Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GA EN HIJ GING NIET

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GA EN HIJ GING NIET

12 minuten leestijd

Maar wat dunkt u? Een man had twee zonen en gaande tot de eerste, zeide: Zoon! ga heen, werk heden in mijn wijngaard. Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna, berouw hebbende, ging hij heen.

En gaande tot de tweede zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer! en hij ging niet.

Wie van deze twee heeft de wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: de eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar zeg Ik u, dat de tollenaaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods. Want Johannes is tot u gekomen in de weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd; doch gij zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven.

Matth. 21 : 28-32.

Niet gewild en toch gedaan

In een twistgesprek met de Overpriesters en Ouderlingen over de macht van Jezus en Johannes de Doper, zet de Heere Jezus de Farizeeërs klem met de gelijkenis van de twee zonen, één van de scherpste uit al de leerredenen van de Heere Jezus. Wie gaarne een ontdekkende prediking hoort, kan hier terecht.

„Wat dunkt u? " Dat is de gewone aanhef van de rabbijnen in hun onderwijs. De Heere Christus voert de gewone redeneertrant van die dagen. Hij laat Zijn gehoor zelf beslissen. Zeg nu zelf maar, hoe het staat in het stuk der zaligheid, en dan zal Ik u uit uw eigen mond oordelen. Wat dunkt u?

Een mens had twee zonen. En dan gaat het hier over de overpriester en de tollenaar, de ouderling en de hoer. Wij willen niet alle trekken van de gelijkenis benadrukken en hieraan een hele verbondsbeschouwing ophangen. Even in het voorbijgaan echter: twee zonen! Beide kinderen des verbonds, beide leden der kerk: een goede zoon en een slechte zoon. De overpriester en de ouderling, achtenswaardig en getrouw < — de tollenaar en de hoer, onwaardig en ontrouw: de onder censuur gestelden. Er waren in Israël natuurlijk nog wel andere mensen ook, die noch overpriester of ouderling, noch tollenaar of hoer waren. Die worden hier buiten beschouwing gelaten. De dingen worden scherp op de spits gedreven, om duidelijk de tegenstelling te laten zien.

Twee zonen!

Beiden wordt de opdracht gegeven: ga heen, werk in mijn wijngaard! Weer niet buiten het spoor gaan. Het gaat niet over het doen van allerlei kerkelijk en Godsdienstig werk. In dat geval zouden de overpriester en de ouderling er best afkomen en de tollenaar en de hoer heel slecht. Neen, het gaat over de prediking van Johannes de Doper, het gaat over de bekering. Onder het werken in de wijngaard wordt verstaan het ingaan in het Koninkrijk Gods, over het werkzaam zijn onder zonde en schuld, het werkzaam zijn met genade en vergeving. Zoon, ga heen, werk heden in mijn wijngaard.

De eerste zoon antwoordt: Ik wil niet en daarna berouw hebbende gaat hij heen. Deze is de tollenaar en de hoer. Hij heeft de ernstige en doordringende prediking van Johannes de Doper gehoord, met zijn gebiedende eis: Bekeert u! maar hij heeft zich afgewend. Veel te zwaar! Zijn leven verlaten en in een nieuw Godzalig leven wandelen? Neen, dat gaat niet. Naar die prediker niet meer! De man zegt het eerlijk, maar met een vreselijke eerlijkheid: , , Ik wil niet!" Een vreselijke eerlijkheid voor die trouwe prediker, die 's mans eeuwig welzijn op het oog had. Zeer onbetamelijk tegenover hem: „Ik wil niet." Een vreselijke eerlijkheid tegenover God, Die de reddende hand biedt aan die man, om hem te verlossen. „Ik wil niet."

En dat waarom? Twee dingen had hij te lief: geld en zinnelijkheid. Hij wilde geld verdienen, als het kon eerlijk, maar als het moest ook oneerlijk. Wat doet een mens zonder geld? En ja, in de geldhandel der tollenaars, onder de beschutting van het Romeinse gezag, was wat te verdienen, veel te verdienen zelfs. En al moest daar dan het eigen volk voor afgeperst worden, dat was wel jammer, maar zaken zijn nu eenmaal zaken. En de burgerlijke wet schreef het nu eenmaal voor. Het mocht dus wel? ! En dat nu alles verlaten voor zo'n buitennissige prediker, die anders preekte dan de overpriesters en ouderlingen? Neen, dat wil ik niet. En dan de zinnelijkheid!

Hier wordt dan plat weg gezegd van hoeren. Maar een mens is toch mens. En daar zijn toch menselijke gevoelens en behoeften, die zich niet laten negeren. Bovendien prediken niet de gewone predikers, goede theologen, de overpriesters en de ouderlingen, dat men zijn vrouw zal verlaten en haar een scheidbrief geven? Als je nu persé niet bij elkander past, of niet van elkander houdt, dan is het toch groter zonde om bij elkander te blijven, dan elkander te verlaten? En wat nu gereglementeerd geoorloofd is, door theologen zelfs toegestaan is, waarom zal ik dat als zondig nalaten? Neen, wat Johannes eist, dat wil ik niet! En hij gaat heen... en doet wat hij wil.

, , Maar daarna berouw hebbende, ging hij heen."

Wat kan daar lange tijd liggen tussen dat , , ik wil niet" en dat „maar daarna". Wat kan daarin veel gebeuren, van wat de Heere in vers 31 signaleert. Misschien in die tussentijd nog wel eens naar de kerk en horen naar de overpriesters, die zeggen dat dit wel mag en dat dat nu eenmaal niet anders kan — in elk geval niet naar Johannes de Doper — en toch geen vrede: „Ik wil niet? !" Die ene preek van die ene man, die heeft nu net alles bedorven. Zo'n preek blijf je door alles heen horen, ook al ga je er nooit meer heen. Dat waren woorden, die je niet loslaten, soms wel, maar doorgaans niet. Bekeert u, bekeert u. Zachte woorden, maar zulke indringende woorden.

Als God Zijn woord in het hart laat vallen, dan laat dat niet los. „Ga heen en werk in mijn wijngaard, heden!" Heden, hoe lang is dat nu al weer geleden? Werk... en niets gedaan. In mijn wijngaard en waarin ben ik terecht gekomen? En dan komt het, dat berouw. Wat heb ik gedaan? Of liever, wat heb ik niet gedaan? Wat heb ik verzuimd? Wat heb ik wél durven doen? En wat heb ik durven zeggen? En hij ging heen. 't Was wel laat, maar niet te laat.

Gaat het zo niet menigeen? Over hoe lange tijd moet hij berouw hebben, die hij verzuimde bezig te zijn in de dingen van Gods Koninkrijk? Hoe lang heeft hij het uitgehouden met woord en daad te tonen.

dat hij niet wilde? En nu zegt de Heere: Ga heen, werk heden in mijn wijngaard, m.a.w. verlaat de zonde en weest werkzaam in de dingen van Gods Koninkrijk, te weten: weest bezig met genade en zondevergeving, met het doden van de oude natuur, om in een nieuw, onstraffelijk leven te wandelen. Dat „ik wil niet", zo vermetel uitgesproken, wat komt ons dat duur te staan. Gelukkig wie daar berouwvol op terugkomt.

Wel gewild en niet gedaan

„Tot de tweede zegt de man uit de gelijkenis hetzelfde en deze antwoordt: Ik ga, heer, en hij ging niét." De overpriesters en de ouderlingen schijnen in het begin de prediking van de Doper met graagte aanvaard te hebben. Hun antwoord is hetzelfde geweest, wat Abraham tot God gezegd heeft: Zie, hier ben ik! Zij meenden: Daar was een profeet opgestaan, als vroeger. Preken? Nooit zo gehoord! De eis der bekering algemeen, zonder aanzien des persoons. Een boetgezant, die ook het oordeel aanzeide. Geen schipperen: alles of niets. Dat was deze Farizeeën recht naar de zin. Alles of niets. Het mocht dan bij de tollenaar of bij de hoer niets zijn, bij de Farizeeër zou het alles zijn. Daar mankeerde waarlijk al niet zoveel aan. De waarheid van Gods woord, daar was hij voor. Een goede rechtzinnigheid, daar was hij voor. Een nauwgezette wandel, daar was hij voor. Ik ga, Heere, ik ga. Alleen die eis der bekering, geldt dat bij dat kleine beetje zonde, dat ik heb, óók? Dat nu zo'n tollenaar of zo'n hoer zich moet bekeren, begrijpelijk. Maar bij mij mankeert er toch niet alles aan? Alles of niets, dat is toch wel wat kras! Komt bij mij alles nu op niets te staan, tenzij dan door bekering? Zonde en genade: daarmee bezig zijn. Moet ik dan zoveel genade hebben, louter genade? Moet ik mij dan bekeren van mijn rechtzinnigheid, van mijn nauwgezette wandel? Heb ik dan niets dan zonde? En zijn mijn gerechtigheden blinkende zonden? Dat is toch wel wat veel gevergd. Wij hadden gedacht, dat Johannes de Doper „onze" man was, onze profeet, nu is hij zowel tegen ons, als tegen de tollenaars. Als men voor dit werk komt te staan: zondaar worden voor God en zijn gerechtigheid buiten zichzelf in Christus Jezus zoeken, een evangelie zo nodig voor farizeeërs als voor tollenaars, zo nodig voor ouderlingen als voor hoeren, dat is te bar.

En daar hebt gij dan dat: ...en hij ging niet. Als gij de eis der bekering bij voorbeeld voor een Avondmaalganger te erg vindt, dan hebt gij onwaardig gegeten en gedronken.

Welzalig hij, die in der bozen raad Niet wandelt, noch op 't pad der zondaars staat, Noch nederzit, daar zulken samenrotten, Die xoekeloos met God en godsdienst spotten; Maar 's Heeren wet blijmoedig dag en nacht Herdenkt, bepeinst en ijverig betracht.

Gans anders is 't met hem, die 't kwaad bemint. Hij is als 't kaf, dat wegstuift voor de wind; Geen zondaar zal 't gewis verderf ontkomen. Als in t gericht door God wordt wraak genomen: Hij, die van deugd en godsvrucht is ontaard. Zal niet bestaan, daar 't vrome volk vergaart.

Voorgegaan en niet gevolgd

„Wat dunkt u? Wie van deze twee heeft de wil des Vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: de eerste."

En wat dunkt u? Wat zegt u? U zult wel niet anders kunnen zeggen dan de eerste, maar of uw hart dat mede zal zeggen, dat is een tweede vraag.

En dan zegt de mond der waarheid: „Voorwaar zeg Ik u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods. Want Johannes is tot u gekomen in de weg der gerechtigheid en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven." Met dat krachtige „Voorwaar" zegt de Heere Jezus, dat tollenaars zullen voorgaan. Dat wil niet zeggen, dat zij er nog éérder zulen komen, of een eerdere plaats innemen, maar het wil dit zeggen: Zij zullen er komen en u niet. Zij zullen ingaan en u zult uiten blijven.

Wat een zijdelingse troost voor boetvaardige zondaars, die eerst zeiden: „ik wil niet" en die daarna berouw hebbende toch gingen. Dit geldt elk, die ingaat tot de wijngaard, d.w.z. die ernst gaat maken met zondebelijdenis en met genade te zoeken. Gij komt onherroepelijk bij de zondaars terecht, maar zult ook weten, dat genade niet iets is, waarop de zonde kan blijven tieren en leven. Zijdelings wordt aan hen, die op hun deugd, vroomheid, rechtzinnigheid, getrouwheid in het gaan ten Avondmaal of in het afblijven van het Avondmaal bogen, gezegd, dat zij niet zullen ingaan.

„Want Johannes is tot u gekomen in de weg der gerechtigheid en gij hebt hem niet geloofd." In de weg der gerechtigheid, dat wil zeggen: het recht Gods, dat Hij heeft op aller leven, dat geldt voor aller leven gelijkelijk. Op die gerechtigheid heeft de zondaar maar één woord: „Ik wil niet", en daarop heeft de vrome zondaar tenslotte ook één woord: „En toch wil ik ook niet." De goddeloze mens wil niet tot zondaar verklaard worden, en de vrome mens wil dat ook niet, de laatste nog het minst.

„En gij hebt hem niet geloofd."

Dat geloven wij niet eerder, of het moet beslag op ons hart krijgen. Wij moeten daarvoor vallen. Ik ben die man. Nu heeft de farizeeër nog één ding voor op een tollenaar. God besteedt aan de eerste dubbele zorg. De tweede zoon heeft altijd nog het voorbeeld van de eerste zoon voor ogen.

„Doch gij, zulks ziende, hebt geen berouw gehad, om hem te geloven." U ziet wel dat de eerste zoon ingaat, maar volgt noch het woord van Johannes, noch der oudste broeder. Uw hart is te hoog om met een tollenaar en met een hoer, die zich bekeren, op één rij gezet te worden. Gij stoot u aan de mensen, die wel ingaan, die voorgaan, omdat gij diep in uw hart èn Johannes verwerpt èn Jezus. Geen berouw om hem te geloven, geen berouw om Hem te geloven.

Wat dunkt u: de eerste èn de tweede? Wat dunkt u: de eerste óf de tweede?

Tenslotte: nog twee vragen kunnen bij u leven! Tollenaars en hoeren — overpriesters en ouderlingen. Maar zit daar niets tussen? Is dit niet gevaarlijk? Als dan alleen grote zondaars zalig worden, zullen wij dan ook de zonde maar niet doen? Inderdaad is er tussen deze beide een grote groep mensen. En deze grote schare wordt beheerst door twee beginselen: óf ik ben te goed voor genade, óf genade is juist nodig voor mij! Begrijpt ons goed. Het zou met bijbelse voorbeelden te staven zijn, dat er óók hoeren en tollenaars zijn, die zich te goed voelen voor genade en dat er óók farizeeërs, overpriesters en ouderlingen zijn, die bij alle rechtschapenheid zich klein, nederig, schuldig voor God leren kennen, die Johannes wèl leerden geloven in de weg der gerechtigheid.

En de tweede vraag is deze: Moet ieder persé eerst een tijd hebben, waarin hij zegt: Ik wil niet? Kan iemand ook zeggen: „Ik wil wel" — en hij doet het? En nu zeggen wij u een geheim: Die door genade „willen", hebben juist zoveel last van hun „onwil". Het zijn zij, die verstaan: „Als ik het goede wil doen, dan ligt het kwade mij bij."

Weerhoud, o Heer', Uw knecht. Dat hij zijn hart niet hecht' Aan dwaze hoovaardij! Heerst die in mij niet meer, Dan leef ik tot Uw eer, Van grote zonden vrij. Laat U mijn tong en mond, En 's harten diepsten grond Toch welbehaag'lijk wezen; O Heer', die mij verblijdt. Mijn rots en losser zijt! Dan heb ik niets te vrezen!

Zw.

W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 januari 1966

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

GA EN HIJ GING NIET

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 januari 1966

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken