Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De geesteshouding der gemeente met het oog op het einde

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De geesteshouding der gemeente met het oog op het einde

11 minuten leestijd

En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren en waakt in de gebeden; maar vooral hebt vurige liefde tot elkander; want de liefde zal menigte van zonden bedekken. 1 Petrus 4 : 7—8.

Het nabije einde aller dingen

, , En het einde aller dingen is nabij." Dit lijkt een geschikte tekst voor de Oudejaarsavond, die ons toch altijd bepaalt bij de vergankelijkheid van ons leven en van de tijd. Wij behoeven ons niet aan stemmingen over te geven, die toch doorgaans zo kort zijn als de tranen, zo ongestadig zijn als het lachen der mensen. Immers met de Oudejaarsavond is doorgaans na de preek de ernst van die avond weer gevlogen, om dan plaats te maken voor jolijt en lichtzinnigheid, om niet van erger te spreken. Niet zozeer om de stemming van de Oudejaarsavond te wekken en te voeden, is deze tekst genomen, wèl omdat wij ltijd bereid behoren te zijn voor de komst, ie wederkomst van onze Heere, Jezus Christus.

En het is juist het geloof in Zijn gezegende komst, die ons nuchter kan maken, met een nuchterheid, groter dan die van ijdele Oudejaarsavondvierders. Nu dan, laat ons Zijn komst overdenken! Het is de geliefde prediker. Petrus, bij wie wij deze avond te gast gaan. Hij was wel een impulsief man, maar toch ook een man van grote nuchterheid. Hij verwachtte de wederkomst van Christus en hij heeft zich niet een paar duizend jaar vergist. Wie zijn korte leven overziet en het vergelijkt met de „nimmer eindigende" eeuwigheid, die zal altijd weten, dat het einde aller dingen voor hem nabij is. En wie de jaren der eeuwen vergelijkt met de „nimmereindigende" eeuwigheid, die zal weten, dat al die eeuwen dezer aarde als de dag van gisteren zijn, als die voorbijgegaan is. En voor God zijn duizend jaren als één dag en één dag als duizend jaar.

Petrus heeft zich dan in geen manier vergist, als hij schreef dat de toekomst van de Heere Jezus Christus genaakt, of ook dat het einde aller dingen nabij is. Calvijn — en hij leefde vijftienhonderd jaren na Petrus — vertaalt: , , Het einde aller dingen is zéér nabij gekomen.'

De toekomst des Heeren genaakt, die komt naderbij. Spotters uit Petrus' dagen hebben gezegd: , , En alle dingen blijven alzo." Spotters uit Paulus' dagen hebben gezegd: „Waar blijft de dag Zijner toekomst? " Reeds in Petrus' dagen hield men zich vreemd, als Petrus' mensen niet met hen meeliepen tot dezelfde uitgieting der overdadigheid. En Petrus zegt zelf tot zijn mensen: „Houdt gij u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u." Deze tijd, vele eeuwen na Petrus' brief, telt ook velen, die in de dag van Jezus' toekomst niet geloven. Zij geloven niet alleen niet in die dag, maar ook niet in Zijn komst, ook niet in de grote heerlijkheid. waarmee die komst gepaard zal gaan. Zij geloven niet in een eeuwige rampzaligheid, liw geloof zij niet gelijk het hunne en uw deel zij niet met het hunne.

Gelooft zekerlijk in des Heeren Jezus' komst en weet, dat het nader bij gekomen is dan in Petrus' dagen. Natuurlijk! Weet, dat het naderbij gekomen is na zovele eeuwen. En ziet op de tekenen der tijden, waarvan de Heere Jezus Zelf voorzegd heeft. Heeft Hij niet gesproken van oorlogen en van geruchten van oorlogen? Van de zoon, die tegen de vader zou opstaan en van de dochter, die tegen de moeder zou opstaan? Manend tot voorzichtigheid zegde Hij erbij: „Maar nog is het einde niet!"

En is niet die tijd van de verkoeling, van de afval van velen gekomen? Welnu dan — Petrus zegt, dat dit het einde aller dingen zal zijn. Want de wereld gaat voorbij met haar begeerlijkheid, maar die de wil Gods doet, die blijft tot in der eeuwigheid. Deze hele aarde gaat voorbij, met de zon, met de maan, met de sterren, heel die cosmos, die men thans denkt te overwinnen.

Maar ook de wéreld gaat voorbij en vooral zij, die wereld namelijk, die tegen Gods wil in leeft. Men moet er wel aan denken, dat er voor de ongelovige wereld een einde komt, een rampzalig einde, wat er voor de gelovigen niet komt! Wat het meest begeerlijk is op deze aarde, dat is maar voor een tijd: goud en zilver, land en zand, huizen en burchten, dorpen, steden, landen, eer, aanzien, kunst, genot, wetenschap en wijsheid, dat alles gaat voorbij en dit alles is, op zichzelf beschouwd, nog niet eens zonde. Hoeveel te meer moet dan het zondige, het ongeoorloofde, het slechte voorbijgaan.

Wat uit stof is neemt een end, door de tijd die alles schendt. Wat dan te meer als de eeuwigheid komt om aan de tijd en al het tijdelijke een einde te maken.

Dit einde nu komt niet naderbij, maar dit einde is nabij. Het is nabij voor u, en voor u, en voor mij. Wij wagen ons niet aan voorspellingen over die dag en die ure, die niemand weet dan de Vader. Maar wij zeggen slechts wat Petrus zegt, wat Gods Woord zegt, wat de Christus Zelf zegt: Nabij is het einde aller dingen, na...bij...

Nuchter zijn en wakend bidden

Het nuchter zijn en het waken wordt door Calvijn meer gezien als slaande op de geest dan op het vlees, dan op het lichaam. Het verband van onze tekst echter spreekt van ontuchtigheden, van begeerlijkheden, van wijnzuiperijen, van brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen. Laat ons maar beginnen met te zeggen, dat nuchterheid, het zich onthouden van spijs en drank, op vaste tijden, zeer nuttig is, hoewel het door weinigen geleerd en gepractiseerd wordt. Men zou eens zien, wat een stroom van zonde hierin alleen al gekeerd wordt van der mensen arme zielen. Als men alleen deze overdadigheden — en zij zijn, zoals zij hier opgesomd zijn, meer dan overdadigheden — zij zijn zonden — ik zeg: als men alleen deze overdadigheden zou nalaten, het zou al een complete bekering op zichzelf zijn. Wat zou men daar lichamelijk, wat zou men daar geestelijk wel bij varen.

Als de mensen een groot diner moeten meemaken, dan ontzeggen zij zich uren van te voren alle spijs en drank. Zullen dan niet zij, die de bruiloft des Lams gaan meemaken, niet gaarne willen vasten, zolang de Bruidegom nog niet met hen is? Zullen zij niet gaarne willen vasten, als zo een grote bruiloft hen wacht?

Doet Petrus dit slaan op 't geestelijke en niet op het lichamelijke, dan wel zeer moet het ons duidelijk zijn, dat wil dit zeggen: Is Christus bij Zijn eerste komst op aarde èn verwacht èn gekomen, weest dan zo nuchter om te geloven, dat Hij ook zeker zal komen. Hier staan èn de adventsteksten borg voor èn de wederkomstvoorzeggingen. Houdt uw hoofd maar koel bij alles wat de ongelovigen prediken en zeggen en gelooft hen niet. Weest maar zo nuchter, dat gij het gelooft, het verwacht en het hoopt!

Waakt dan dus in de gebeden. De eerste komst van Christus Jezus is biddend verwacht, de tweede komst kan dan niet anders verwacht worden. Zal men dan bidden om Zijn komst, waar die het einde aller dingen betekent? Ja, dat zal men vooreerst, omdat Hij het gebiedt, dan ook omdat Zijn komst niet anders kan komen dan door het bidden der kerk. Gods Raad besluit wel, dat de dingen zo en zo geschieden zullen, maar tevens heeft Hij in Zijn raad mede besloten de gebeden der heiligen. Hij wil gebeden zijn! In het allervolmaaktste gebed wordt beleden: „Uwer is het koninkrijk" en in datzelfde gebed wordt gevraagd: „Uw koninkrijk kome!" Zo zal men dan bidden om Zijn komst.

Zal men dan bidden om Zijn komst, als die het einde aller dingen betekent en ook de vergelding der goddelozen? Ja, voorwaar, omdat Jezus' vergelding ook Jezus' eer met zich brengt. En wij zullen het zo met God eens zijn, dat wij zelfs de oordelen Gods zullen aanbidden. Dan zal toch blijken, dat het geloof niet te vergeefs was. Dan zal toch blijken, dat de bijbel gelijk heeft en dat Jezus de Koning is, de eeuwige Koning.

Daarom weest wakend om te bidden. Weest waakzaam in het bidden. Laat toch niet elke nacht de slaap u overmeesteren. Laat toch ook uw leven niet als een slaap voorbijgaan. Brassers en drinkers kunnen slapen in hun roes. Maar een christen moet nuchter zijn, wel bij zijn verstand en zich helder bewust, dat plotseling zelfs in de nacht de roep kan klinken: „Ziet, de Bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet!"

't Gebergte smelt als was, En wordt geheel tot as Voor 't aangezicht des Heeren, Wien al wat leeft moet eren. 't Verbaasde hemelrond Meldt, in die nare stond, Zijn billijkheid en macht; De volken zien zijn kracht Op 's aardrijks ruime grond.

Gans Sion was verheugd, En juicht, o Heer', van vreugd. Met Juda's docht'renscharen, Wanneer 't de blijde maren Uws oordeels had gehoord; Want Gij heerst ongestoord En toont Uw macht alom, Ver boven 't godendom, 't Welk siddert voor Uw woordj

De liefde tot elkander

„Maar vooral hebt vurige liefde tot elkander."

De apostel Petrus beveelt de liefde aan. Hij heet wel geen Johannes en is wel niet de apostel der liefde, maar de liefde is ook weer niet het speciale bezit van Johannes geweest. Zij hoort waarlijk niet alleen tot de mensen met een zacht en innemend karakter. De liefde is het gemeenschappelijk bezit van alle kinderen Gods en van alle knechten des Heeren. Petrus schrijft over haar zowel als Paulus en zij beiden zowel als Johannes. Petrus zegt zelfs, dat de liefde voor al beoefend moet worden. Paulus zegt in Colossenzen 3 : 14, dat de liefde is de band der volmaaktheid. En hij zegt in 1 Corinthe 13:13, dat van het drietal geloof, hoop en liefde de laatste de meeste is. De liefde is ook het kenmerk der ware christenen.

Als Petrus zegt, dat vóór alle dingen de liefde er moet zijn, dan is dat te verstaan uit het verband van de tekst. Naar de mate dat de geschiedenis zich ontwikkelt en de tijd afloopt, wordt de tegenstelling kerk—wereld scherper. Het zal worden de grote verdrukking. Daar leest u van in dit hoofdstuk. Die van de wereld zijn houden zich vreemd, als de christenen niet

meedoen aan hun uitgieting van overdadigheden. Die van de wereld zijn lasteren de ware gelovigen. En Petrus zegt, dat de gelovigen zich niet vreemd moeten houden over de hitte der verdrukking, die over hen komt. Dit is een verzoeking, om afvallig te maken. Het geloof wordt smadelijk behandeld door de wereld! Welnu, tegen deze achtergrond kunt u verstaan het woord van Petrus: „Hebt vurige liefde voor elkander!"

Tegenover hittige vervolging vurige onderlinge liefde. Als gij het zo moeilijk hebt in de wereld tegen het eind aller dingen, dan past zeker geen lauwheid in de liefde en nog veel minder onderlinge onverschilligheid en liefdeloosheid. Naar de mate, dat in de eindtijd veler liefde verkoelt, moet bij het echte volk Gods, bij de weinige getrouwen de liefde tot de broederen juist opgescherpt worden. Die zal zijn een téken in de eindtijd van het echte geloof.

De liefde, die zonden bedekt

„want de liefde zal menigte van zonden bedekken."

Dat is dan ons laatste stuk. Men zou de indruk uit het verhandelde kunnen krijgen, dat de christenen om hun eigengerechtigheid in de eindtijd aannemelijk konden zijn voor God. Een nuchter volk, dat zich onthield van uitspattingen en brasserijen. Een biddend volk, dat zelfs waakte in de gebeden. Een volk, dat vurige liefde had voor de broederen. En toch niet alzo! Van dit volk is Christus alleen de gerechtigheid. Alle dingen hier genoemd zijn slechts vruchten van het geloof, vruchten van Christus' gerechtigheid. Dit brengt Petrus duidelijk naar voren, als hij zegt, dat het volk onderling door die liefde menigte van zonden zal bedekken. Meent niet, dat de eindtijd een hoogtepunt van geestelijk leven zal bieden. De grote verdrukking en de verleiding der tijden zal ook velen van Gods volk doen wandelen en struikelen. Indien dat mogelijk was, zou de satan de uitverkorenen verleiden. Welnu, waar dan in die algemeen boze tijd menig struikelen en menig vallen zal plaats hebben, daar beveelt Petrus aan, om onderling menigten van zonden te bedekken. Dat is echt de liefde, zoals die in Christus Jezus is, als men elkanders gapend gebrek, als men elkanders vele tekortkomingen weet te dragen en als men elkanders zonden weet te vergeven en weet te bedekken. Dan worden niet de gebreken der christenen onderling breed uitgemeten, dan worden ze niet op Askelons straten gebracht.

Het is het kenmerk van het Farizeïsme, van een dorre rechtzinnigheid, die zelf menigte van zonden doet, en Gods geboden — ook dat der liefde — met geeyi vinger aanraakt, dat het hoog opgeeft van anderer zonden en van eigen deugden en gerechtigheden. Daar is één ding, wat dit Farizeïsme niet kent en dat is: anderer zonden vergeven en anderer zonden bedekken. In andere kringen der kerk mag men het Sadduceïsme aantreffen, het Farizeïsme treft men bepaald in onze kringen aan. Waarom ook het apostolisch vermaan van onze tekst onder ons zeker op zijn plaats is.

Zw.

W. L. T.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 januari 1968

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De geesteshouding der gemeente met het oog op het einde

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 januari 1968

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken