Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET ONKRUID ONDER DE TARWE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET ONKRUID ONDER DE TARWE

12 minuten leestijd

En de oogst is de voleinding deiwereld en de maaiers zijn de engelen. Matth. 13 : 39b.

„Alle deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen en zonder gelijkenissen sprak Hij tot hen niet. opdat vervuld zoude worden wat gesproken is door de profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen, ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging der wereld."

Wat is het opmerkelijk, dat wij weinig in gelijkenissen spreken en dat wij ook weinig over de gelijkenissen prediken. Enkele ervan k omen zo regelmatig aan het bod, terwijl er toch minstens zo'n dertig in de bijbel staan. Komt dat omdat zij zo moeilijk te behandelen zijn? Dat wij ons zo gemakkelijk van de hoofdgedachte der gelijkenissen laten afvoeren tot bijgedachten, die tot vergeestelijking leiden? Laat ons maar liever de moeilijkheden trotseren en de verborgenheden van de grondlegging der wereld naspeuren. De gemeente heeft recht de hele bijbel te horen. Wij spreken over de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe en kiezen als onze tekst Matth. 13 : 39b.

Goed zaad en zijn Zaaier

Men moet deze gelijkenis niet verwarren met die van de zaaier, die u aan het begin van dit hoofdstuk vindt. Daar is het zaad het Evangelie of het Woord Gods. Hier zijn het zaad de kinderen van het Koninkrijk. Men moet ook niet denken, dat er tweeërlei mensen ter wereld komen, namelijk goede en kwade. Dat hebben de Manicheën abusievelijk uit deze tekst afgeleid. God zou dan een deel goede mensen geschapen hebben op de aarde, de duivel een deel kwade. God maakte Zijn uitverkorenen, die goed geschapen, maar door de zonde verdorven, door de kracht der wedergeboorte goed en de duivel maakt die goed geschapen zijn, door de zonde slecht en werpt hen op de akker Gods om door hen het goede zaad te verderven. Deze goede mensen zijn goed door de genade, die hun gegeven is, door het woord Gods, dat in hen gekomen is, door het geloof, dat hun geschonken is. Afgezien nu van het feit, dat zij zondaren zijn, aanvaarden zij toch het woord Gods en bewaren zij het woord Gods. Zij zijn de Godvruchtigen, die als de tarwe Gode vruchten dragen. De vruchtbaarheid is bij hen wel verscheiden, maar dertigvoudige vrucht dragen zij toch op zijn minst, zodat de genade Gods en het Woord Gods altijd overvloedig in hen is. Men mag van de kinderen van het Koninkrijk zeggen wat men wil, maar de vruchten van geloof en bekering zijn altijd in hen. Onkruid brengt nooit anders dan onkruidzaad voort, maar tarwe breng altijd tarwezaad voort.

Deze goede mensen worden gezaaid als tarwe in de akker der wereld. Verspreid, zodat nooit iemand op de plaats van een ander komt, verspreid zodat zij hier dik bezaaid zijn, daar hun bezaaid. En het is Christus Zelf, die hen zaait. Wel worden ook de proféten en de apostelen zaaiers genoemd, wel zijn ook de predikanten en evangelisten zaaiers, maar zij zaaien slechts het zaad des Woords. Christus wederbaart de Zijnen en plaatst hen op de aarde als de grote en wijze Zaaier. Hij doet dat als de Zoon des mensen, die hunner Eén.geworden is. Die met wijsheid een iegelijk hunner plaatst naar Zijn welbehagen. Afgezien van het feit, dat onder hen allerlei onkruid opschiet, toch is daar hun plaats. Niemand mag uit het feit, dat in de kerk onkruid opschiet, afleiden dat daar nu de plaats van de tarwe niet meer is. Zo redeneren slechts onvaste geesten, die separatistisch van aanleg zijn. In de grond van de zaak is de akker voor de tarwe, niet voor het onkruid. Of de tarwe daar nu dun staat of dik, of het onkruid daar nu dun staat of dik, de akker is voor de tarwe en de kerk is voor het geloof, niet voor het ongeloof.

Onkruid en de ergernissen

Als de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid midden in de tarwe en ging weg. Toen het nu tot kruid opgeschoten was en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid. Zo gaat de gelijkenis voort.

De duivel wordt hier vergeleken met een vijand van de landman. Dat is niet geheel naar het leven getekend. Men zal nauwelijks kunnen geloven, dat zulke dingen onder landbouwers geschieden kunnen, 'k Heb het slechts één keer meegemaakt, dat een boze man in een hooiland spijkers en allerlei metaal wierp om de maaimachine te vernielen en de hooioogst te bemoeilijken. Maar dergelijke wreedheden behoren onder de mensen tót de ongelofelijkheden en tot de zeldzaamheden. Wat echter onder de mensen nauwelijks mogelijk is, dat is maar al te waar in het Koninkrijk Gods. Zijn vijand, de duivel, is de vijand van Christus. Op zeer bescheiden wijze zegt in de gelijkenis de landman: , , Een vijandig mens heeft dat gedaan", zonder hem bij name te noemen en zonder een vermoeden uit te spreken. Wij doen goed niet de duivel te prediken, maar Christus. Wij doen goed niet al te veel aandacht en eer aan hem te geven. Hij is de vijand van God, van Christus, van het Koninkrijk, van de kinderen van het Koninkrijk. Het is bij hem: , , Mir nichts, dir nichts". Hij wordt verteerd van jaloezie, hij is de vijand van de kerk. Wat bij de mensen nauwelijks denkbaar is, dat is voor hem de gewone wijze van doen. Hij is de verderver. Als de mensen sliepen, heeft hij het onkruid gezaaid en ging weg. Altijd stiekum en zich altijd uit de voeten maken. Zijn werken zijn werken der duisternis en hij trekt het land door incognito. Hij heeft maar graag, dat men hem niet ziet en in hem niet gelooft. Des te zekerder kan hij zijn obscure werk doen.

Onkruid, dat zijn naar Jezus' woord de kinderen des bozen. En die komen voor in de akker der wereld, anders gezegd, die komen voor in de kerk. Zij staan midden tussen de tarwe. Het groeit op met de tarwe, het krijgt dezelfde zon, dezelfde regen. Het is wel te onderscheiden. In het opschieten en bijzonder in het vrucht dragen merken het de knechten. Want zij zeggen: Heere, hebt gij niet goed zaad gezaaid in uw akker? Vanwaar heeft hij dan dit onkruid? Met het kennersoog van de landlieden zien zij: Het is een andere plant. En 't is andere vrucht. Kinderen des bozen zijn te kennen hieraan, dat zij

het Woord Gods niet dragen en niet bewaren. Dat is niet in hen. De genade van Christus is niet in hen. Zij zijn hieraan te kennen, dat zij niet voortbrengen vruchten van geloof. Vandaag geloven zij dit niet, morgen geloven zij dat niet. Van ouds hebben de kinderen des bozen in de kerk aan elkander geregen een lange keten van ongeloof. Zo oud als de tarwe is, zo oud is het onkruid. Zo oud als het geloof is, zo oud is het ongeloof. Zij brengen ook niet voort vruchten der bekering. De kinderen des bozen bekeren zich nooit van hun zonden tot God. Verlaten zij al eens een zonde, na een tijd vallen zij er weer in terug. Verlaten zij al eens een zonde, zij nemen weer een andere aan. De kinderen des bozen nemen eerder toe in de zonde, dan dat zij er in afnemen. De bekering tot God, die kennen zij niet.

Toch moet gij er voorzichtig mee zijn. De landman zegt tot zijn knechten, dat zij het onkruid maar niet uit moeten trekken, opdat zij niet per ongeluk een goed zaad mee uittrekken. Het is dus niet altijd even duidelijk te zien. Het koren lijkt soms op het onkruid, maar het is het niet. Het onkruid lijkt soms op het koren, maar het is het niet.

Hieraan kunt gij ze kennen, de kinderen des bozen.

Zij geven ergernissen. Zij ergeren zich aan de waarheid van de bijbel. Zij ergeren zich aan Christus. Zij ergeren zich aan de kinderen des Koninkrijks. En zij geven ook ergernis. Zoals het onkruid de tarwe in de weg kan staan en in zijn groei kan belemmeren, zo doen het de kinderen des bozen. Zij propageren het ongeloof en trachten zo het geloof van anderen te verstoren. Zij propageren hun onbekeerlijkheid en trachten zo de anderen van de bekering terug te houden. Zij geven ergernis aan de knechten van de landman. Gods ware dienstknechten en God Zelf nemen een aanstoot aan de bozen en onbekeerlijken.

Dat vrij als groene telgen, De boze welig groei'; Gij zult, in zijne bloei, Voor eeuwig hem verdelgen. Niets stelt U immer palen, Gij zijt de hoogst' in macht; Gij zijt de Heer', Uw kracht Zal eeuwig zegepralen.

De oogst en de maaiers.

De oogst is de voleinding der wereld en de maaiers zijn de engelen. Ja, dat is een moeilijk ding, dat de oogst de voleinding der wereld is. De landlieden wilden vast aan het uittrekken. En zij kregen de vermaning dat niet te doen. Al is het dat het onkruid de tarwe verschraalt en benadeelt, laten staan, want er mag per ongeluk geen enkele korenhalm worden uitgetrokken. Zouden wij dat ook niet vaak willen? Het onkruid uit de kerk en het koren alleen er in? Een kerk van enkel wedergeborenen? Dat zijn bekende klanken van Jean de Labadie. Dat is altijd het bezwaar, dat tegen onze kerk wordt ingebracht en dan ook wel tegen elke kerk in te brengen is, in zekere zin. En hoe moet het dan met de kerkelijke tucht, die de Heere Jezus ook geboden heeft? Is het in onze kerk niet veel te veel: Laat groeien, wat groeit.

Calvijn zegt: „Wel behoren de herders zich onverdroten te beijveren om de kerk te zuiveren en hierin door alle vromen geholpen te worden, in zover als ieders roeping strekt. Stellen wij derhalve vast, dat Christus niets minder ten doel had, dan de onreinheid door toegevendheid voedsel te geven; hij wilde alleen de gelovigen aansporen om niet moedeloos te worden, als zij genoodzaakt zijn de bozen in hun midden te dulden." Zie daar hebt gij het. De tucht is een ander chapiter. Maar het geduld is er ook. En daar hebt gij de triumph van het Evangelie. Het koren groeit toch wel en een korenveld met onkruid blijft toch in het geheel bezien korenveld. En als gij soms wanhoopt, het onkruid groeit nog niet zo gauw boven het koren uit. En al zou het er boven uitgroeien, dan zit daartussen en daaronder verborgen toch het koren. Dat is de roem des Evangelies, dat is de roem der kerk, dat zij zal bestaan. Laat nu beiden te samen opwassen tot de oogst. En in de tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst het onkruid en bindt het in busselen om het te verbranden, maar brengt de tarwe samen in de schuur.

, , En de oogst is de voleinding der wereld; en de maaiers zijn de engelen." Daar komt een dag, dat de wereld voleindigd zal worden. Die dag komt zeker. Die valt wel samen met de volmaking van de maat der zonde. Maar zo stelt onze tekst het niet. Die ziet de voleinding zelfs niet in verband met het onkruid, maar met de oogst van de tarwe. Zien wij dat wel voldoende? Het gaat niet in de eerste plaats over de maat der zonde, die vol wordt, maar om de maat der kerk, die vol wordt. En op de oogst der kerk of die rijp is. Ziet dan deze gedachte. De laatste dag komt niet als de laatste toegebracht is! Maar de oogst wordt rijp. Daar is in de kerk zelf een'rijpingsproces. Tenslotte zullen de eeuwen, die over de kerk zijn gegaan, een werk gedaan hebben aan de kerk, die het laatste heerlijker zal maken dan het voorgaande. Laat mij u een bewijs geven. De apostel zegt van de N.T. gemeente ten aanzien van de O.T. gemeente: , , Opdat zij zonder ons niet volmaakt zouden zijn." Zo zullen de laatste dagen der kerk de oogst van vroeger dagen in hun rijpheid vertonen. En de oogst is de voleinding der wereld. En de maaiers zijn de engelen. Het oordeel is aan Christus gegeven. In zekere zin is het oordeel ook aan de leraren geschonken, want zij zullen met Hem over hun gemeente oordelen. Maar aan de engelen wordt verleend de gave van het scheiden. Zij zullen het onkruid saamvergaderen in busselen. Soort bij soort. En zij zullen het onkruid werpen in de vurige oven, daar zal wening zijn en knersing der tanden. En zij zullen de tarwe brengen in de schuur. Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het koninkrijk huns Vaders.

Wij staan samen op de akker der wereld, wij staan ook samen in de kerk. Hoe staan wij daar, als onkruid of als tarwe? De dag van de voleinding genaakt. Die komt zeker. En die komt ook spoedig. Rekenen wij daarmee? Het ongeloof zegt dat dat niet komt. Het ongeloof gelooft niet, dat het onkruid is. Het ongeloof erkent niet, dat zij kinderen des bozen zijn. En het gelooft niet aan het onuitblusselijk vuur. Gelooft gij dat maar wel en houdt u maar aan uw bijbel. Die liegt niet. Maar wat zal het voor u zijn in die dag, voor het vuur, of voor de schuur? Verblijdt u maar over de oogst, volk van God. Het gaat van dag tot dag naar de rijping van de oogst. Ziet, de velden worden zo langzamerhand wit om te oogsten. En straks dan zal het goudgele graan blinken als de zon in het koninkrijk uws Vaders. Dan geen kinderen der bozen meer en geen ergernissen. Dan heeft de Landman Zijn zin.

K.a.Z.

W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 14 November 1964

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

HET ONKRUID ONDER DE TARWE

Bekijk de hele uitgave van Saturday 14 November 1964

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken