Bekijk het origineel

Het jaar Uwer goedheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het jaar Uwer goedheid

12 minuten leestijd

Gij kroont het jaar Uwer goedheid, en Uw voetstappen druipen van vettigheid. Psalm 65 : 12.

Gij kroont het jaar

Als wij ons op de biddag voor het gewas en voor de arbeid opmaken om op God te letten, hoe Hij door het land gaat; als wij ons op de biddag opmaken om te bidden voor die arbeid en voor deszelfs opbrengsten, dan moeten wij ons bewust zijn, dat dit niet slechts een boerenzondag is. Ook is het niet voldoende te weten, dat zelfs de koning van het veld gediend wordt. Al is het volkomen waar, dat de landbouw de grote voedselvoorziening is van hoog en laag, van het gehele volk. Al is het zo, dat ons land meer en meer bezig is van een agrarische staat een industriële maatschappij te worden, doordat de bevolkingsdichtheid toeneemt en het volk de dertien miljoen haalt, al is het zo, dat vooral in het westen van ons land de steden angstwekkend aanrollen en veel juist beste weidegrond en kleilanden door heimachines doorgraven worden, de Heere is toch de God der ganse aarde. Ninevé wordt in de bijbel genoemd een stad Gods, een grote stad Gods van honderdtwintigduizend mensen. God zegent mens en beest. Men zal nie.t bang behoeven te zijn, dat ooit het land en de vrucht des lands zal ophouden. Men zal nooit bang behoeven te zijn, dat deze aarde, die aan de mensenkinderen ter woon gegeven is, overbevolkt zal worden. Vreest u maar veel meer, nu de tekenen der tijden zo onheilspellend duidelijke taal gaan spreken, dat de oordelen van Openbaringen zullen gaan komen. De zee zal wel de zee blijven en het land het land en naar Gods belofte bij het Noachietisch verbond zullen zaaiing en oogst niet ophouden alle de dagen der aarde.

Op een aangrijpend schone wijze behandelt Psalm 65 de zorg Gods voor het land en voor de zee, al moeten wij wel opmerken, dat de kerk de eerste plaats inneemt in dit alles.

, .Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest en doet naderen, dat hij wone in Uwe voorhoven, wij zullen verzadigd worden met het goede van Uw huis, met het heilige van Uw paleis." De kerk wil niet zonder de plaatsen van de arbeid en het werk kan niet zonder de kerk. Dan wordt gehandeld over de einden der aarde, over de bergen die worden vastgezet, en over het rumoer der zeeën en der volkeren. Dan wordt Gods werken op het land bezongen. God bezoekt het land. Hij doorvochtigt de aarde, zelfs de weiden der woestijn, de heuvelen zijn met kudden bedekt, de dalen met koren. En dan komt temidden van een zingende aarde onze tekst: „Gij kroont het i„ jaar!

Bij het Noachietisch verbond is ook toegezegd, dat dag en nacht, zomer en winter niet ophouden zullen. En de zon en de maan staan als Gods getuigen, dat de dagen en de nachten niet zullen ophouden, de zon is de getuige Gods, dat Hij woord houdt alle de dagen, de maan is Gods getuige, dat Hij woord houdt alle de nachten. En zo gaan de dagen der jaren, de jaren van ons ijdele leven. En de dagen worden weken, worden maanden, worden jaren. Verschillend zijn de dagen, anders in de winter, anders in de zomer.

Het jaar is het jaar onzes Heeren. De wereld zal bestaan het preciese aantal jaren, dat God over de wereld bepaald heeft. De tijd is van God en God doet met elke dag en met elke week, met elke maand, met elk seizoen het zijne. Zij mogen ietwat schommelen, zodat de begindata der jaargetijden niet zo heel nauwkeurig zijn vast te stellen, maar zij verlopen toch naar de wil en naar de raad van de Schepper aller dingen. De Heere betoont, dat Hij niet aan natuurwetten gebonden is, maar dat Hij wel aan alle dingen in de schepping vaste natuurwetten heeft medegegeven. En de kerk zingt: „Hoe groot zijn, Heer', Uw werken, hoe ver gaat Uw beleid, Gij stelt met mogendheid, elk deel zijn juiste perken. Een ziel aan 't stof gekluisterd, beseft Gods daden niet. Geen dwaas weet wat hij ziet, zijn oordeel is verduisterd."

„God nu kroont het jaar." En Hij kroont dat jaar naar de mate wij daarin werken, een ieder in het zijne. Daar is geen jaargetijde, waarin niet ander werk ons wacht. Daar is de tijd van het ploegen. om de resten van de oude planten, de wortels, voorzover zij niet verteerd zijn, uit te rukken, los te werken. Daar is het ploegen om lagere en diepere lagen van de aardkorst naar boven te werken.

Daar is de tijd van het eggen, om de diepe voren en de ruggen gelijk te maken. God kroont die arbeid met een des te beter en vruchtbaarder land. Goed bewerkt land is schoon land, goed bewerkt land is vruchtbaar land.

Daar is de zaaitijd op het veld, daar is de snoeitijd in de wijngaard, daar is de tijd van het uitbotten, de tijd van het ontluiken, daar is de bloeitijd. Het is de schone tijd, waarvan het Hooglied zingt: „Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan; de bloemen worden gezien op het land, de zangtijd genaakt en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land."

Bloeiend land belooft vrucht. Als de vruchtentijd daar is, hetzij dat de vrucht zich zet en groeit, hetzij dat zij in volle heerlijkheid zich vertoont boven vergeelde halmen of tussen vergeeld blad, ook dan kroont God het jaar. Merkwaardig, Hij kroont het jaar en begint met die kroon te leggen om de slapen des jaars van het begin des jaars tot het einde des jaars. De kroon wordt in elk getijde gelegd, totdat zij volkomen is.

Het jaar Uwer goedheid

„Gij kroont het jaar Uwer goedheid." Men kan ook vertalen „het jaar dóór Uw goedheid". Het maakt niet zoveel verschil. Let u nu vooral goed op het verband van de tekst. De psalm spreekt van de zonde en van de kerk en van de verzoening en komt dan tot de goedheid Gods in de natuur. U weet, dat het aardrijk vervloekt is om der zonden wil. Op aangrijpende wijze behandelt de Heilige Schrift ons de vloek op de aarde en ook de werking van die vloek. Nooit zal iemand de oordelen Gods kunnen peilen, ook niet zal iemand de oordelen Gods over de aarde in orde kunnen verhalen. Daar is vooreerst dit woord: ..Het aardrijk brenge u doornen en distels voort." Niemand kan hebben een landerij

of boerderij zo goed, of hij zal hier doorn vinden, daar distelen. Niemand zal ergen wonen, of hij zal die vloek, het bederf te genkomen. Dan is er dit woord: „In he zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten." Dat geldt voor elk mens, zowel de geleerde als de arbeider, de boer zowel al de zakenman. Daar helpt geen werkver mindering, geen achturige werkdag, geen vijfdaagse werkweek.

Dan is er nog iets, als de apostel ons meldt op aandoenlijke wijze, „dat het gan se schepsel zucht en tezamen als in barensnood is, verwachtende de openbaring der kinderen Gods." En wat ons nu de natuur te zien geeft, dat kan alleen de bijzondere openbaring in de voorhoven des Heeren ons leren, namelijk: „Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o vertrouwen aller einden der aarde en der verre gelegenen aan de zee!" En dan komt dat woord: „Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij, maar onze overtredingen, die verzoent Gij!"

Ziet gij wel, dat gij aan uw werk niet genoeg hebt? Ziet gij wel, dat gij de kerk nodig hebt om deze dingen te leren? Gij moet ergens, onder uw werk door, uw zonden leren kennen en gij moet ook ergens, onder uw werk door, de verzoening leren kennen. Dan alleen wordt God de God van uw vertrouwen. En dit volk nu, dat alzo onderwezen wordt, woont tot aan de einden der aarde, der verre gelegenen aan de zee. Dat is het welgelukzalige volk, dat Hij verkiest en doet naderen, dat hij wone in de voorhoven.

En zie nu wordt het jaar een jaar Zijner goedheid. Er is een goedheid Gods naar Gods algemene genade en er is ook een goedheid Gods naar Gods bijzondere genade. De algemene genade gaat over de hele schepping en zij is er om Christus' wil. Hij heeft niet voor niets de doorns der aarde in een doornenkroon op Zijn gezegend hoofd gedragen. Zo wordt het aardrijk van een gevloekt een gezegend aardrijk. Zo wordt het jaar van het begin des jaars tot het einde des jaars het jaar van Zijn goedheid. Helaas wordt echter door de natuurlijke mens noch de vloek, noch de oorzaak van de vloek, namelijk de zonde, gezien. De natuurlijke mens kent de vreselijke dingen niet, zijn oordeel is verduisterd. Een dwaas weet niet wat hij ziet.

Maar daar is ook de bijzondere genade. Zij is bij het volk, dat Hij verkoos en dat Hij deed naderen. Het is het volk, dat Hij verzadigde met het goede van Zijn huis, met het heilige van Zijn paleis. Het is het volk van de schulderkentenis en van de verzoening. En dat weet: om Christus' wil is de vloek der aarde veranderd in een zegen en de jaren zijn voor dat volk geworden de jaren onzes Heeren. De uitgangen van de morgen en van de avond zijn voor hem gaan juichen. En nu die goedheid Gods, die komen zij zo vaak tegen in de dagen hunner jaren.

Uw gunst sterkt meer dan d uitgezochtste spijzen: Laat met het licht haar licht voor ons verrijzen; Zo zal ons hart op liefelijke wijzen s s - Uw goedheid, al ons ov'rig leven, prijzen. Verblijd ons naar de maat van onze druk. En naar de tijd van al ons ongeluk.

t s - Laat Uw genè ons met haar troost verrijken En laat Uw werk aan Uwe knechten blijken, Uw heerlijkheid niet van hun kind ren wijken. Uw liefd'. Uw macht behoed' ons voor bezwijken! Sterk onze hand. en zegen onze vlijt; Bekroon ons werk, en nu, en t' allen tijd'.

Druipende voetstappen

- „En Uw voetstappen druipen van vettigheid; zij bedruipen de weiden der woestijn, en de heuvelen zijn aangegord met verheuging. De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij."

De Heere zet Zijn voetstappen. U begrijpt dat dit beeldspraak is, want de Heere is een Geest, zodat Hij geen handen en geen voeten heeft. Maar al is dit beeldsprakig op te vatten, daarom is het niet minder waar. De Heere is alomtegenwoordig, maar waar Hij ten oordeel of tot straf komt of ook waar Hij ten voordeel of tot zegening komt, daar wordt Gods tegenwoordigheid zo zichtbaar. Daar worden Gods voetstappen gezien door het geloof. Zo kan God Zijn voetstappen zetten in de historie en de kerk Gods weet er van: ..Daar was God, daar kwam Hij, daar ging Hij, hetzij ten oordeel aan Zijn vijanden, hetzij ter bevrijding of ter zegening van Zijn gunstgenoten." God kan ook Zijn voetstappen zetten in iemands leven. Als er bijzondere slagen vallen, sterfgevallen, ongevallen, bijzondere gebeurtenissen, roepstemmen, of ook verrassende uitkomsten, zegeningen, dan weet wederom het godvruchtig gemoed: „Dit is de Heere! Dit zijn de voetstappen Gods. Zo nu kan de Heere ook Zijn voetstappen zetten op het land, daar waar mensen leven, daar waar mensen werken, daar waar mensen strijden.

Dat legt een hele verantwoordelijkheid op ons. Als Hij als de grote landheer het land bezoekt, Zijn land bezoekt. Dat leest u letterlijk in vers 10: „Gij bezoekt het land!" Denkt u daar maar goed om, dat wij op het plekje gronds, waar wij werken, de Heere te allen tijde verwachten kunnen, om ons en ons werk te zien. God houdt niet van stakers, dat komt bij Hem niet voor. Jezus zegt: „Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook." Doet u dat maar nooit. God houdt ook niet van lediggang. U moet geen lege dagen hebben en de zondagen moet u vullen met de dienst des Heeren. Weest u maar bij het morgenoffer en bij het avondoffer aanwezig. Voorts moet u goed werk leveren, goed werk, net werk, schoon werk en niet te duur. Een christen moet hoofdzakelijk voor zijn God werken.

Evenwel nu komt de Heere niet ter inspectie, maar ter zegening. O grote Koning, barmhartige God, Vader van de Heere Jezus Christus, Vader in Christus, komt Gij nu tot niets dan tot zegen? Uw voetstappen druipen van vettigheid. Waar de Heere geweest is, waar Hij Zijn voetstappen gezet heeft, daar doet Hij het al ten zegen dijen, daar druipt het al van vet. Vettigheid, dat is een woord, dat bijzonder in de bijbel een grote rol speelt. De bijbel spreekt van rijke offers als van offers van het vette der rammen, van vet vol mergs, ook van vette tarwe.

En nu hier in onze psalm laat de psalmist zelfs de weiden der woestijn, schrale weiden met hier en daar een plukje hard gras bedruipen. De heuvelen zijn niet kaal en rood geschroeid door de zon, maar zij zijn aangegord met verheuging. De zijden der heuvelen zijn zo begroeid, dat zij als een gordel van rijk gewas omhebben. De velden zo hier en daar in de bergen zijn bekleed, zij zijn bekleed met hele kudden schapen. Als met een wollen kleed zijn alle de velden versierd. En de dalen zijn bedekt met koren. Hebt u wel eens neergezien in dalen met hun prachtig gekleurde korenvelden? Eén laken is het met verschillende kleuren groen. Zie, daar hebt gij de vette voetstappen van de Schepper, daar hebt gij de zegenbrengende voetstappen van de Landman, van de Vader van de Heere Jezus Christus. Zo ziet Hem Zijn volk, dat volk der verkorenen, dat volk van de vreselijke dingen, dat volk van de verzoening.

En als u goed luistert, dan hoort u de heuvelen en de dalen, zelfs de weiden der woestijn zingen. De psalm eindigt met het: „Zij juichen, ook zingen zij."

Laat nu ieder mediteren op de Schepper, op de Alzegenaar, laat nu ieder aanbidden die Koning der ganse aarde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 maart 1970

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Het jaar Uwer goedheid

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 maart 1970

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken