Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GELIJK DE SLANG VERHOOGD

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GELIJK DE SLANG VERHOOGD

11 minuten leestijd

En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Joh. 3 : 14 en 15.

Christus verhoogd

U kent de geschiedenis uit Numeri 21, de geschiedenis van de oprichting van de koperen slang tot genezing van het door een slangenplaag geteisterde volk. De grote prcfeet van het Oude Verbond geeft voor het laatst nog een profetie van de komende Christus en van diens werk en in deze profetie, in dit teken, tegelijk redding voor zijn volk. Het is ook de laatste daad van Mozes voor diens dood. In 1 Corinthe 10 : 9 zegt de apostel Paulus: , En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield." Hier wordt dus de zonde van wederspannigheid teruggebracht tot een verzoeken van Christus. De zonde is altijd een zonde tegen het recht Gods, want God heeft er recht op, dat wij Hem gewillig en - nederig volgen zouden. De zonde is ook altijd een zonde tegen de genade Gods, want Gods wegen zijn vol van barmhartigheid. Nu is de genade Gods zo groot, dat Hij, Die gekrenkt werd, Die ook straffen gegeven heeft naar die zonde, tegelijk Zichzelf tot redding en tot behoud gegeven heeft. Het redmiddel toont de gedaante van het tuchtmiddel. Tuchtmiddelen waren de slangen, het redmiddel wordt ook een slang, een koperen slang, verheven op een steng. De zonde wordt ook altijd in verband gebracht met de slang, met de duivel. Daar komt zij ook vandaan. In de Spreuken leest gij, dat de zonde en haar verlokking in haar einde zal bijten als een slang. In het begin van de Bijbel, Genesis 3, komt het kwaad van de slang, die de verleider was van den beginne. En door heel de bijbel heen tot Openbaringen toe, vinden wij deze figuur van de slang terug. Vandaar ook de plaag der slangen in de woestijn, vandaar ook het teken van de slang, verhoogd op een steng.

Hier wordt Christus verhoogd als die slang in de woestijn. En Hij had niets aan Zich van de slang, maar in tegendeel alles aan Zich van de oprechtheid der duiven. Toch laat Hij Zich verhogen als de slang, omdat Hij zonde voor ons gemaakt is, opdat wij zouden zijn rechtvaardigheid Gods in Hem. Jesaja zegt van Hem, dat Hij de onwaardigste onder de mensen geacht is. Zonde voor ons gemaakt. Hij neemt de zonde in zich op, de beeltenis van de zonde, de vloek der zonde. Hij wordt door de Farizeeën Beëlzebul geheten en wordt als een Godslasteraar, als een belichaming van de zonde, Gode gehangen tot een vloek. In onze tekst wordt Christus dan ook genoemd de , , Zoon des mensen". Niet een Zoon van een mens, maar de Zoon van de mens, exemplarisch. Zoals de mensheid in haar staat is, geheel zondig, zo wordt Hij hunner één en zo wordt Hij de Zoon van de zondige mensheid, de Enige, geheel voortbrengsel van die zondige mensheid, op Wie al de zonden van het menselijk geslacht geladen werden. En Hij wordt opgeheven van de aarde, uitgeworpen, zodat Hij als het type van de zonde wordt voorgesteld. Als de slang!

En hierin is nu juist het behoud, dat de zonde wordt weggedragen van de aarde, dat de vloek wordt weggedragen van de aarde, dat niet de Christus de nederlaag lijdt, maar dat de slang, de oude slang, de oorzaak der zonde, de nederlaag lijdt. Als Christus verheven wordt van de aarde, dan dan wordt eigenlijk de slang, de satan verheven van de aarde, uitgebannen, als één, die Gode een vloek geworden is. Dat is het werk van Christus. In het vorige vers wordt gehandeld over de hemelvaart. Over dit kruiswerk heen baant Christus de weg naar de hemel, naar het hemelse Kanaan. Als Mozes de slang verhoogt, dan gebeurt dat voor de grenzen van Kanaan. Hij verschaft het volk, dat ten dode gebeten is, het leven, opdat het voor de grenzen van Kanaan niet sterven zou, maar leven en het goede land beërven. Zo verschaft Christus in de poorten des doods het leven, waar de dood verdiend was. Zo verschaft Christus de toegang tot het land der rust, waar het ingaan door dodelijke beten als uitgesloten beschouwd moest worden.

Calvijn meent, dat dit verheven worden van Christus niet zozeer ziet op de verheffing van Christus aan het kruis, als wel op de verheffing in de Evangelieverkondiging. Overigens ziet wel vrijwel elke Schriftverklaarder hier op de verheffing aan het kruis. Dit is zeker, dat het werk van Christus, dat Hij deed als de verheven slang in de woestijn, waard is hoog verheven te worden, opdat elk het zie. Laat het verheven worden in de woestijn des doods, waar de duizenden liggen, die door de zonde van de oude slang, de satan, gebeten, zekerlijk sterven moeten. Laat het verheven worden, opdat het wijd en zijd gezien worde. Daar is hulpe besteld bij een Held. Daar is hulpe besteld tegen de zonde, tegen de straf der zonde, tegen de dood. Daar is maar één slang verhoogd. Daar is ook maar één redmiddel in Christus. Hoog dan verheven Zijn naam. Hoog dan verheven Zijn banier. Hij draagt ze boven tienduizend, kranken ten dode toe!

Het geloof in Christus

Christus moet verhoogd Worden, opdat men in Hem gelove. Ook in het teken, dat opgericht werd in de woestijn, moest men als een teken geloven. Dat was intussen wel wat voor dat gebeten volk. Vooreerst is een opstandig volk, dat om zijn opstandigheid geslagen werd, niet zo maar in eens aan geloven toe. Het was toen zij de grote omweg om Edom moesten maken, nadat zij van Harad naar de Schelfzee waren teruggeleid, dat zij verdrietig waren over deze lange weg en over het zeer lichte brood en over het water. Om dan zo van de opstandigheid en het murmureren tegen God over te schakelen in het geloof, dat is niet zo'n eenvoudige zaak.

Dan stierf er reeds veel volk bij hen. Als nu de dood er duizenden wegmaait, als bij een epidemie, om dan geloof te oefenen, dat er voor iemand zelf behoud te vinden zal zijn, dat is ook een ding van

gewicht. Wie zal dat geloven als alles sterft: „Maar ik zal leven." Moedeloosheid en hopeloosheid zijn grote vijanden van het geloof. Waar die heersen, daar komt het geloof niet op.

Dan ook was dat volk één en allemaal van grote koorts en ziekte bevangen door de beten van de vurige slangen. Als er dan zo'n brandende koortshitte door de aderen jaagt, hoe zal men dan het moede hoofd oprichten, temeer, waar de slangen niet van hen weken. Als iemand zo de dood en de gevaarlijke slangen blijvend rondom zich ziet, wie zal dan het hoofd van die slangen en van die wonden opheffen naar de opgeheven koperen slang?

Dan: wat is er te verwachten van zo'n koperen ding, waar toch geen leven of kracht in zit. Israël heeft later die slang wel verafgood, maar toen had hij zijn wonderen gedaan. Maar nu moest hij zijn eerste wonder nog doen. Dit alles bijéén genomen, begrijpt ge, dat hier geloof geoefend moest worden, echt geloof.

Zo nu is het evenzeer bij Christus.

Als Hij als de Zoon des Mensen verhoogd moet worden, dan is er voor een zondaar wat toe nodig om in Hem te geloven. Als de dood alle vlees aangrijpt en verslindt, wie zal dan geloven: „Maar ik zal leven!" Als een mens de dodelijkheid van zijn zonde en van de straf der zonde inziet en ervaart, wie zal dan het hoofd opheffen en geloven: „Nochtans, hoewel ik het veelszins verdiend heb om te sterven en niet te leven, zo zal ik nochtans leven en niet sterven." Om dat te geloven, terwijl de dood, als de bezoldiging der zonde in hem woelt, dat is een wonder, dat is het wonder van het geloof. Om op zo'n koperen slang te zien en daar wat van te verwachten, dat is een groot geloofsstuk. Om op Christus te zien, die gevloekt was, die als een zondaar stierf (Zoon des mensen), dat is een even groot geloofsstuk. „Niets was er aan Hem, dat wij Hem zouden begeerd hebben", zegt de profeet. Nu is dit het wonder des geloofs: zo men van een stervende Jezus het wonder der behoudenis verwacht. En dan dat „zien". Is dan één blik voldoende? Ja, één blik is voldoende. Dan immers is zo'n blik een geloofsblik. Dan ligt in zo'n blik een belijdenis van al zijn schuld, van al zijn zonde, een klacht van al zijn koorts, van al zijn pijn, van al zijn nameloze vrees voor de dood en het oordeel. Maar dan ligt er ook in die blik een geloofsbelijdenis: „Gij kunt helpen, Gij alleen! Gij zijt machtig, Gij alleen! Gij genadig, Gij veel meer genadig, dan dat ik U schuldig ben!" Wie zo op Christus ziet, hij zal behouden zijn.

O God, verlos mij uit de nood En red om Uwe naam mijn leven; Mijn rechtzaak zij aan U verbleven. Och of Uw arm mij bijstand bood! O God, sla acht op mijn gebed, Neig tot mijn rede gunstig d' oren, En wil mijn bitt're klacht verhoren. Zo word ik uit de angst gered.

Het leven door Christus

„opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe."

U begrijpt, hoe dat volk van Israël in de woestijn voor een groot deel reeds door de dood verslonden was en hoe een ander deel van het volk door de dood bedreigd werd. Dat slangengif werkte in hun bloed. Wat zij voor ogen hadden, dat was het verderf, een wis verderf. En als een volk nu zo onder de toorn Gods, onder de roede Gods sterft, wat heeft het dan bij de dood en na de dood te verwachten?

En nu komt het wonder van de genade bij die Christus, Die als de slang verhoogd wordt, aan het kruis en in de prediking. Hij wordt verhoogd als die slang, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve. Dit is het grootste Evangelie in de kleinste maat. Hier is het woord der verzoening in miniatuur.

Niet verderven. Voor Israël in de woestijn: geen koorts, geen giftige doorwerking van een slangenbeet in het vlees, geen doodsnood meer, geen sterven meei*, maar straks ingaan in het Kanaan, dat beloofd was, in het Kanaan der rust. Voor het volk Gods uit het Nieuwe Verbond: de zonde te niet gedaan, zonde tegen het recht Gods, zonde tegen de genade Gods, zonde tegen de wet, zonde tegen het Evangelie, zonde tegen God, zonde tegen de naaste; de schuld te niet gedaan, zodat het geweten bevrijd wordt van alle beschuldiging, van alle pijn; de vreze des doods weggenomen; de dood zelve te niet gedaan; de toorn Gods, die eeuwig op ons rusten moest, te niet gedaan. Zo keert dan alle verderf, dat reeds voor de deur stond, dat reeds in hen woelde, zich in eens van het volk, dat in Hem gelooft, af. Niet verderven in dit leven. Niet verderven bij het levenseinde. Niet verderven in der eeuwigheid.

Hier is dan inderdaad het woord der verzoening in miniatuur.

„Maar het eeuwige leven hebbe." Israël stond voor de grenzen van Kanaan. Het gespaard worden uit de slangenbeten betekende voor hen zoveel als in Kanaan ingaan. Kostelijk goed. Heerlijk goed: de dagen vermeerd en de erfenis zien. Maar ook daar wachtte Israël toch nog, toch weer de dood. Dat is echter anders voor wie door het geloof op de Zoon des Mensen ziet, als Hij verhoogd werd aan het kruis en in de prediking. Die zal leven, al ware hij ook gestorven. Die zal leven in eeuwigheid. Dan wacht het Kanaan der eeuwige rust. Hij zal dat leven hebben en houden. In dat land niet slechts een overvloed van melk en honing, maar in dat land een overvloed van gunst. Dat land wordt wel genoemd Immanuëls land. Dit zal het eeuwige leven zijn, dat zij daar Hem kennen, de enige en waarachtige God, en Christus Jezus, Die God gezonden heeft. Hij, Die verheven werd op het kruis, Die verheven werd in de prediking, dan verheven in de hoogste heerlijkheid.

Wij gaan nu eindigen.

Die in de woestijn, wel gebeten en ziek, en aan de dood overgegeven, niet opzag naar de slang, is wel gestorven en heeft Kanaan niet beërfd. Hun gold: wel verderven. Die nu hier, eveneens gebeten, en ziek en ten dode opgeschreven, niet opziet tot Christus, die zal èn sterven, èn verderven, èn het eeuwige leven niet hebben.

Zw.

W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 maart 1966

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

GELIJK DE SLANG VERHOOGD

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 maart 1966

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken