Bekijk het origineel

GIJ WEET DE GENADE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GIJ WEET DE GENADE

11 minuten leestijd

Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede rijk zoudt worden. 2 Kor. 8 : 9.

De kennis van Christus' genade

De N tekst, die nogal eens als een Kersttekst gezien wordt, wil niet uit zijn verband gerukt worden. In de gemeenten van Macedonië leefde een volk, dat zeer diep armoedig was, maar zeer rijk en overvloedig in goeddadigheid. Dat noemt de apostel de genade van God. Zij baden de apostel, dat hij hun gaven wilde aannemen en zij vermaanden hem zelfs, dat hij dat zou doen. Paulus vroeg ook niets voor zichzelf, maar voor de bediening, die voor de heiligen geschiedde. Niet slechts naar vermogen, maar boven vermogen hebben die mensen gedaan. Dat kwam omdat zij zich eerst aan de Heere gegeven hadden en daarna aan de apostel. De apostel stelt dit aan de Korinthische gemeente voor en zegt dan van die gemeente: gij zijt overvloedig in geloof, in woorden, in kennis, in ijver en in liefdebetoon... ziet dat gij ook in zulke gaven overvloedig zijt. Dit gebied ik u niet, zo zegt de apostel, maar als gij in het één ijverig zijt, dan moet gij het ook in het andere zijn. En dan komt onze tekst: want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus..."

Als de apostel hier het griekse woord „tèn charin" gebruikt, dan betekent dat doorgaans genade, maar in dit hoofdstuk gebruikt de apostel het in de zin van milddadigheid. „Gij weet de milddadigheid van onze Heere Jezus Christus." Dat wist de gemeente van Korinthe inderdaad, zij wist dat door de prediking. De apostel had onder hen het Evangelie gepredikt. Hij had zich niet bezig gehouden met de dingen, die in die dagen in de politiek of in het wereldgebeuren of in die havenstad plaats vonden, maar alleen met de dingen Gods, met de dingen van Christus. En dan speciaal ook — en dat is hier voor zijn onderwerp, de milddadigheid, van belang — met Jezus' overgang van de hemelse heerlijkheid naar de aardse armoe- K w d J u d w C d d v b H H g D i de. En ziet, daar hebt u dan inderdaad het Kerstmotief. Paulus heeft niet alleen Christus de gekruisigde gepredikt, maar ook Christus de Geborene te Bethlehem. Hij beroept zich op de gemeente: „Gij weet die genade, die milddadigheid van Christus." Dat is een groot voorrecht, als een gemeente goed bepreekt is, goed in de voorwerpelijke waarheid en goed in de onderwerpelijke waarheid. Niet in het één ten koste van het ander, ook niet in het ander ten koste van het één. De apostel weet ook, dat de gemeente dat alles weet, dat de waarheid beslag op haar gekregen heeft. Dat noemen wij onderlegde gemeenten. Die kunnen daar zelf over spreken, die kunnen zelf over de leerstellige waarheid spreken. De apostel had in de gemeente van die ruige havenstad niet voor niets geleerd. Ik acht het een allereerste en het allergrootste gemis, als een volk de leerstellige waarheden niet meer weet. Ik acht het evenzeer een voorrecht van het allerhoogste belang, als een volk in de leer des Heeren thuis is. Men moet wat kunnen vertellen, wat de Heere Jezus was en wat Hij had voor Zijn komst op de aarde. Men moet er toch wat van kunnen spreken, wat er in de heilige Kerstnacht geschiedde met Hem, Die onzes harten vrede is. Die vleeswording des Zoons, die overgang van Christus uit hemelse rijkdom naar aardse armoede, naar zondige armoede moet toch dè stof onzer Kerstoverpeinzing zijn. Het is goed, als wij in de Kersttijd spreken over de herders, over de engelen, over Maria en over Jozef, over de stal, de kribbe, de Wijzen uit het Oosten, maar dan zitten wij toch in de contouren van het Kerstevangelie. Gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus. Mag ik u eens vragen, hoe vaak de apostelen het in hun brieven over al deze contouren gehad hebben en ook hoe vaak over het heilsfeit van Christus' geboorte zelf?

Welnu dan: gij weet de genade van de Heere Jezus Christus. De apostel zegt, dat Hij om uwentwil is arm geworden, opdat gij door Zijn armoede rijk zoudt worden. Dit weten van de Korinthische gemeente is dus bij een verstandelijke kennis niet blijven staan. Zij zijn bij Christus' Kerstdaden betrokken geworden en dat op tweeërlei wijs. Zij hebben door hun zonden Christus armoede bezorgd, Christus' armoede uitgemaakt. En zij hebben door Zijn milddadigheid rijkdom verkregen. Zo hebben zij dus een practische, een bevindelijke kennis gekregen aan Christus' nederige geboorte. Het hele Kerstgebeuren heeft een oorzaak bij hen gehad. Het was nodig om hen! Zij hebben dat veroorzaakt! En het Kerstgebeuren heeft ook bij hen een gevolg gehad! Het heeft ze wat gebracht! Zo hebben die mensen van Korinthe middels de prediking van het Kerstevangelie een plaats verkregen naast de herders van Efratha, naast Maria en Jozef, Simeon en Anna.

Gij weet de genade. Gij weet de milddadigheid. Dat kan alleen van iemand gezegd wor-

den, die in Bethlehem genade gevonden heeft, die daar de milddadigheid van de Zaligmaker ervaren heeft, zodat hij van arm rijk werd.

De armoede, die Hij aanging

dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was..."

Laat ons nu de overgang beschouwen, die de Zaligmaker gemaakt heeft, toen Hij van de hemel der hemelen neerdaalde op deze lage aarde! Van de rijkdom van Christus en van de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had, kunnen wij maar een flauw beeld ons vormen. Van dat vaderland van Christus geldt toch het woord: „Wat geen oog heeft gezien en wat geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgeklommen, dat heeft God weggelegd voor die God liefhebben." Als wij dan toch trachten willen daar iets over te zeggen, dan zullen wij ons bewust moeten zijn, dat wij u daar de helft niet van kunnen aanzeggen. Dan ook zullen wij niet hebben te putten uit ons verstand, dat verduisterd is, noch ook uit ons eigen hart, noch ook uit philosophieën, wetenschappen en theologieën, maar uit het Woord Gods zelf.

Welnu dan. Wat was de rijkdom, die Christus daar had? Hij had daar de stad die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is. Daar zijn zelfs de fundamenten uit de edelste stenen en zelfs de poorten gebouwd in een reuze paarl, de deuren gevat in robijnstenen, de glasvensteren van kristal, daar zijn de straten der stad van louter goud en de stad van doorschijnend glas. Dan ook wordt dat Vaderland van Christus beschreven als een paradijs, waar wij weer vinden de boom des levens, van welke vrucht de mensen etende, zij eeuwig leven zullen en welks bladen zullen zijn tot genezing van de heidenen, van de van God vervreemden. Dat land is dus het land van eeuwig leven en van volmaakte welgeschapenheid en gezondheid. Dit land is ook het land van de volkomen zondeloosheid. Daar is geen tempel meer nodig om te oefenen tot Godsvrucht, want niemand zal daar zeggen: „kent den Heere!" Niemand zal daar zeggen: „Dient den Heere", want zij zullen Hem allen kennen, gelijk zij gekend zijn. Vanuit dat gekend zijn Gods vloeit alle Godsvrucht. In dat vaderland in het hoogste is een troon, een verheven, een witte troon omgeven door de vier dieren, de zinnebeelden van de vier Evangeliën. Het is dus een Evangelie-troon, een genadetroon, doorstrengeld van Gods heilig recht. Daarboven welft de regenboog, de boog van Gods natuurverbond. En op die troon zit God, Jezus' Vader. En voor die troon zijn de zeven Geesten, de volle Heilige Geest. En rond die troon zijn de engelen en de ouderlingen en voor die troon de gemeente. Dit en dit alles als Zijn eigen bezit heeft Jezus verlaten. Dit is Jezus' milddadigheid, dat Hij dat om uwentwil heeft verlaten.

Hij is arm geworden, daar Hij rijk was. Deze rijkdommen had Christus als de Zoon en Hij heeft er Zichzelf voor ontledigd voor de tijd van Zijn aardse leven. Naar de mate gij komt van dit stoffelijke bezit tot Zijn geestelijke bezit, verstaat gij hoe schrijnend dit gemis voor Hem moet zijn geweest. Als een dochter van de onmetelijke rijke tsaar, Anastasia, in bittere armoede en ballingschap moet gaan, dan voelt ge hoe dat schrijnen moet. Een herdersjongen uit de Kaukasus zou noch die armoede, noch die eenzaamheid zo gevoelen. Te erger moet voor Christus de geestelijke overgang geweest zijn, van rijkdom naar armoede. Uit 's Vaders heilige en liefderijke nabijheid hier op 's vijands bodem, want de Overste dezer wereld heeft aan Hem niets, maar heeft op Hem al de pijlen afgeschoten, die hij op Adam afgeschoten heeft, ja meer dan die. Hoe heeft hij van Jezus' kribbe tot Zijn kruis tegen Jezus gewoed. Armoede heeft Jezus aangedaan, als Hij miste de gemeenschap der heiligen, om hier in een deels versteende kerk, deels verketterde kerk te moeten leven.

Voeg daarbij dan de volstrekte stoffelijke armoede, die Jezus gedragen heeft van Zijn moeders buik aan en dat tot aan Zijn kruis en graf. Zijn kribbe was geleend van de dieren, gedeeld met de dieren. Zijn bedde was eveneens het stro, dat de dieren tot legerstede pleegt te strekken. Zijn sterfbed was staatsbezit, een aan vreemde soldaten behorend folterwerktuig. Ten slotte is Hij afgelegd in gekregen kleren en neergelegd, begraven in een geleend graf. Zelf zegt Hij: „De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels hebben nesten; maar de Zoon des mensen heeft niets, waarop Hij Zijn hoofd kan nederleggen."

En dat nu om uwentwil.

De kerk heeft toch verdiend al deze armoede: te ontberen hemelse heerlijkheid, zaligheid en rijkdommen en de kerk heeft zich waardig gemaakt de duisternis, de naaktheid, de dorst en de honger der hel, daar waar de buitenste duisternis is.

Ziet hier dan Jezus' borgtochtelijke armoede.

Mijn ziel verheft Gods eer; Mijn geest mag blij den Heer' Mijn Zaligmaker noemen. Die, in haar lage staat, Zijn dienstmaagd niet versmaadt, Maar van zijn gunst doet roemen.

Hoe heilig is Zijn naam! Laat volk bij volk te zaam Barmhartigheid verwachten; Nu Hij de zaligheid, Voor die Hem vreest, bereidt, Door al de nageslachten.

Die stout zijn op hun macht. Heeft Hij versmaad, veracht, Gestoten van de tronen; Maar Hij verhoogt en hoedt Het nederig gemoed, Waarin Zijn Geest wil wonen.

De rijkdom die de kerk verkreeg

„Om uwentwil is Hij arm geworden, opdat gij door Zijn armoede rijk zoudt worden." Let er dus wel ter dege op, dat Jezus' armoede niet een toevallige omstandigheid is, maar inderdaad straf op de zonde. Hier is niet een rustiek stuk romantiek, maar de bittere ernst der zonde. Jezus begint bij Zijn kribbe schuld af te betalen. Wij hebben door de zonde een paradijs verspeeld en voor vrucht doorns verworven. Een zwaardengel houdt ons buiten het paradijs en dit spelt ons buitenste duisternis. Verloren gaan zal niet dan armoede te weeg brengen, èn stoffelijke èn geestelijke armoede. De bijbel spreekt hiervan niet minder dan van een geestelijke en een eeuwige dood.

Maar hoort nu de rijkdommen, die Christus verwierf voor de Zijnen. Vooreerst heeft Jezus de armoede geheiligd, zodat de gelovigen geen afschrik daarvan behoeven te hebben. Dit is een volk, dat geleerd heeft ook gebrek te lijden. Dit is een volk, dat geleerd heeft dan nog op te springen van vreugde in de Heere hun God, dan namelijk als er geen rund op de stallingen zal zijn en als de wijnstok en de olijfboom liegen zullen. Het is een volk, voor wie de raven van Elia nog leven en de oliekruik van Elisa nog olie geeft. Het is een volk van regenend manna en van water uit de rotsen, een volk welks kleren niet slijten en welks schoenriemen niet vergaan. Zij weten zowel in gebrek als in overvloed te vertrouwen op hun Zaligmaker. Bethlehem blijft hun broodhuis en Golgotha hun fontein des levenden waters.

Dat is rijkdom nummer één: arm te kunnen zijn. Maar denkt niet gering van Zijn schatten. Is niet Zijns het goud en het zilver en het vee op duizend bergen? Uit Christus' hand kunt ge alle nooddruft krijgen, mits ge als een verbeurd hebbend zondaar komt. Maar dan geeft Hij ook zo mild. Hij geeft overeenkomstig uw behoefte, Hij geeft overeenkomstig uw staat, Hij geeft overeenkomstig uw aard en karakter. Hebt ge een gierig karakter, Hij geeft bij kleine maat, hebt ge een gul karakter en een ruim hart. Hij geeft mild en overvloedig. Hij geeft, opdat gij ook anderen geven kunt. En Hij geeft met een geschudde, een volle en een overlopende maat.

Het komt al uit Bethlehem!

Tenslotte het grootste bezit der christenen, hun geestelijk goed. Jezus' armoede leert hen arm en nederig te wezen in zichzelf en nochtans rijk, rijk in de Heere. Hij leert hen gebonden te zijn en nochtans vrij, niets hebbende, nochtans alles bezittende. Hij leert hen droevig te zijn en nochtans blijde. Dit is de schat, die altijd gedragen wordt in aarden vaten. Ziet een christen op zichzelf, hij heeft niets, ziet hij op zijn Heere, hij heeft alles. In Hem heeft hij wijsheid, blijmoedigheid, matigheid, in Hem heeft hij èn geloof èn hoop èn liefde. En bij deze schatten van dit leven een erfrecht op het eeuwige leven.

Ook dit komt al uit Bethlehem!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 januari 1970

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

GIJ WEET DE GENADE

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 3 januari 1970

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken