Bekijk het origineel

Zegenend opgenomen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Zegenend opgenomen

10 minuten leestijd

En het geschiedde — als Hij hen zegende. Lukas 24 : Sla.

Daar zijn drie gedachten, die ons vanmorgen bezighouden, welke verband houdeo met de Evangeliebediening van Gods knechten, namelijk, dat Jezus hen zegenend verliet bij Zijn hemelvaart, dat Jezus zegenend in de hemel is, alzo Hij daar altijd leeft om voor hen te bidden, naar Hebreën 7 : 25, en dat Hij alzo zal wederkomen, zoals zij Hem hebben zien heengaan, dat is dus óók zegenend. Alzo: dat is op de wolken des hemels, maar ook zegenend.

Wat is er toch een nauwe band geweest tussen Christus en de apostelen. Bij de hemelvaart komt die band opnieuw openbaar. Lukas maakt daar in zijn evangelie en in de Handelingen melding van. Van de andere evangelisten maakt alleen Markus melding van de hemelvaart in één zinnetje, waarbij hij er dan aan toevoegt, dat Jezus is gezeten aan de rechterhand Gods. Lukas vermeldt meerdere bijzonderheden, namelijk dat de Heere Jezus Zijn discipelen uitleidde tot aan Bethanië. Hij spreekt dan niet van de Emmaüsgangers, die bij de discipelen te Jeruzalem waren. In de Handelingen vertelt Lukas van het gesprek, dat Jezus met de discipelen had en dat de discipelen de Heere naoogden, waarna zij onderricht werden door twee engelen aangaande Zijn wederkomst. De veronderstelling is gemaakt, dat de discipelen verwachtten, dat zij tekenen aan de hemel zouden zien van het verbleken van de zon en het veranderen van de maan of ook als in de Kerstnacht van het opengaan van de hemel voor Jezus.

De Schrift meldt van dat alles niets, dan alleen dat een wolk Hem wegnam van hun gezicht. Men meent wel dat die wolk een wolk van engelen geweest kan zijn, zoals Hij ook met Zijn vele duizenden van engelen zal komen, als met een wolk van getuigen. Ook daarvan zegt de Schrift niets. Houden wij ons nu slechts aan dat, wat onze tekst letterlijk zegt.

Jezus was alleen met Zijn discipelen. Dat is een zekere troost voor de dienaren Gods, dat de Heere Zijn knechten bij Zich roept eenmaal en dat Hij ze bij Zich houdt. Dit is het grote geluk van Gods dienaren, dat Hij Zijn dienaren roept en dat Hij ze tot Zich roept. Daar is een band, een mystieke band, die hen aan elkander verbindt. Jezus wil niet zonder Zijn dienaren en Zijn dienaren kunnen niet buiten Hem. Hij neemt ze ook mee naar alle bijzondere plaatsen en Hij bepaalt ze bij de grote heilsfeiten. Zo ook bij het heilsfeit van Zijn opstanding en van Zijn hemelvaart. Daar hebben zij getuigen van mogen zijn. Hij leidde ze zelf tot aan de Olijfberg. Daar, waar zij getuigen hebben mogen zijn van Zijn lijdensbegin, hier mogen zij getuigen zijn van het begin van Zijn glorie. Zij hebben de opdrachten ontvangen van hun arbeid, eenmaal en andermaal en nu gaan zij iets zeer bijzonders ontvangen. Zijn handen opheffende zegende Hij hen. En de hemelvaart geschiedde als Hij hen zegende!! Hij vaart heen met zegenende handen. Vandaar, dat zij Hem naoogden.

Dit is iets groots. In de wet was geboden, dat de Hogepriester na het offer op de grote Verzoendag het volk moest zegenen, Leviticus 9 : 22. Nu was door de enige Hogepriester, op Wie alle de hogepriesterlijke handelingen van het Oude Verbond zagen, het enige en volmaakte offer óp het kruis volbracht, en nu mocht en moest de grote Hogepriester zegenen. De apostelen toch vertegenwoordigden de stammen Israëls. Zij ontvingen voor heel Israël de zegen. Dat is wat geweest! De zegen voor het hele volk mee te krijgen. De elven stonden daar niet maar als personen. Heel het Evangelie, heel het Woord, heel de genade met al wat daaraan verbonden was, werd door deze zegening aan hen meegedeeld. Eerder hadden zij de opdracht gekregen, maar de opdracht is nog niet de inhoud. Eerder had de Heere op hen geblazen en gezegd:

„Ontvangt de Heilige Geest", maar de Heilige Geest zou ze al de volheid van Christus van Zijn heil bekend en deelachtig maken. Welnu, hier spreidt Jezus de handen over hen uit en startte als het ware heel het beloofde heil tot verkondiging over hen uit. Hier komt de vulling van het ambt voor het elftal. —

Wat is het toch een wonderlijke zaak, dat de Heere met zulke kleine en eenvoudige mensen een zo groot werk wil gaan doen. Dat zou toch niemand geloven, dat zo'n eenvoudig elftal op zo'n kleine berg, zo'n hemelse taak verkreeg, om het Koninkrijk Gods op aarde te gaan verbreiden. En wat is het een wonderlijke zaak, dat dit eenvoudige begin een wereldomvattende zaak zou worden. Want dit is, wat de wereld overwint, zegt Johannes, namelijk ons geloof. Het komt enkel en alleen uit, het komt enkel en alleen van die zegenende handen. Nu lijkt het, alsof Jezus lege handen over hen uitbreidt. Niets is minder waar. 't Zijn doorboorde handen. Zij zijn met verzoening gevuld, 't Zijn doorboorde handen. Zij zijn met genade gevuld, 't Zijn doorboorde handen. Zij zijn met gerechtigheid gevuld.

Dit, jeugdige prediker!, die bevestigd staat te worden, is uw enig uitgangspunt, dit is uw enige volmacht. Deze handen kunnen de enige vulling geven aan uw werk. Als ge met niets gaat, dan wat die handen u geven, u meegeven, dan zal het gaan! En dan ligt daarachter ook niet minder, dan dat volle borgwerk van Christus voor schuldige zondaren, Zijn werk in Zijn gezegende geboorte, Zijn werk in Zijn gezegend lijden en sterven, Zijn werk in Zijn gezegende opstanding. Maar ook en vooral Zijn gezegende gang naar de hemel. Dit is Zijn zegen, die Hij Zijn knechten geeft, dat zij mensen mogen leiden tot aan, tot in die weg, die Hij door Zijn hemelvaart gebaand heeft tot God en tot Zijn eeuwig en gezegend Koninkrijk.

En het geschiedde — als Hij hen zegende

Ik zeide, dat dit zegenend heengaan een profetie was van wat Hij daar achter de wolk, in de hemel zou gaan doen. Hij zou daar naar Hebreën 7 : 25 „leven om altoos voor hèn te bidden, die door Hem tot God gaan, waarom Hij hen ook volkomen kan zalig maken".

Als de discipelen Hem naogeri, dan

gaan zij vermaand door Jezus Zelf, „terstond weder naar Jeruzalem, — Zij aanbaden Hem — en zij komen in Jeruzalem met grote blijdschap en zij waren ten allen tijd in de tempel lovende en dankende God!" Daar hebt gij de zegen van die handen vanuit de hemel. Ze hebben Hem met zegenende handen zien henenvaren totdat de volk Hem aan hun gezicht onttrok. Maar daar leeft Hij altijd voor hen en met hen mee, biddend en met zegenende handén. — Toen Hij ze eerst zeide, dat Hij van hen heen zou gaan. waren zij zeer bedroefd en nu zij Hem hebben zien heengaan, waren zij vervuld met grote blijdschap! Hoe kon dat zijn? De Heere was niet met hen, maar boven hen en onder die zegenende handen waren zij zeer beschermd en veilig. Jeruzalem, dat de Heere der heerlijkheid gekruisigd had, was vol met haat, die die discipelen zou vervolgen. En durfden zij dan nu zo in die stad binnen te gaan? En daar te blijven? Eerst zaten zij achter gesloten deuren. En nu gaan zij openlijk en dagelijks de tempel binnen? Ja voorzeker, want zij wisten zich onder zegenende handen van die Hemelkoning, de Overwinnaar van dood en hel, de Overwinnaar van de wereld. Daarom durfden zij en dat niet angstvallig, maar met grote blijdschap. Zij hielden zich niet angstvallig stil ergens in de tempel schuil. Maar zij loofden en dankten God ten allen tijd. Wat hadden zij dan te loven en te danken? Alles, wat zij in Christus hadden. Alles wat Hij gedaan had en deed. Dat loven en danken was niet slechts lofzingen, maar het was prediken. De beste prediking is die, die God verheerlijkt, die Christus en Zijn werk prijst en aanprijst. Dat is toch eigenlijk de taak van een prediker: God en Zijn Zoon groot maken. Dit is de rechte prediking niét, die de mens groot maakt, die de mens prijst en die alle menselijke prestaties aanprijst. Dit deden dus de apostelen en dit geschiedde onder de zegenende handen van Hem, Die naar de hemel gevaren was, en daar altijd leeft om voor hen te bidden.

Dat is even een zegen, als boven een leraar biddende Middelaarshanden zijn, als boven een kerk zegenende Middelaarshanden zijn! Dan kan een leraar werkelijk zelfs onder de moeilijkste omstandigheden, zelfs als gevaren dreigen, zoals toen, toen de vervolgingen losbraken, en dan kan de leraar goedsmoeds zijn. Dan zal er zelfs zegen vallen. Is het niet, dat de ten hemel gevaren Koning gaven genomen heeft om uit te delen zelfs onder de wederhorigen, om bij Hem te wonen?

Gezegend werk dan, dat een leraar doen mag, door Hem geroepen, door Hem uitgeleid, gezegend werk dan dat een leraar doen mag onder die zegenende handen en onder die voorbiddende handen. Dan geschiedt er wat.

Gemeente, dan geschiedt er wat, niet door die handen van uw leraar, hoewel die el daarvoor gebruikt worden, maar door diè handen, van welke alle zegen is afalende, van boven, van de hemel.

En het geschiedde —> als Hij hen zegende.

Ik zeide, dat de engelen voorzeiden, dat Hij alzó zou wederkomen. Als wij dat lezen. dan denken wij altijd aan de wolk. En het is waar. Hij komt eenmaal met de wolken om te oordelen de levenden en de doden. Het is zeker waar! Dat kunnen dan dus volgens sommigen zijn met wolken van engelen, 't Kunnen ook de gewone wolken zijn. Maar dit is zeker waar: Ging Hij met zegenende handen heen, zó zal Hij dan ook zegenend wederkomen. Let er toch wel op. dat bij Zijn komst allereerst de overgebleven gemeente Hem tegemoet zal gaan in de lucht, veranderd in één punt des tijds. En de apostel zegt: „En dan zult gij altijd met de Heere zijn!"

Geliefden, dan zal wel het oordeel geveld worden, maar dat zal dan gaan niet in de eerste plaats over onze zonden (hoewel dat ook!) maar in de eerste plaats naar geloof of ongeloof, naar bekeerd of onbekeerd zijn. 't Zal daar gaan, of het Evangelie, zoals het gebracht is, ons tot behoud geworden is of niet. Dan komt de macht van de prediking in het geding: dat loven en prijzen van God, dat loven en prijzen van de ten hemel gevaren Koning. Ging Hij zegenend ten hemel, want zo geschiedde het!, dan zullen wij alleen gezegend ten hemel gaan. Van die handen, gemeente, van die handen alleen zal het afhangen, of gij eenmaal zalig zult zijn.

Van die handen, gemeente, alleen zal het afhangen, of daar plaats voor u zal zijn in de hemel. Vraagt gij nu, hoe gij dat weten zult, of die zegen van Zijn handen voor u zal geweest zijn? Dat hangt middellijkerwijs af van diè handen, die handen der apostelen, die handen van Zijn dienstknechten, de handen ook van deze dienstknecht. Zal zijn werk u tot zegen zijn, , dan wordt gij zalig. Ziet dan op zijn werk in de prediking, des morgens en des avonds, ziet dan op zijn werk in de catechese, ziet dan op zijn werk in huis- of ziekenbezoek, of daar voor u uit voortkomt Christus en al Zijn heil, Christus en al Zijn hemelse zegeningen. Ziet dan, of u als wederhorig kroost altoos bij Hem moogt wonen — reeds hier op aarde in Zijn huis, en dan straks eeuwig in Zijn huis, waarheen Hij de weg baande voor al Zijn volk.

Laat dan, jonge dienaar des Woords, jonge dienaar van Christus, al de kracht van uw werk uit Zijn gezegende Middelaarshanden u toekomen. Zonder Zijn zegen waren de discipelen niets. Maar met Zijn zegen hebben zij schatten van zegen onder het volk mogen verbreiden, prijzende en lovende Hem, Die op de troon zit. Zonder Zijn zegen vermoogt ook gij niets, met Zijn zegen zal Hij voor u zijn de kracht van uwe kracht. Als Hij zegent...

geschiedt het.


*) Bij de bevestiging van cand. P. Molenaar op Hemelvaartsdag 1971 te Jaarsveld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 juni 1971

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Zegenend opgenomen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 juni 1971

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken