Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEUWIGHEID

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

EEUWIGHEID

13 minuten leestijd

Die dominee had toch wel gelijk. Welke dominee? De predikant, die aan de jongehuwden de Bijbel overreikte' en toen zei: enk er om, u moet hem niet lezen u moet hem onderzoeken. Misschien dat het laatste te weinig gedaan wordt. En dan is er nog iets. Onderzoeken is ongetwijfeld noodzakelijk. Maar zouden we er dan zijn? In Psalm 119 lees ik van twee dingen. Eerst: Och schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest!" En vervolgens: Uw Woord is mij een lamp voor mijnen voet". Ons onderzoek moet geleid en op het juiste spoor gebracht worden door de Heilige Geest. Anders halen we vreemde en onware dingen uit de Bijbel. Daar is b.v. de gedachte, dat alle mensen zalig worden. Dat zou zelfs in de Heilige Schrift staan. Als men nu weet, dat één van de grote geloofsartikelen is, dat Christus wederkomen zal om te oordelen de levenden en de doden, en dat Hij daarbij de schapen van de bokken zal scheiden (Matth. 25 : 32) kan men toch niet verwachten, dat Gods Woord zichzelf tegenspreekt. In Mattheüs 25 wordt duidelijk van een tweeërlei einde gesproken. In vers 34 lezen we: Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot zijn rechterhand zijn: omt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld". In vers 41 lezen we: Dan zal Hij ook zeggen tot degenen die ter linkerhand zijn: aat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is.”

Het is duidelijk, dat er straks, in het eindoordeel, een scheiding zal zijn. Van die scheiding wordt gezegd, dat zij eeuwig is. De ene groep gaat in de eeuwige vreugde, de anderen groep gaat in de eeuwige pijn. Moet het nog duidelijker gezegd worden?

Iemand zegt: maar dat zou toch vreselijk zijn. Ik antwoord: dit is vreselijk en God vindt het ook heel erg. Daarom heeft Hij gezocht naar een middel om van dat vuur te redden. „Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft; opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar

het eeuwige leven hebbe" (Joh. 3 : 16). Buiten dit geloof om verderven wij echter wel, dat is niet tegen te spreken, als we ons aan Gods Woord willen houden.

Doch wat zien we nu gebeuren? Iemand zond mij de wijsheid van een bijbellezer toe, die een halve onderzoeker is. Dat kan ook. De resultaten van dat halve onderzoek, dat telkens halverwege blijft steken, monden nu hierin uit, dat allen zalig worden want... Waar laat men dit op rusten? Op Romeinen 5 : 18 en 19 b.v. Daar lezen we: Zo dan, gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; alzo ook door één rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens. Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die ene mens, velen tot zondaar gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Ene velen tot rechtvaardigen gesteld worden."

Men moet wel over veel heen lezen als men Paulus in de schoenen schuift, dat, volgens zijn leer alle mensen zalig worden. De hoofdstukken 9—11 in de brief aan de Romeinen spreken dit luide tegen. Het is dus niet mogelijk, dat in bovenstaande verzen de algemene verzoening of de algemene zaligheid geleerd wordt. Trouwens als dat waar was, zou het ook betekenen, dat er geen geloof of bekering voor de zaligheid nodig is.

Ja maar, zegt iemand, er staat toch maar in beide gevallen: alle mensen. Zeker, zeg ik, maar het is niet één Adam. Er is sprake van Christus en Adam. En de hele tekst is volkomen duidelijk, als we verstaan, dat de bedoeling is: eerst allen, die in Adam zijn en ten tweede allen, die in Christus zijn. In Adam zijn we door de band des bloeds, in Christus door de band des geloofs en der bekering.

Het gaat om de gedachte van de toerekening. Aan alle mensen, die uit Adam zijn voortgekomen, wordt de ene zonde van Adam toegerekend. Eén zonde is de oorsprong van alle ellende. Zo is één daad van gerechtigheid de oorsprong van alle heil.

Welke daad van Christus kan dit zijn? Zijn gehoorzaamheid in leven en sterven. In vers 8 wordt gezegd, dat Christus voor ons gestorven is. In vers 19 heet dat de gehoorzaamheid van de Ene. Zoals de zonde van Adam, afgezien van onze eigen zonden, de tijdelijke, eeuwige en geestelijke dood in dit leven van heel de mensheid bracht, die bij hem behoort, zo bracht de gehoorzaamheid, de éne rechtvaardigheid van Christus het leven mee voor de ganse mensheid, die door een waarachtig geloof Christus werd ingelijfd. Dr. H. N. Ridderbos schrijft: „De vraag is tenslotte wat hier tot tweemaal toe met alle mensen is bedoeld? De eerste maal zijn stellig alle nakomelingen van Adam bedoeld. De apostel spreekt daarbij niet slechts van een mogelijkheid, maar van een werkelijkheid, die zich aan alle mensen voltrekt, vgl. vers 12. In diezelfde zin, namelijk als van een aan allen zich onontkoombaar voltrekkende werkelijkheid, kan niet gezegd worden, dat het door één daad van rechtvaardigheid voor alle mensen tot rechtvaardigmaking ten leven is gekomen. Dit geldt immers alleen van degenen, die deze gave der rechtvaardiging hebben „aangenomen" (door het geloof), vers 17. Met „alle mensen" zal hier daarom stellig bedoeld zijn hetzelfde als wat in vers 15 en 19 „de velen" heet. De overeenkomst tussen Adam en Christus bestaat dus niet hierin, dat het in beider betekenis distributief om dezelfde mensen gaat, maar dat zowel in de zonde van de één als in de gerechtigheid van de Ander de ganse tot hem behorende mensheid mede betrokken was."

Ja maar, zegt iemand, zou het niet kunnen, dat de apostel bedoelt, dat het voor alle mensen tot een mogelijkheid van rechtvaardigmaking gekomen is? Neen, zeg ik, dat bedoelt de apostel niet. Ten eerste heeft Christus niet de mogelijkheid der zaligheid verworven, maar de werkelijkheid. Van degene voor wie de Heiland gestorven is, zal er niet één verloren gaan. De Heere Jezus heeft de zaligheid niet alleen verworven, doch Hij past ze ook toe. Ten tweede is er ook bij Adam niet van een mogelijkheid sprake, maar van een werkelijkheid. Alle mensen zijn tot zondaars gesteld geworden en aan de verdoemenis onderworpen. In Romeinen 5:19 mogen we er wel op letten, dat er staat: ot zondaren of tot rechtvaardigen gesteld worden. De velen, die tot Adam behoren, worden in het oordeel Gods voor zondaren gerekend. De velen die tot Christus behoren worden in het oordeel Gods tot de rechtvaardigen gerekend. Naar vers 12 hebben allen in die éne (Adam) gezondigd. De gelovigen zullen in het grote gericht voor rechtvaardig gerekend worden. De Nieuwe Vertaling is dus hier verkeerd, als zij doet lezen, dat zeer velen door Adam zondaren zijn geworden en dat door Christus zeer velen rechtvaardig zullen worden. Is hier het goede voorbeeld van Christus of het kwade van Adam als de oorzaak bedoeld? In elk geval, deze vertaling past niet in het verband. Het gaat om de tegenstelling Adam en Christus en hoe God de mensen beoordeelt, die bij de een of de ander van deze behoren.

Maar nu dan het woordje: euwig. Mattheüs 25 : 41 sprak ons van het eeuwige vuur. Daar zijn heel wat teksten, waar dat woordje „eeuwig" in voorkomt. Ik heb hier een brochuretje voor mij liggen, waar vele van deze teksten in zijn bijeengezet, met dan de oplossing erbij, dat eeuwig hetzelfde is als tijdelijk. Betekent eeuwig dan niet hetzelfde als eindeloos? De schrijver zegt: Neen, Gode zij dank, neen". Deze schrijver is geen wetenschapsman. Het is soms wel erg, want mannen van wetenschap van de Bijbel maken en weten hoe zij de teksten en de motieven naar hun hand moeten zetten. Maar dit is nu een voorbeeld, dat het zonder weten, zonder een degelijke methodisch onderzoek, ook verkeerd gaan kan. Zijn redeneertrant is ongeveer deze: et woordje eeuwig betekent in de Schrift soms een heel lange tijd. dus betekent het altijd een bepaalde tijd. Zijn fout is, dat hij niet weet, ook bij de betekenis van woorden, te onderscheiden. We zullen proberen te laten zien, hoe het zit. Ieder kan zelf nagaan dat er in de Schrift gesproken wordt van eeuwige pijn (Matth. 25 : 46) en van het eeuwig oordeel (Marcus 3 : 29) en van het eeuwige verderf (2 Thess. 1 : 9) en van

onuitblusselijk vuur (Matth. 3 : 12). Zo kunnen we nog wel even doorgaan. Mogen we zeggen, dat eeuwig altijd bedoelt: en tijdelijke zaak? Dat zou ik niet durven stellen. Ik zou veeleer de persoon, die dit stelt willen bestrijden. In Romeinen 16 : 26 wordt gesproken over „het bevel des eeuwigen Gods". Ik dacht, dat God niet tijdelijk was, maar zonder begin en zonder einde, onbegrensd en de tijd te bovengaand. Bij God is van geen tijd sprake. De taaldeskundigen brengen voorbeelden bij, dat eeuwig in het Oude Testament èen lange tijd kan betekenen. Voor ons is een eeuw 100 jaar. Oudtijds gebruikte Israël het woord eeuwigheid ook wel om een lange tijd in het verleden of in de toekomst aan te duiden. De Statenvertalers hebben dat ook goed begrepen en b.v. in Amos 9:11 vertaald: Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, en Ik zal haar reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weder oprichten, en zal ze bouwen, als in de dagen van ouds".

In het Hebreeuws staat letterlijk: dagen der eeuwigheid". Maar deze eeuwigheid strekt zich niet verder uit natuurlijk dan de tijd van David, want het gaat over zijn „hut". Zo wordt er ook wel eens gezegd: Van eeuwigheid tot eeuwigheid". Wij kunnen dat niet zeggen, als we onder dit woord alle tijden — om zo te zeggen — samenvatten. Dan is er maar één eeuwigheid. Later ging men in Israël ons woord meer opvatten als eindeloze tijd, eeuwigheid. Men kan in Jesaja 32 een voorbeeld vinden van het Hebreeuwse woord als bedoelende een bepaalde tijd. Daar lezen we: Want het paleis zal verlaten zijn, het gewoel der stad zal ophouden; Ofel en de wachtorens zullen tot spelonken zijn, tot in der eeuwigheid, een vreugde der woudezelen, een weide der kudden. Totdat over ons uitgegoten worde de Geest uit de hoogte; dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal voor een woud geacht worden". Hier is dus eeuwigheid een lange tijd. waarna de uitstorting van de Geest volgt. Zo is er nog veel meer. Doch zo is het niet altijd. We lezen in Jesaja 45 : 17: Maar Israël wordt verlost door de Heere met een eeuwige verlossing; gijlieden zult niet beschaamd noch tot schande worden, tot in alle eeuwigheden".

Hier is eeuwig een oneindige tijd, waar in alle eeuwigheden begrepen zijn. In het laatste meervoud is onder eeuwigheid een (onafzienbaar) lange tijd verstaan. Op veel plaatsen namelijk is sprake van deze eeuw en ook wel de toekomende eeuw. Maar

als zij in het woordje „eeuwigheden" samengevat worden, is er geen verschil meer met ons eeuwigheid. Lezen we in Prediker 1 : 4: maar de aarde staat in eeuwigheid", dan sluit dit niet uit, dat de aarde kan en zal vergaan. Doch als we in Psalm 90 : 2 lezen: Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht had, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God", dan blijft er geen begin of einde over, waarin God niet God zou zijn. Van God staat, dat Hij de Eerste en de Laatste is. Wordt dus het woord voor Hem gebruikt, dan betekent het nooit een beperkte tijdsduur, doch altijd een oneindigheid. Zo lezen we in Jesaja 40 : 28: Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand." Gods eeuwig zijn gaat de tijdsduur der wereld ver te boven. Hij is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Wanneer hemel en aarde vergaan zijn, zal Hij er nog wezen. Van hemel en aarde staat: Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven; en zij allen zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen niet geëindigd worden" (Psalm 102 : 27, 28).

De eeuwigheid Gods en ook van Christus (Hebr. 1 : 10) wordt gedacht als een oneindige tijd. De tijd is nu eenmaal de vorm, waarin wij denken. Dat God van eeuwigheid tot eeuwigheid handelt, wordt uitgedrukt met de gedachte van de praeexistentie en de postexistentie Gods. De Heere bestond vóór de grondlegging der wereld en zal er ook na zijn na het vergaan van hemel en aarde. Zo wordt er ook van Christus gesproken, Die in den beginne was, vóór alle eeuwen. Zoals nu God eeuwig is, zijn ook zijn gaven en goederen eeuwig. In 2 Corinthe 4:17 lezen we van een lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, maar de vrucht daarvan is een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. Dit eeuwig houdt niet op. Immers: de dingen, die men ziet zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig", zegt 2 Corinthe 4:18.

Het is in het licht van zo'n tekst toch wel verkeerd om te zeggen, dat er na de vreugde uit Mattheüs 25 : 46 b.v. nog weer een andere vreugde volgt, omdat „eeuwig" ophoudt. Als men de Heilige Schrift uitlegt, moet men toch ook de verbanden in aanmerking nemen, waarin de uitspraken voorkomen. De gaven Gods zijn eeuwig. God heeft een eeuwige vertroosting gegeven (2 Thess. 2 : 16); een eeuwig verbond (aan alle uitverkorenen) Hebr. 13 : 20; Christus is een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden (Hebr. 5:9) en heeft een eeuwige verlossing teweeggebracht, mitgaders een eeuwige erfenis (Hebr. 9 : 12, 15)

Nu is er nog wat: e goederen, die Gods Kerk verwacht, zijn ook eeuwige goederen. De Schrift spreekt van het eeuwige leven, eeuwige tabernakelen (Lucas 16 : 9); een huis eeuwig in de hemelen (2 Corinthe 5 : 1).

Zou men nu menen, dat het eeuwige vuur en de eeuwige pijn en het eeuwig verderf (2 Thess. 1:9) min of meer spoedig ophouden? Deze woorden duiden zeker aan, dat ook Gods straffen zonder einde zijn. Daar zijn geen aanwijzingen in de Schrift, dat God en Zijn goederen en straffen tijdelijk zijn. Hebreeën 6 : 2 weet van een eeuwige veroordeling, evenals Marcus 3 : 29. Laten we ons heil niet zoeken in de gedachte, dat alles aan het einde toch wel goed komt. De Schrift zegt: En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid en zij hebben geen rust dag en nacht." „En zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid" (Openbaring 14 : 11; 20 : 10). Laten we liever onze vertroosting zoeken in Jezus Christus, die van God verlaten is, opdat wij nimmer van Hem verlaten zouden worden.

D.

L. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 april 1967

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

EEUWIGHEID

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 april 1967

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken