweldige taal van de Christus Gods, uitgescholden wordt voor een hel en verdoemenis-mannetje. Als men dan in aanmerking neemt, dat degenen die deze en dergelijke uitdrukkingen gebruiken, menen dat zij het rechte, echte, blijde, vrolijke, oecumenische evangelie bezitten en dat anderen maar wetspredikers en vereerders van afgodsbeelden zijn, dan vraagt men zich af, of er vaker een tijd geweest is, dat brede kringen in de Hervormde Kerk en ook wel daarbuiten zo ver aan de Schrift ontzonken zijn geweest als tegenwoordig? Men schijnt alleen maar te weten van God als de lieve Heer en van Jezus als de prediker van de naastenliefde en mensenliefde Gods. Maar men schijnt ontzonken te zijn aan de Schriftmatige noties van een rechtvaardig God en een gekruiste Christus, die in de Godverlatenheid gezonken is om de schuld van zijn volk te boeten. Maar ook als men dit alles, zij het dan voor kennisgeving, aanneemt, redt men zich van het onderscheidend preken

door te verklaren dat tenminste nu ieder gerechtvaardigd is en de zaligheid op een heel goedkope wijze gaat beërven. En weer maakt men bladzij na bladzij van Gods Woord krachteloos door zijn eigen inzettingen. De Heere Jezus heeft in zijn gelijkenissen en andere woorden telkens opnieuw herhaald: Tenzij dat iemand wederomgeboren wordt, zal Hem mijn leven, lijden en sterven in het grote gericht Gods niet kunnen baten." Voorts heeft Hij gepredikt altijd maar door: ls ge geen raad met u zelf weet, als ge weet rechtvaardig onder het oordeel Gods te liggen, als ge al Gods geboden ovetreden hebt en daar onder gebogen gaat: Kom tot Mij, gij allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven" (Mattheüs 11 : 28).

Maar wie doen dit? Die het zeggen, doen zij het altijd? De Schrift leert ons ook hier om onderscheid te maken, zeggende: , , Dit volk nadert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij." Hier hebt ge weer dat dubbeldraadse. De aanspraak is: , , Mijn volk." Men kan dit gelijk stellen met: „Gemeente des Heeren". Doch onmiddellijk daarop een vermaning, die de aangesprokenen belet misbruik van de naam „Gemeente des Heeren" te maken. Na deze aanspraak komt de klap zoveel te harder aan.

Ik blijf er dus bij, dat men in de Heilige Schrift beide lijnen vindt. De kinderen des Verbonds worden aangesproken als volk Gods, maar dan als een afkerig volk. Dat is zo in het Oude en in het Nieuwe Testament. Men hoeft de Evangeliën maar te lezen om dit op elke bladzij bevestigd te zien. Nu zijn er, die, menen, dat de Kerk na de Pinksterdag geweldig veel beter is. In de brieven van Paulus vinden zij niet die felle aanval op dit volk Gods als in de profeten en bij Jezus. Dat hoeft niet te verwonderen. Van Israël staat: Israël nu diende de Heere al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten die lang na Jozua leefden, en die al het werk des Heeren wisten, hetwelk Hij aan Israël gedaan had" (Jozua 24 : 31). Maar wat is dit daarna anders geworden. Hoe moest het volk al wenen in Bochim (Richteren 2). En daarna is de tijd der eerste liefde niet in die mate wedergekeerd.

Meent men nu werkelijk, dat wij in de Kerkgeschiedenis een kerk voor ons hebben, waarvan alle leden de Heere dienen? Geeft niet het Oude Testament en de prediking van Jezus en ook reeds Paulus ons de dringende vermaning om toch onderscheidenlijk te preken, en niet bij een aanspraak te blijven staan, die heel wat anders zou doen verwachten? Het Nieuwe Testament geeft daar bovendien in het laatste boek een aangrijpend voorbeeld van. Zeven kerken worden daar aangesproken als gemeenten. Maar wat wordt hier duidelijk en onderscheidenlijk gepreekt. Hoe wordt Efeze bedreigd, dat de Koning der Kerk de kandelaar bij hen zal wegnemen, als zij zich niet beteren. Zulk een prediking betekent toch, dat duidelijk en naar waarheid gezegd moet worden, waarin deze bekering moet bestaan. Het is een gebrek in de prediking als er niet nauwkeurig in gezegd wordt, wat geloof, bekering, wedergeboorte, rechtvaardigmaking, overtuiging van zonde is.

Wij hebben het voorrecht, dat we uitnemende leermeesters hebben in de mannen van de reformatie en van de nadere reformatie. Deze laatste zijn bijzonder verlicht. geworden om de gemeenten te waarschuwen, dat zij niet in leerheiligheid, in een verbonds/eer zonder het waarachtige verbonds/e(; en, in een geloof zonder de diepte van Matth. 7 : 24—27 zouden blijven steken. Mede uit de nadere reformatie zijn ons verbanden en inzichten overgeleverd, die we alleen tot onze schade kunnen vergeten. En nu ben ik wel eens bang, dat de nood, die zich uit in de preek: je hoort geen onderscheid meer preken", z'n wortel heeft in onkunde omtrent, of in loslaten van, hetgeen door onze vaderen in de Schrift is gevonden en zo aan hen is gegeven. Dat kan alleen maar geschieden tot schade van de gemeenten des Heeren. Want zo wordt niet genoeg weerstand geboden aan de leringen van Balaam en van de Nikolaieten en van de profetes Jezabel. Men krijgt zo de naam, dat men leeft, doch is dood (Openb. 3:1). Dan wordt het een leven uit godsdienst en niet uit de vreze Gods en men is rijk en verrijkt in z'n geloof en godsdienst, maar kent het arme zondaarsleven niet.

Het gaat dus om twee lijnen: e gemeente aanspreken als volk Gods en haar van daaruit aansporen om die naam waar te maken in een inleven van de drie stukken van de Catechismus. De grote grief van de Heere Jezus tegen Laodicea was, dat deze gemeente in haar geheel bijna, het eerste stuk nl. dat van de bevindelijke kennis van zonde en ellende, vergeten was. Tegenwoordig bestaan er hele kerken en richtingen en groepen in richtingen, die juist dat stuk bestrijden. In Laodicea wist men niet, dat men arm, blind, naakt, ellendig en jammerlijk was, maar tegenwoordig voert men een strijd tegen elke brief van de Koning, die daar op aandringt. Hieraan kan men weer zien hoe ver men aan de Schrift hier en daar ontzonken is. Wat zegt de Schrift? Dit: En zij genezen de breuk der dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: rede, vrede! doch daar is geen vrede... Zo zegt de Heere: taat op de wegen en ziet toe en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin: o zult gij rust vinden voor uw zielen; maar zij zeggen: ij zullen daarin niet wandelen" (Jes. 6:14, 16).

Soms wordt er wel eens gesteld: k zeg wel: emeente des Heeren, maar ik preek geen bevinding. Misschien zou men met zo'n stelling vrede kunnen hebben, als men dan het werk van de H. Geest maar preekt. Overigens is bevinding onmisbaar, opdat een mens van zichzelf bevrijd zou worden en op God Zelf geworpen. Dat gebeurt alleen in waarheid in de bevinding. Anders blijft het hele geloof een filosofie, een stel redeneringen. Van de nadere reformatie kunnen wij leren hoe verderfelijk dit is, in de volle zin, want de mens moet aan den lijve zijn verlorenheid ervaren, opdat hij ontgrond worde. Maar de mens moet ook aan den lijve ervaren, dat God goed voor hem is. Dan heeft hij vrede (Rom. 5:1).

Daarom kan ik mij goed vereniigen met de woorden van prof. van Ruler: „Het is dan ook mijn vaste overtuiging, dat wij niet meer achter de Nadere Reformatie terug kunnen. Zij was een legitiem geestelijk en theologisch experiment. Zij was beslist niet een jammerlijk ziekteverschijnsel, zoals dr. W. Aalders (in zijn Hervormd-Remonstrants gesprek, 53) al te vlot en al te graag constateert. Zij heeft uitermate bevruchtend gewerkt. Zij heeft ook enkele fundamentele problemen voor de theorie en de praktijk opgeworpen, waar we nog mee worstelen. Maar men kan in deze worsteling niet eenvoudig terug, de zeventiende eeuw doorschrappen en weer opnieuw bij Calvijn of zelfs Luther (of — verder verschiet! — de oude kerk) beginnen. Een dergelijke onhistorische denkwijze zou ons duur te staan komen."

Toch vrees ik, dat deze en gene bij zichzelf begint en meent, dat de grote mannen van vroeger het toch allemaal mis gehad hebben. Men kan met z'n verstand en z'n natuurlijk geloof toch zover komen, meent men. Men komt echter niet verder dan de letter, waarvan Lodensteijn dichtte:

O Heer, bewaar ons voor de letter Die duizenden vermoordt — of zet er Het stempel op van Uwe Geest.

D.

L. V.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 april 1964

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De aanspraak: Gemeente des Heeren

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 april 1964

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken