Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Daama zal het einde zÿn

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Daama zal het einde zÿn

11 minuten leestijd

Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal teniet gedaan hebben alle heerschappij en alle macht en kracht; want Hij moet als Koning heersen; totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. De laatste vijand, die teniet gedaan wordt, is de dood. Want Hij heeft alle dingen Zijnen voeten onderworpen; doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, die Hem alle dingen onderworpen heeft; en wanneer Hem alle dingen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. 1 Cor. 15:24-28.

Alle dingtn onderworpen.

Het einde is niet het oordeel. Het einde is niet de onderwerping van alle heerschappij op aarde. Het einde is niet het te niet doen van de laatste vijand.

Hoe indrukwekkend dat ook zal zijn, als de Zoon het Koninkrijk zal overdragen aan de Vader, ook dat zal het einde niet zijn. Dit zal het einde zijn, de blijvende toestand, als alle macht weer in de handen van de Vader gelegd zal zijn en God alles zal zijn in allen.

Intussen gaan alle juist genoemde dingen aan dit eeuwig en heerlijk einde vooraf. Overdenken wij dat nu samen.

Als de apostel na de opstanding van Christus behandeld te hebben, gaat handelen over de opstanding der doden, in vers 35 en volgende, dan beschrijft hij eerst de voleinding van het Koningschap door Christus. Dat zal zijn. , , als Hij te niet gedaan zal hebben alle heerschappij en alle macht en kracht; want Hij moet als Koning heersen tótdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten gelegd zal hebben." Het Koningsschap, dat Christus als Middelaar draagt, kent een grens, kent een bepaalde tijdsduur. Ook al is Hem als zodanig, d.w.z. als Middelaar, alle macht gegeven in hemel en op aarde, dan sluit dat niet uit, dat deze macht Hem gegeven is voor een bepaalde tijdsduur. Naar Zijn Godheid maken de dogmatici daar altijd een onderscheid in. Dit is zeker, dat Hem als Middelaar gegeven is het drievoudig ambt van Profeet, Priester, Koning en dat deze ambten functioneren zullen, totdat de laatste uitverkorene zal zijn toegebracht, geleerd, geheiligd, beschermd en ingebracht. Zolang moet Hij ook als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten gelegd zal hebben. De vijanden zijn dan de satan en al zijn trawanten, de overste der duivelen en al zijn duivelen, dan de goddelozen. Deze zullen onder de voet van Koning Jezus getreden worden en zij zullen vertreden worden. Hoewel geveinsd, zullen zij zich aan Hem onderwerpen, nooit met lust, nooit met liefde, maar zij zullen erkennen, dat Hij de Heere is, de Koning, Die de Vader Zich gezalfd heeft over Zijn heilige berg. Het zal wel het laatste zijn, wat zij doen en zij zullen het ook het allerlaatste doen. Op de dag van Zijn uiteindelijke overwinning, op de allerlaatste dag. Geen dag eerder zullen zij Hem als Koning erkennen, alleen bij het vallen van hun allerlaatste stellingen. Dat wij er maar lering uit trekken en dat wij van de duivel en van de wereld maar nooit iets anders, iets beters, verwachten.

De Heere zal echter meer doen dan Zijn vijanden vertreden. Hij zal ook alle heerschappij, macht en kracht te niet doen. Sommigen menen, dat hier gedacht moet worden aan die heerschappij, die macht en kracht, die de duivel, de wereld en de zonde oefenen. Voorzeker zal die geheel te niet gedaan worden. Met hun onderwerping is het breken van hun heerschappij vanzelf gegeven. Maar anderen denken ook aan alle rang en gezag van staatshoofden, van regeringen, van koningen, keizers, van dynastieën. Die zullen hun aardse taken, die om der zonde wil, naar Gods algemene genade, ingesteld waren, volbracht hebben, en zij zullen ophouden. Daar zullen straks in het rijk der heerlijkheid andere verhoudingen ingesteld worden, niet meer om der zonden wil tot beteugeling van het kwaad, maar vanuit het loon der genade.

Ook alle kerkelijke gezagsverhoudingen zullen ophouden, zo las ik. Daar zullen niet meer nodig zijn apostelen, om de heidenwereld te nodigen, niet meer herders en leraars om het volk te onderwijzen en die het geweest zijn en die er velen gerechtvaardigd hebben, zullen blinken als het uitspansel. Zij zullen allen, gelijkelijk als schepselen voor God zijn, gelijk gedagvaard, gelijk geoordeeld en al naardat zij geoordeeld zijn, zullen zij het eeuwige leven beërven of de eeuwige dood verkrijgen. Als dan alle zondige heerschappij vallen zal, waar ook alle op zichzelf geoorloofde macht zal geslecht worden, dan zal dat zijn om het Koningsschap van Christus, dat dan alleen zal overblijven, vóórdat Hij het aan Zijn Vader overgeeft, in zijn volle hoogte en glorie te doen uitkomen. Hij moet als Koning heersen, totdat...

Het Koningsschap van God is in het paradijs door de mens ten val gebracht, zo dacht hij. Nu moet dit Koningsschap van God door de tweede Adam, Christus, in zijn enige luister, duidelijk voor aller oog hersteld worden. En dat zal zijn, als er geen spoor van macht meer over zij, dan dat van Christus, de tweede, de volmaakte, de gehoorzame Adam.

De laatste vijand te niet gedaan.

Deze vijand is de dood. Wij zouden denken, dat de dood te niet gedaan is, door de opstanding van Jezus Christus. De apostel heeft echter over de opstanding van Christus in dit hoofdstuk al reeds breedvoerig gehandeld en hij is nu voortgeschreden in zijn betoog tot de laatste overwinning, die te wachten staat en tot de opwekking der dooden ten laatsten dage. En in dit betoog heeft hij het over een andere, over een tweede overwinning over de dood.

Op Pasen is Christus overwinnaar geweest over dood en graf, als de Eersteling. Daar is de dood overwonnen, maar wat nu gebeuren gaat, dat is dat de dood te niet gedaan wordt. De dood is de laatste vijand. De zonde is de laatste vijand niet, want waar de engel des doods iemand grijpt, daar moet de zonde aflaten. De wereld is ook niet de laatste vijand, want waar de wereld iemand in de handen des doods ziet, daar heeft de wereld aan zo iemand niets meer. Ook de duivel, hoe gedachte vijand hij is, de laatste vij

and is hij niet. Na de laatste slagen van de satan, slaat de dood toch altijd de laatste slag.

De laatste vijand, de dood. Ook al is Christus opgestaan als Overwinnaar van de dood, ook al brengt de dood voor een christen het afsterven van de zonde en een ingang in het eeuwige leven, de dood moet toch ook elk christen sterven. Wat mens leeft er, die de slaap des doods niet eens zal slapen? En dan moet toch dat lichaam der zonde de bezoldiging der zonde ontvangen en de bezoldiging der zonde is de dood.

Christus Jezus mocht dan na drie dagen weer opstaan uit het graf en deze Heilige Gods mocht dan geen verderving zien, maar elk christen zal rusten in dat graf tot de morgen der opstanding, ach zo vele eeuwen. En elk christen ziet in het graf wel verderving. Daar is rouw, daar is droefheid, daar zijn vele tranen.

De dood is dus wel waarlijk een vijand, de laatste vijand, en niet de minste vijand. En de kerk zucht: , , Wie redt zijn ziel van 't graf, ai, help ons als tevoren."

Die bede zal verhoord worden. Hij, die de dood eens overwon, zal hem straks te niet maken. Alle vijanden zullen onder Jezus' voet gelegd worden, maar de dood zal te niet gemaakt worden. Daar zal niets van overblijven. Die zal in eeuwigheid niets meer te doen hebben, want de geestelijke en eeuwige dood, die hij toebracht, zal toegebracht zijn, maar niemand zal meer gedood kunnen worden met de lichamelijke dood, die hoe lang hij ook zal duren, dan toch slechts een tijdelijke dood zal zijn. De dood ook zelf zal te niet gedaan worden. De bijbel zegt: , , De dood zal niet meer zijn." Deze vreselijke macht, die sinds de zondeval zijn nooit aflatende werk gedaan heeft, die zal eens moeten stil houden en tot niet worden.

Maar ik zal als d'olijfboom groeien, In 't huis des groten Gods; Ik zal in eer en godsvrucht bloeien; God is mijn steun en rots. Op Zijne gunst, mij toegezeid, Vertrouw 'k in eeuwigheid.

Het Koninkrijk overgegeven.

Ten overvloede zegt de apostel Paulus er in het 27e vers bij: , , Want Hij (de Vader) heeft alle dingen Zijnen (d.i. van de Zoon) voeten onderworpen; doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft." Dat is duidelijk, dat de Vader niet aan de Zoon onderworpen is en ook niet onderworpen wordt. Even duidelijk is het, dat ook de Heilige Geest, welke Paulus hier niet noemt, niet onderworpen wordt. In God, in de Drieëenheid, zijn de dingen eeuwig dezelfde en blijven de dingen eeuwig dezelfde. Daar is nooit zonde in God geweest, niet in de Vader, niet in de Zoon, niet in de Heilige Geest. En daarom is er ook nooit een schaduw van verandering of ommekeer in God of in de drieëenheid Gods. Dit staat geheel buiten alle discussie. Het is openbaar, dat

God Zelf uitgenomen wordt, bij wat aan de Zoon onderworpen is.

Maar nu de zaak. In het eerste vers, het 24e, wordt gezegd, dat de Zoon het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgeven. God en de Vader, dat kunt u zo lezen: God namelijk de Vader, of God, komma, de Vader. Aan God, Zijn Vader, geeft Hij het Koninkrijk over. Men kan ook zeggen: Aan God, Die dan de Vader van de hele kerk, van het hele Koninkrijk zal zijn, geeft Hij het Koninkrijk over. Daar heeft God, Die de Vader van Adam was, het hele Koninkrijk, Zijn hele kerk en de hele schepping weer terug in volmaakte gehoorzaamheid, zelfs in tere kinderlijke liefde. En de Zoon heeft dit bereid, heeft het ten volle gered, zo gemaakt. Nu zijn alle staketsels, heerschappijen, machten, krachten, de duivelen, de zonde, de dood afgevallen van dit Koninkrijk en de Zoon geeft het over aan de enig en eerst rechthebbende, namelijk God, de Vader.

, , En dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft." Hier worden twee dingen gezegd, nl. dat de Vader alle dingen aan de Zoon onderworpen heeft, terwijl anderzijds gezegd wordt, dat de Zoon alle dingen aan Zich onderworpen heeft. Dat is hetzelfde. In de drieëenheid Gods doet de Eén nooit iets zonder de Ander. Heeft nu de Vader alle macht gegeven na Zijn opstanding aan de Zoon, alle macht in hemel en op aarde, een macht, die de Zoon zou oefenen om vanuit de hemel Zijn Kerk te vergaderen en te regeren en om het hele wereldbewind te doen uitlopen op een algehele onderwerping aan Zich, Zo zou de Zoon alles overgeven aan de Vader. En nu stemmen alle dogmatici en Schriftverklaarders van Gereformeerde overtuiging hierin over-een, dat de Zoon als Middelaar Zijn middelaarsambt onderwerpt aan Zijn Vader, Zijn middelaarswerk nederlegt voor de Vader. Het gehele Koninkrijk, zo roemt ook Openbaringen, is geworden onzes Gods! , , Nu heeft de Zoon het hele werk voltooid en nu kan de Kerk God, haar Koning, zonder deksel openlijk zien regeren en de mensheid van Christus zal niet meer tussen beiden wezen, om ons van breder aanschouwing Gods te verhinderen." Aldus spreekt Calvijn. Denkt hier maar eens diep op door en denkt dan ook aan dit woord: oh. 16 : 26 en 27 , , In die dag zult gij in Mijn naam bidden, en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u bidden zal; want de Vader Zelf heeft u lief, dewijl gij Mij liefgehad hebt, en hebt geloofd. dat Ik van God ben uitgegaan." En als de Kerk in heerlijkheid Hem, die op de troon zit, en het Lam, toezingt de lof, de kracht, de heerschappij en de aanbidding, dan heeft de Zoon met de Zijnen mede heerschappij in de hand des Vaders. Alleen de Middelaarsheerschappij houdt dus op.

En God zal zijn alles in allen. Het is blinde razernij om te menen, dat ook de goddelozen hier zalig gesproken worden. Wat van God in de goddelozen zal zijn, is de betoning van Zijn toorn, die eeuwig op hen zal rusten.

Het is even blinde razernij om te menen, dat ook de duivelen door God zullen worden aangenomen. Ook op hen zal de volle mate van Gods gramschap rusten, eeuwiglijk. Maar als God alles is, dan is Hij dat in de verkorenen des Vaders, in de gekochten door Jezus' bloed, in de geheiligden door de Heilige Geest. In hen zal Hij ook alles zijn. Hij zal hun Gód zijn en dat zegt alles.

K.a.Z.

W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 9 May 1964

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Daama zal het einde zÿn

Bekijk de hele uitgave van Saturday 9 May 1964

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken