Bekijk het origineel

Het debat over het object der verkiezing

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het debat over het object der verkiezing

8 minuten leestijd

(2)

Vorige week beloofden we nog iets te schrijven over de strijd ter synode tussen de supra-en de infra-lapsariërs. Dat heeft nogal spanningen' gegeven op de Dordtse Synode.

Het gaat hier om het nog eens te zeggen, over de verhouding van praedestinatie en val. Onder welke invloed is de leer der verkiezing en verwerping zuiver tot ontwikkeling gekomen uit de Schriften? Dat is geschied in de strijd over de vrijheid van de menselijke wil. Het ging principieel over de verhouding tussen het doen der mensen en de goddelijke voorzienigheid, dus over de vraag hoe bij een absolute praedestinatie Gods nog de vrijheid van de menselijke daden en de verantwoordelijkheid van de mens kon gehandhaafd blijven. Het antwoord van Calvijn, gelijk van de andere reformatoren, is, dat God de val van Adam in Zijn Raad heeft opgenomen. De Alwetende heeft natuurlijk de zonde en de val te voren gekend. Hij wist, dat Adam zou vallen. Sommigen nu leerden, dat de val er alleen gekomen was door de toelating Gods en niet door Zijn wil. Ten opzichte van zonde en val zou er alleen van een blote voorwetenschap sprake zijn. Dit verandert echter aan het probleem niets.

Wanneer God het kwade te voren zag. waarom heeft Hij, Die zulks kon doen, het dan niet verhinderd, als Hij het kwade niet wilde?

De val heeft dus ook zijn plaats in de raad Gods. De onderscheiding tussen toelating en wil gaat niet op: de mens is gevallen, omdat God oordeelde, dat het zo dienstig was. Waarom Hij dat geoordeeld heeft is voor ons verborgen. Maar toch is het zeker, dat God niet anders geoordeeld heeft, dan omdat Hij zag. dat de eer van Zijn naam daardoor met recht werd verheerlijkt. De mens is dus gevallen, omdat Gods voorzienigheid het zo geordineerd heeft. Zo ligt ook de diepste grond der verwerping niet in Gods gerechtigheid, maar in Zijn souvereine wil.

En toch is God geen auteur van de zonde. De mens valt, terwijl Gods voorzienigheid het zo ordineert: maar hij valt door zijn eigen schuld. Het besluit Gods dwingt de mens niet tot zondigen. Door Gods raad worden de mensen niet gedwongen goed of kwaad te doen. Die het goede doen, waartoe zij gepraedestineerd zijn. doen het door de vernieuwde wil, die hun van God door Zijn heilige Geest is geschonken; die het kwade doen, doen het met en door hun natuurlijke wil, die slecht en verdorven is, vrijwillig en gaarne.

Als we zeggen, dat de praedestinatie van de val in Gods raad is opgenomen, zitten wij aan de supralapsarische kant. Aan die kant stonden Luther, Zwingli en Calvijn. Bullinger kon het hier moeilijk mee eens zijn. De leer van de praedestinatie van de val scheen hem niet zonder bedenking. Hij bleef bij Gods voorwetenschap van de val staan. Tussen supra en infra ging het in beginsel om twee kwesties. I. Is de val door God gepraedestineerd, of is er alleen van een voorwetenschap Gods sprake? Voorbestemming of voorwetenschap. 2. Is de verwerping een daad van Gods souvereiniteit of van Zijn gerechtigheid?

Van hieruit heeft de strijd zich ontwikkeld tot de vraag naar de volgorde der besluiten. Dat is de gewone voorstelling aangaande het geschil. Het strijdpunt tussen beide meningen zou dan liggen in de onderscheiden beschouwing van de volgorde der besluiten en van het object der praedestinatie of voorbeschikking. Deze gewone voorstelling is niet helemaal onjuist, doch onvolledig en gaat niet terug naar de oorspronkelijke gedachte, die aan beide gevoelens ten grondslag ligt. De historische ontwikkeling verliep als volgt: Bij de reformatoren gaat de kwestie in hoofdzaak over de vraag of de val voorbestemd is en wordt de leer der blote voorwetenschap of van het vooruitzien alleen der zonde, bestreden. Reeds bij Calvijn zien we in aanleg, dat deze beschouwing haar invloed doet gelden op de orde der besluiten terwijl Beza degene is, die van deze orde der besluiten een omlijnd supralapsarisch schema geeft: verkiezing en verwerping gaan aan schepping en val vooraf. Gomarus, eindelijk, legt alle nadruk op dit laatste; het probleem loopt nu hoofdzakelijk over het object der voorbeschikking.

Van Gomarus zijn de uitdrukkingen: creabilis. labilis enz., die later vaste termen zijn geworden. Het besluit Gods ging voor hem over mensen, die nog geschapen moesten worden en die zouden vallen.

De vraag, die ons nog bezig moet houden is deze, hoe Gomarus en andere supralapsaristen de Leerregels hebben kunnen ondertekenen, die in infralapsarische geest gesteld waren? Gomarus heeft het vraagstuk aangesneden in de 107e zitting der synode. Hij verklaarde toen dat hij het eens was met zijn infralapsarische collega's, behalve wat aangaat het object der voorbeschikking of hoe God de mens aangemerkt heeft in het verkiezen, 't welk hij meende, dat gesteld moest worden, niet alleenlijk de gevallen mens, maar dat ook de mens vóór de val in de praedestinatie van God aangemerkt was. Hij stelde voor het advies der Zuid-Hollanders te volgen en deze kwestie onbeslist te laten, zoals — naar hij stelde — ook in de Franse en Engelse kerken het geval was. De Engelse afgevaardigden bestreden Gomarus. Zij meenden, dat hun belijdenis doelde op een uitverkiezing uit het gevallen menselijk geslacht. Deze zaak is niet verder uitgezocht. De remonstranten hadden Gomarus dikwijls tegengeworpen, dat ook de Engelse belijdenissen de zaak onbeslist lieten.

De bisschop uit Engeland heeft wel nadrukkelijk geprobeerd de synode te laten uitspreken, dat alleen het infralapsarische standpunt juist was. Het was tenslotte alleen Gomarus, die met kracht voor het andere standpunt opkwam, zeide hij. Laat men zijn standpunt veroordelen. Gomarus kwam hiertegen op. De universiteit van Leiden had nog nimmer gezegd, dat het alleen om de gevallen mens ging in Gods besluiten. Grote Engelsen als Withaker en Perkins hadden het tegendeel geleerd. Voordat de synode een beslissing nam, mocht er wel diepgaande discussie gevoerd worden. Bogerman deed deze discussie ophouden. Als Gomarus bezwaren had, kon hij die, bij de voorlezing van de nog vast te stellen Canon, naar voren brengen.

Meer is over de zaak van het infra-en supralapsarisme in de synode niet openlijk en met ronde woorden gesproken. Men heeft wel verteld, dat de synode aan Gomarus had toegestaan zijn particulier gevoelen te behouden, mits hij het voor zich hield en geen poging deed om het publiek te verdedigen. Dat is echter zeer zeker onjuist.

Heeft Gomarus nog bezwaren ingebracht toen de Canon over de praedestinatie aan de orde kwam, zoals de praeses voorgesteld had? Neen, toen de Canon over de voorbeschikking aan de orde kwam heeft Gomarus gezwegen en tegen de uitdrukkingswijze van de Leerregels geen bezwaar gemaakt.

De vijf artikelen zijn door Bogerman, de praeses, ontworpen en door een commissie, waarin ook hij zitting had, bekeken en slechts weinig veranderd. De bisschop uit Engeland, die graag invloed uitoefende en Bogerman waren het er over eens, dat de Leerregels eenvoudig gesteld moesten worden. Het ging niet om streng wetenschappelijke vraagstukken, zoals de orde der besluiten: het ging om de opbouw en stichting der kerken in Nederland. Deze uitgestippelde gedragslijn kan men b.v. in hoofdstuk 1 gemakkelijk terugvinden. De praeses heeft zich vooral aangesloten bij het stuk uit de Pfaltz. De volgorde is bij beiden dezelfde. Zij beginnen met de val als historisch feit, bespreken daarna de zending van Christus, die in het gepredikte woord de mensen wordt aangeboden, handelen vervolgens over het geloof en aan wie dit te danken is en komen dan in artikel 7 tot de verkiezing en pas in artikel 15 tot de verwerping. Over de laatste wordt alleen gesproken om de verkiezing troostvoller te doen uitkomen. Het is allemaal niet streng-wetenschappelijk, er is geen orde der besluiten besproken noch het object der praedestinatie van alle zijden omschreven. De Canones gaan uit van het historisch feit van de val en verklaren dan hoe het komt dat uit die gevallen mensheid sommigen tot het geloof komen en sommigen niet. Het lag voor de hand dat artikelen 7 en 15 infralapsarisch zijn ingekleed, zoals ook de meesten wilden.

Bogerman heeft op deze wijze de klip van het infra en supra bekwaam ontweken. Beide partijen konden zo met een gerust geweten de Leerregels ondertekenen. De supra's ook, want deze hadden zelf verklaard, dat zij in een uiteenzetting voor het volk tegen de infra-lapsarisehe voorstelling geen bezwaar hadden. Zij wilden alleen niet hebben, dat het supra-lapsarisme werd uitgesloten, daar zij van mening waren, dat ieder, bij dieper doordenken en verder vragen, daar moest uitkomen. Als men van de historische feiten uitging wilden Gomarus en de zijnen de uitdrukking , , uit het gevallen menselijk geslacht" wel aanvaarden, zolang de Leerregels niet de ongevallen en ongeschapen mens uitsloot en niet hun leer veroordeelde. De formulering van Bogerman voorkwam een strijd op dit punt.

Voor Gomarus was het zo, dat beide voorstellingen niet met elkaar streden, maar elkander aanvulden. De rijkste openbaring van Gods liefde en erbarmen is, dat God uit het gevallen menselijke geslacht een volk verkoos. Zo heeft God gedaan. Doch, zegt Gomarus, er is nog een diepere, verder weg liggende zaak. God heeft reeds in de nooit begonnen eeuwigheid zelf de val verordineerd. Hoe het zij, ook Gomarus was het met de Leerregels eens als bevattende de heerlijke waarheid Gods op de lijn der verkiezing al lichtender uitkomende.

D.

L. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juli 1969

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Het debat over het object der verkiezing

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 juli 1969

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken