Bekijk het origineel

KLEINE KRONIEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

KLEINE KRONIEK

11 minuten leestijd

De zondag in geding

In De Wekker heeft ds. J. H. Velema enkele artikelen geschreven over de zondag. Dit is een onderwerp dat zeker de aandacht van ons allen mag hebben. Ook ik heb reeds verschillende malen in deze rubriek gewezen op de gevaren die ons bedreigen doordat de veranderde opvattingen over de zondag en de zondagsrust steeds meer invloed gaan krijgen. In de loop van de laatste jaren is er wel een geheel andere waardering van de zondag gekomen, waarbij men het vierde gebod van de wet des Heeren geheel en al heeft losgemaakt van de zondag. Ik wil niet tegenspreken dat sabbat en zondag niet met elkaar gelijk gesteld kunnen worden, maar wanneer men elk verband tussen deze twee verbreekt, waar komt men dan uit? En toch gebeurt dit in onze tijd maar al te vaak. Maar ik keer terug naar De Wekker. Daar geeft ds. J. H. Velema een samenvatting over de meningen in de Christelijke Gereformeerde Kerken:

„Hoe wordt in onze kerkelijke kring gedacht over de zondag? Kerkelijke uitspraken over deze materie hebben wij niet, behoudens enkele bepalingen, die leden uitsluiten, die bepaalde zondagsarbeid verrichten, waarover we reeds schreven. Maar hoe is de theologische bezinning over de zondag? Uiteraard zijn we bij de beantwoording van deze vraag aangewezen op persoonlijke uitingen van onze theologen, die uiteraard geen bindende kracht hebben, maar wel inzicht geven in de stand van de opvattingen op dit punt.

Ik weet niet of onze lezers een goed geheugen hebben en zich nog herinneren dat ruim vier jaar gëleden prof. Kremer in ons blad een serie artikelen heeft geschreven over het onderwerp „De dag des Heeren". Het is natuurlijk niet de bedoeling om te herhalen wat in deze artikelen is geschreven. Drie elementen uit deze artikelen zijn m.i. van belang voor ons onderwerp.

Het eerste element is de gedachte dat er met de komst van Christus een geheel nieuwe orde van zaken is aangebroken. De allesomvattende betekenis van het nieuwe verbond werkte zodanig door, dat men los kwam van de Joodse sabbat en overging op de viering van de dag der opstanding van Jezus Christus als de bijzonder geheiligde dag des Heeren. „Nergens in het N.T. valt echter aan te wijzen dat men het vieren van de eerste dag zag tegen de achtergrond van het vierde gebod. Men leefde uit de geheel nieuwe orde, waarin alles nieuw was geworden. Wie toch vast wilde houden aan de ordeningen van het oude verbond, wordt ernstig vermaand dit niet te doen."

Een tweede opmerkelijke zaak, die misschien aan verschillende lezers is ontgaan, is de historische notitie dat men in de eerste christelijke tijd niet kende de rust op de eerste dag van de week, zoals wij die kennen en die een stempel legt op heel het leven. Men zag de dag des Heeren als de bijzondere dag voor de gemeente van Christus. Voor zonsopgang hield men op die dag de eerste samenkomst en na zonsondergang kwam men samen tot de viering van het Avondmaal, maar op de dag zelf ging het werk en het leven geheel door als op andere dagen.

Het derde element komt in het slotartikel uit de reeks aan de orde: tussen schepping en voleinding staat de dag des Heeren als een getuigend teken, hetgeen naar verschillende kanten wordt uitgewerkt. „Juist omdat deze dag zo rijk is, dienen wij te beseffen dat verval in de onderhouding daarvan onvermijdelijk ontgoddelijking van het leven meebrengt in alle verbanden." Een laatste zin: „Nu zich al omvangrijker een devaluatie van geestelijke waarden voltrekt, dient de noodzaak van de bewaring van het rijke pand oils gegeven in de dag des Heeren duidelijk beseft te worden."

Tenslotte zou ik willen wijzen op de opmerking van prof. dr. Oosterhoff in zijn artikel „Hermeneutiek van de wet" in het Jaarboek 1965. Hij zegt daarin dat niets er op wijst — gegeven Ex. 34:21 — dat de twee daar genoemde feesten tijdelijk zijn en de sabbat eeuwig is. De sabbat onder Israël is een verdwijnende en voorbijgaande vorm. Het lijkt hem dan ook onjuist om van de sabbat als een scheppingsordinantie te spreken. „Gen. 2 : 3 behoeft in het geheel niet te betekenen dat de sabbat bij de schepping is ingesteld of dat ze in alle eeuwen door alle volken moet onderhouden worden." Een rechtlijnig beroep op de Oud-Testamentische sabbatsteksten — b.v. Jes. 58 — met betrekking op onze zondag is dus misplaatst." —

Ik kan me toch in deze opvattingen niet vinden,

daar dan immers het vierde gebod van de wet des Heeren geen zin meer heeft voor ons. Dat kunnen we dan beter schrappen wanneer de wet voorgelezen wordt in de' kerkdiensten.

Voor alle tijden en voor het gehele menselijk geslacht

Beter kan ik me vinden in hetgeen Calvijn opmerkt bij Genesis 2:3. Ik neem hier enkele gedachten van hem over:

„God nu zegende de zevende dag. Derhalve heiligt God de zevende dag door die te verheffen, opdat hij met een bijzonder recht onder de andere zou uitmunten. Hieruit blijkt ook dat God altijd rekening houdt met de mensen. Boven heb ik gezegd, dat zes dagen besteed zijn aan het scheppen der wereld, niet omdat God de opvolging van tijd nodig had, want voor Hem is een ogenblik gelijk aan duizend jaren, maar om ons te bepalen bij de beschouwing zijner werken. Hetzelfde doel beoogde Hij met zijn rust, want Hij bestemde een dag, uit de overige genomen, tot dit bijzonder doel. En daarom is die zegening niets anders dan de plechtige wijding, waarmee God zich de neigingen en bezigheden der mensen op de zevende dag toeeigent. Wel past ons deze beschouwing gedurende bet gehele leven, en hebben wij ons dagelijks te oefenen om de grote goedheid Gods, zijn rechtvaardigheid, kracht en wijsheid in deze grote schouwplaats van hemel en aarde op te merken. Doch wijl de mensen, soms minder ijverig dan billijk is, daarop zouden letten, is de zevende dag bijzonder uitgekozen om aan te vullen wat aan de voortdurende beschouwing ontbreekt.

Eerst dus heeft God gerust, vervolgens heeft Hij die rust gezegend, opdat ze door alle eeuwen onder de mensen heilig zou zijn, of liever, elke zevende dag heeft Hij aan die rust gewijd, opdat zijn voorbeeld een eeuwigdurende regel zou zijn... Kortom, die is de heilige roeping, die de mensen aan de beslommeringen der wereld ontrukt en hen geheel aan God toewijdt. Maar omdat de mensen zo traag zijn om Gods rechtvaardigheid, wijsheid en kracht te roemen en zijn weldaden te overdenken, dat zij, schoon ernstig vermaand, toch gevoelloos zijn, is door het voorbeeld Gods een sterke prikkel erbij gevoegd en het bevel aangenaam gemaakt. Want God kan ons niet vleiender lokken tot gehoorzaamheid, noch krachtiger opwekken dan doordat Hij ons nodigt en aanspoort om Hem na te volgen. Voorts moet men weten dat deze oefening niet slechts voor een tijd of volk, maar voor het gehele menselijk geslacht is. Later is in de wet een nieuw voorschrift over de sabbat gegeven, dat in 't bijzonder was voor de Joden en wel voor een tijd, want dit was een wettelijke plechtigheid, de geestelijke rust afschaduwende, waarvan in Christus de werkelijkheid is verschenen... En daarom als we horen, dat de sabbat met Christus' komst is afgeschaft, moet de onderscheiding worden toegepast, wat behoort tot de blijvende regeling van het menselijk leven en wat eigen is aan de oude schaduwen, welker gebruik is afgeschaft toen de vervulling is gekomen. De geestelijke rust is de doding des vleses, zodat de kinderen Gods niet meer zichzelf leven, noch aan eigen wil toegeven. Dat de sabbat deze afschaduwde is tijdelijk geweest, hetgeen echter de mensen van den beginne was bevolen, n.1. zich te oefenen in de dienst van God, behoort rechtens tot het einde der wereld te duren." —

De rust van de zondag is iets anders derhalve dan de wettelijke onderhouding van de sabbat der Joden, maar de rust van de zevende dag is naar het voorbeeld Gods en is door de Heere in Genesis 2 : 3 zelf gegeven.

Voorlopige conclusies

Ds. J. H. Velema geeft enkele voorlopige conclusies na zijn beschouwingen over de zondag:

„Als we het geheel overzien met betrekking tot de stand van zaken op het punt van de zondag kunnen we enkele voorlopige conclusies trekken.

Allereerst: na de strenge bepalingen ta.v. de onverenigbaarheid van het kerklidmaatschap met het verrichten van allerlei zondagsarbeid komen er ook in onze kerken, tengevolge van de veranderde maatschappij, waarin wij leven, allerlei vragen t.a.v. zondagsarbeid waarbij speciaal gedacht wordt aan de industrie. v

Ten tweede: er is in onze kerken een verzet en een besef van gevaarlijke afglijding naar de verwereldlijking van hel leven bij de invoering van de glijdende werkweek.

Ten derde: gezien de zich opdringende praktijk

is er de neiging het terrein van de noodzakelijke zondagsarbeid uit te breiden; niet wegens mindere waardering voor de zondag, maar wel vanwege de veranderingen, die zich alom voordoen en die in deze tijd een andere houding vragen dan in vroeger jaren, toen in het kader van die tijd noodzakelijke zondagsarbeid ook geen bezwaar ontmoette.

Ten vierde: er is in onze kerken een begeerte om de zondagsarbeid af te wijzen uit verschillend motief: uit het wettische motief, dat de zondag ziet als de Nieuw-Testamentische sabbat of uit het evangelische motief: het gaat om de rust van het Evangelie en daarmee is de arbeid op die dag in strijd.

Ten vijfde: er is enige onzekerheid over de plaats van de zondag tegen de achtergrond van het Oude Testament Velen trekken een rechte lijn van het vierde gebod naar de zondag — maar wie een rechte lijn trekt komt bij de sabbathisten terecht Anderen zien de zondag als een bijzondere dag, maar principieel niet verschillend van andere dagen.

Ten zesde: allen zijn we er van overtuigd dat het eigen karakter van de zondag moet worden bewaard. Hier is sprake van een bewaren van het pand. Daarom hebben de kerken hier een taak. De verantwoordelijkheid moet niet langer afgewenteld worden op het individuele gemeentelid." < —

Ik geef deze conclusies hier door omdat ik meen dat ook wij ons moeten bezinnen op de problemen die hier liggen. Dat wil niet zeggen dat ik me in alle formuleringen van deze conclusies kan vinden. Maar met de laatste conclusie ben ik het wel geheel eens.

Rusland weert bijbels

Het communisme is nog steeds een vijand van Bijbel, geloof en kerk. Dat blijkt weer duidelijk uit de berichten die men kan lezen over het weren van bijbels:

„De bijbel is staatsgevaarlijke lectuur", zeiden Russische douaniers tot ds. Johannes Visser (45) uit Amsterdam, toen hij aan het eind van de vorige week via een Roemeense grenspost bij de Russische stad Kisjinev per auto een zending bijbels de Sovjet-Unie wilde binnenbrengen, zo meldt De Telegraaf.

De douaniers namen bijbels en auto in beslag en stelden de Nederlandse predikant in voorlopige verzekerde bewaring, waaruit hij eerst de volgende middag om 4 uur werd verlost.

Hij zelf kon terugkeren naar Nederland, maar de 215 in cyrillisch schrift en door het Nederlands Bijbelgenootschap uitgegeven bijbels moesten evenals de auto achterblijven.

Het was de bedoeling van de Baptistenpredikant, die op een zendingsoriëntatiereis door Oost-Europa was, de bijbels ter beschikking te stellen van de in Rusland verspreide christelijke gemeenten, die het al 37 jaar lang zonder nieuwe bijbels moeten stellen.

Ds. Visser vertelde dat hij niet minder dan zesmaal door de douaniers ondervraagd was — kennelijk in de hoop dat hij adressen verstrekken zou van de gemeenten waarvoor de bijbels bestemd waren — en dat de grenspost herhaaldelijk contact met Moskou had opgenomen. De douaniers zouden minder opzien gebaard hebben, maar vooral ook zich diplomatieker betoond hebben als zij zich beroepen hadden op het invoerverbod van ongecensureerde drukwerken (dat in de Sovjet Unie nog steeds onverbiddelijk gehandhaafd schijnt te worden) en de dominee zonder meer hadden teruggestuurd.

Juist nu — nu Moskou en de satellieten trachten met de christelijke godsdiensten tot een vreedzame coëxistentie te komen — lieten zij pijnlijk zien hoe diep de kloof is die tussen de praktijk en de zoetgevooisde theorie gaapt.

Driehonderd in het Russisch vertaalde westerse succesromans zouden niets anders dan een retourtje voor de koerier betekend hebben, maar invoer van bijbels is de ideologisch geschoolde kat strijken tegen het haar in en ds. Visser hoort de vonken nog knetteren.

„Ze schijnen daar wel goed bang voor dit werkelijke Boek des Vredes te zijn", zei hij hoopvol, „en omdat ik een duidelijk onderscheid maak tussen het regime en de mens, neem ik het de Russische douaniers niet kwalijk. Het regime schijnt ervan overtuigd te zijn, dat de bijbel voor een ware en conservatieve marxist onaanvaardbaar is. Juist daarom hebben de Russische mensen zelf het boek zo nodig en dringen zij er zo op aan dat wij het hun doen toekomen."

Maar met het knetteren van de vonken zijn ook de Opel (35.000 km) van de predikant en de met contant geld betaalde bijbels verdwenen. Ds. Visser is nuchtere realist genoeg om dit verlies diep te betreuren. —

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 juli 1966

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

KLEINE KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 juli 1966

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken