Bekijk het origineel

Van de enige voorbidding van Christus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de enige voorbidding van Christus

16 minuten leestijd

Wij geloven, dat wij geen toegang hebben tot God, dan alleen door de enige Middelaar en Voorspraak Jezus Christus, de rechtvaardige; dewelke hierom mens geworden is, verenigende tezamen de Goddelijke en de menselijke natuur, opdat wij mensen een toegang zouden hebben tot de Goddelijke Majesteit; anderszins ware ons de toegang gesloten. Maar deze Middelaar, die de Vader ons heeft gegeven tussen Hem en ons, moet ons door zijn grootheid niet verschrikken, om ons een andere naar ons goeddunken te doen zoeken. Want daar is niemand, noch in de hemel noch op de aarde onder de schepselen, die ons liever heeft dan Jezus Christus: Die, hoewel Hij in de gestaltenis Gods was, nochtans zichzelf vernietigd heeft, aannemende de gestaltenis van een mens en van een knecht voor ons. Fil. 2 : 6, 7, en is in alles zijn broederen gelijk geworden, Hebr. 2:17. Indien wij nu een andere Middelaar moesten zoeken, die ons goedgunstig" ware, wie zouden wij kunnen vinden die ons meer beminde dan Hij die zijn leven voor ons gelaten heeft, ook toen wij zijn vijanden waren? Rom. 5:10. En zo wij een zoeken die macht en aanzien heeft, wie is er die zoveel macht heeft als degene die gezeten is ter rechterhand zijns Vaders? , Rom. 8 : 34, en die alle macht heeft in de hemel en op aarde? Matth. 21 : 18. En wie zal eerder verhoord worden dan de eigen welbeminde Zoon Gods?

Zo is dan alleen door een mistrouwen dit gebruik ingevoerd, dat men de heiligen onteert, in plaats van die te eren, doende hetgeen zij nooit gedaan noch begeerd hebben, maar hebben het volstandiglijk en volgens hun schuldige plicht verworpen, als blijkt uit hun gescchriften. En hier moet men niet voorbrengen, dat wij het niet waardig zijn; want het heeft hier de mening niet, dat wij onze gebeden op onze waardigheid zouden voordragen, maar alleen op de uitnemendheid en waardigheid van onze Heere Jezus Christus, wiens rechtvaardigheid de onze is door het geloof. Daarom de apostel, willende deze zotte vrees, of veel meer dat mistrouwen van ons nemen, zegt ons, dat „Jezus Christus zijn broederen in alles gelijk moest worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou zijn om de zonden des volks te verzoenen; want in hetgeen Hij zelf verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen die verzocht worden, te hulp komen", Hebr. 2:17, 18. En daarna, om ons nog meer moed te geven, om tot Hem te gaan, zegt hij: „Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon Gods, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen Hogepriester die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de Troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd." Hebr. 4 : 14—16.

Dezelfde apostel zegt, dat „wij vrijheid hebben tot de ingang van het Heiligdom door het bloed van Jezus. Hebr. 10: 19. Zo laat ons dan toegaan ", zegt hij, „in volle verzekerdheid des geloofs", enz., vs. 22. Desgelijks „Christus heeft een onvergankelijk Priesterschap, waarom Hij ook volkomen kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo

Hij altijd leeft om voor hen te bidden." Hebr. 7: 24, 25. Wat ontbreekt er meer, dewijl Christus zelf deze uitspraak doet: „Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij"? Joh. 14:6. Waartoe zouden wij een andere Advokaat zoeken, aangezien het God beliefd heeft ons Zijn Zoon tot een Advokaat te geven? Laat ons Hem niet verlaten om een andere te nemen, of veel meer een andere te zoeken, zonder hem immermeer te vinden; want als God Hem ons gegeven heeft, zo wist Hij wel, dat wij zondaars waren. Daarom, achtervoigens het bevel van Christus, zo roepen wij de Hemelse Vader aan door Christus, onze énige Middelaar, gelijk wij in het gebed des Heeren geleerd zijn: verzekerd zijnde, dat al wat wij de Vader in zijn naam bidden zullen ons zal ge-

geven worden, Joh. 16 : 33.

Art. XXVI N.G.B.

Een ontsloten toegang tot God

De toon van artikel 26 is een geheel andere dan die van de overige artikelen van de Geloofsbelijdenis. Hier is niet meer de tot nu toe gevoerde betoogtrant, die gevoerd wordt. Het is niet meer het geven van een getuigenis over het een of andere geloofsstuk. Hier treft Guido de Brés meer een pastorale toon en gaat de gemeente voor in de weg van het gebed. Daartoe moet het volk, dat nog geheel in de vang van de Roomse gewoonten zat, ontwend worden aan kwalijke gebedsgewoonten en dan ook voor alles onderwezen worden in wat de Heere Christus op het terrein van het bidden voor Zijn kerk betekent. Dat is dus een goed ding, dat de Brés een andere toon voert in het bidden dan in het leren en ook een andere toon voert in het bidden dan in het belijden. Bidden is tot God spreken en de bidder en zeker de biddende voorganger heeft God niets te leren. Het gaat niet aan om Gode onze opvattingen voor te leggen, minder nog om Hem die voor te houden. Wij moeten van God onderwezen worden, niet Hij door ons. En de Heere heeft ons Zijn Woord gegeven tot onze lering. Als wij bidden, dan kan dat bidden een belijden voor God zijn: wij kunnen Gode onze zonden belijden, wij kunnen Hem ook ons geloof belijden en Hem ook belijden dat wij Hem liefhebben. Dat zijn goede zaken. Nooit belijdt een mens beter en inniger en vruchtbaarder dan wanneer hij dat voor de Heere doet. Maar dit belijden kan en mag niet worden een voorschrijven van de weg aan Hem, Die ons in Zijn wegen moet leiden. God leidt ons nooit in ónze uitgekozen wegen.

Nu dan gaat in ons artikel De Brés het volk leren hoe dat het bidden moet en dan bijzonder leert hij het welke waarde de voorbede van Christus voor de kerk heeft. Vóórbidden is nog iets anders dan bidden. Voorbede treedt dan in als een mens zelf niet bidden kan. Voorbede is ook nog iets meer dan leren bidden. Iemand die niet verstaat te bidden, of niet verstaat echt en recht te bidden, kan dat leren van Hem. Zo baden de discipelen de Heere Jezus: „Heere, leer ons bidden." En wij lezen ook ergens dat wij niet weten te bidden, gelijkt het betaamt. Maar voorbede kan en moet geschieden niet alleen dan, als wij niet kunnen bidden, maar ze moet ook geschieden voor elke bidder, zelfs voor de beste bidder. Onze gebeden, ook die van de allerheiligste, zijn toch altijd met zonden bevlekt en keren vaak schuldig in onze boezem weder. Nu is de voorbede van Christus een voorbede voor hen die niet weten te bidden, maar ook een overbidden, een heiligend, een reinigend bidden van al de gebeden der heiligen. Hij bidt als de Voorspreker bij de Vader de beden der Zijnen over en heiligt ze op het hemels reukaltaar.

Reeds dat overbidden der gebeden, ook dat voorbidden voor één, die niet te bidden weet, bewijst dat een mens als schuldig en onrein zondaar nooit toegang kan hebben tot God. De afgesloten weg tot het Paradijs met de zwaardengel daarvoor bewijst het ons dat wij geen toegang tot God hebben. De diepe eerbied van de engelen voor Hem Die op de troon zit, bewijst ons ook dat God heilig is en dat stellig geen schuldig zondaar tot Hem kan naderen. De duisternis en de ontoegankelijkheid tot het heilige der heiligen in de tabernakel doet ons dit eveneens zien. Het optreden van Christus als Middelaar heeft echter in de verbinding van de Goddelijke met de menselijke natuur de toegang tot de Goddelijke majesteit ontsloten. Het voorhangsel in de tempel is gescheurd door Zijn uitnemende offerande, door Zijn

volkomen offerande. Alleen reeds Zijn tussentreden bij de Vader voor mensen, voor zondige mensen met doorboorde handen, is de garantie dat de weg tot God geopend is voor zondaren, mits die door Hem, de Heere Jezus, tot God gaan. Hij is een Voorspraak als God en mens, maar Hij is vooral een Voorspraak als de Rechtvaardige. Hij heeft als Middelaar rechten bij de Vader en Hij heeft als betalende Middelaar rechten bij de Vader voor zondaren. Zo is. dan door Hem de weg ontsloten.

Daar is meer. Artikel XXVI zegt dat deze Middelaar door de Vader óns gegeven is, tussen Zich en ons. Dat zijn twee heel belangrijke dingen, die ons melden dat het hart des Vaders te onswaart bewogen moet zijn geweest, dat Hij, de rechtvaardige, maar ook zeer barmhartige God, Christus tot een Middelaar gegeven heeft.

Het tweede is dit, dat Hij Christus gegeven heeft tot een betalende Middelaar, opdat Hij de Heilige met behoud van het recht Gods genade zou kunnen bewijzen aan zondaars. En dat heeft Hij gedaan. Hij heeft Hem gegeven en Hij heeft Hem dóén betalen, opdat genade met recht verenigd zou worden. Zo is dan de troon van Gods heilig recht tevens geworden de troon van genade.

Het is schoon, dat die troon toegankelijk is voor zondaars, maar het is al zo schoon, dat die troon toegankelijk is voor gebeden. Denkt u in wat voor gebeden: schuldbelijdenissen, genadebeden en dankzeggingen voor verleende amnestie. Dat zulke beden toegang hebben in de hemel der heiligheid, dat mag wel alleen gedankt worden aan die Middelaar, Jezus, Die tegelijk Voorbidder is. Alzo: een ontsloten toegang tot God.

Geen andere toegang zoeken

„Zijn grootheid moet ons niet afschrikken, om ons een ander te doen zoeken. Want er is niemand, die ons liever heeft, in hemel en op aarde, dan Jezus Christus." Dat zou namelijk kunnen zijn, dat de grootheid Gods, dat ook de grootheid van de Heere Jezus ons zou afschrikken om Zijn voorbede te vragen. Hoe menigmaal lezen wij in de Schrift, dat de ontmoeting met engelen de mens al met vrees vervulde. Ook lezen wij, dat het ontmoeten van God Abraham, Jesaja, Johannes met diepe vrees vervulde. Het was toch bij hen allen: „Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens." Dat gold van God de Vader, maar ook van de Zone Gods. Wie ontdekt werd aan zichzelf moest dit toch zeker onderschrijven. En wie Christus aanschouwt in Zijn heerlijkheid, die moet toch zeker ook neerzinken in vernedering voor Hem. Is het dan niet te begrijpen, dat er geweest zijn, die tot discipelen van Jezus zullen zeggen: „Spreek gij voor mij tot de Heere!"

De belijdenis vermaant ons, dat Zijn grootheid ons niet moet afschrikken. Hij heeft Zich toch Zelf aangeboden als Middelaar? En Hij is toch van de Vader gegeven tot Middelaar? En dan toch tot Middelaar niet van zondelozen, maar van zondaren. De grootheid van een Middelaar moet ons eerder aantrekken dan afschrikken. Want Zijn grootheid is een grootheid in de genade. Hoort toch wat de belijdenis zegt, bij monde van niemand minder dan de vermaarde christen-leraarmartelaar Guido de Brés: „Want er is niemand, noch in de hemel, noch op de aarde, onder de schepselen, die ons liever heeft dan Jezus Christus, dewelke hoewel Hij in de gestaltenis Gods was, nochtans zichzelf vernietigd heeft, aannemende de gestalte van een mens en van een dienstknecht voor ons, en is in alles Zijn broederen gelijk geworden."

Niemand heeft ons liever dan Hij. Voorts zegt de Brés: „Wie zou ons meer goedgunstig zijn, wie zou ons meer beminnen dan Hij, die Zijn leven voor ons gelaten heeft, ook toen wij Zijn vijanden waren? " Wat een gedachte: „De Heere bemint ons, niemand meer dan Hij!" Moeten wij dan op aarde of in de hemel iemand zoeken, die ons meer liefheeft? Laat toch niemand de Brés beschuldigen van Remonstrantisme of van algemene verzoening om dit zijn zeggen. De Brés is wel verre van die beschuldigingen, maar laat toch niemand zo lichtvaardig met zulke beschuldigingen werpen als velen ten onzent doen. En laat toch niemand het licht van het Evangelie verduisteren door altijd en in alles de verkiezing en de bekering er bij te halen!

Wat een gedachte, wat een' heerlijke evangelische gedachte: De Heere bemint zondaren, de Heere bemint de mens, ook zelfs als deze Hem nog vijandig is. Moet dat niet het volk Gods, dat Zijn voorbede behoeft, begerig maken en vervrijmoedigen om tot Hem te gaan om voorbede te begeren? Laat dan toch af van alle schepsel, hetzij op de aarde of in de hemel.

Wie toch heeft zoveel macht en aanzien als Hij? Welke heilige die op aarde is? Welke heilige, die in de hemel is? En iemand, die zoveel macht en aanzien heeft in de hemel en op aarde, die kan met Zijn voorbede zo ontzaggelijk veel doen. Wat zal men toch een andere voorbidder zoeken? „Wie zal er eerder verhoord worden dan de eigen welbeminde Zoon Gods? " Laat toch af van alle schepselen, zelfs al waren het de heiligen, om van hen de voorbede te vragen. Hebben die heiligen dan aanbidding aanvaard, toen zij op de aarde waren? Dat hebben zij nooit begeerd. Dat hebben zij altijd verworpen. Daarmee onteert men die heiligen. Daarmee — en dat is het ergste - — mistrouwt men Christus. Ook moet men hier niet aanvoeren, dat men de voorbede niet waardig is. Het is hier de mening niet, dat onze gebeden aangenomen zouden worden om onze waardigheid. En men kan ook zijn onwaardigheid ten onrechte naar voren schuiven. Dat is God al evenmin aangenaam. De belijdenis noemt dit zelfs een zotte vreze. Al met al dus: geen andere voorbidding dan die van Jezus.

Dat wil zeggen, dat het een mens hier op aarde niet verboden is om voorbidding te doen voor een ander. „Bidt voor elkander!" zegt Jacobus 5:16. En een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel, zegt dezelfde tekst in Jacobus 5:16. Men moet daarin echter niet te ver gaan. Een predikant, een ouderling, een christen mag voorbede gevraagd worden, maar ook dit vragen mag niet leiden tot een protestantse heiligenverering. Geeft God, de God van alle genade, alleen de eer! Geeft Christus als de grote Voorbidder alleen de eer! Bovendien het verhoren is niet aan een bidder, maar aan de Hoorder der gebeden.

De lofzang klimt uit Sions zalen Tot U, met stil ontzag! Daar zal men U, o God, betalen Geloften, dag bij dag. Gij hoort hen, die Uw heil verwachten, O Hoorder der gebeên! Dies zullen allerlei geslachten Ootmoedig tot U treên.

Daar zal ons 't goede van Uw woning Verzaden, reis op reis. En 't heilig deel, o grote Koning, Van Uw geducht paleis. Gij, Gij zult vreselijke dingen Ons, in gerechtigheid, Doen horen, en ons blij doen zingen Van 't heil, voor ons bereid.

Met vrijmoedigheid toegaan

Men moet maar toegaan met zijn zonden, want Hij is ook zelf verzocht, daarom kan Hij degenen die verzocht worden te hulp komen. Al staat gij onder nog zo zware verzoeking, al dreigt gij dan dagelijks te vallen, wend het eens tot Hem, om Zijn voorbede. Als uw bidden niet helpt, als uw bidden niet krachtig genoeg is, niet oprecht genoeg is, als uw wederstand tegen de zonde niet krachtig genoeg is, als uw wederpartij der s verre krachtiger zijn dan gij zijt, wendt het dan toch tot Hem. Hij is toch zo'n barmhartige, zo'n medelijdende Hogepriester, die behoorlijk medelijden kan hebben met al uw zwakheden. Met uw geestelijke zwakheden, met de zwakheid van uw geloof, met de zwakheid van uw tegenstand, met de zwakheid van uw vlees, met de zwakheid zelfs van uw lichaam. Hij is Zelf in alles verzocht als gij, doch zonder zonden.

De apostel zegt dat wij met vrijmoedigheid moeten toegaan. Ook zegt hij, dat wij de vrijmoedigheid hebben. En die vrijmoedigheid hebben wij niet van onszelf, niet uit onszelf, ook niet in onszelf, niet om onszelf, maar die mogen wij alleen hebben om dat bloed van Christus, om dat reine bloed van Christus. Laat ons dan toch met vrijmoedigheid toegaan. Niet vrijpostig, maar ook niet zo angstvallig. Dat is toch niet tot eer van Zijn genade. Niet zo al zuchtend. Niet zo al klagend. Laat ons met gepaste vrijmoedigheid toegaan. En een gepaste vrijmoedigheid is een gelovige vrijmoedigheid, niet mistrouwend, maar vertrouwend. Een gelovig oog omhoog geslagen. Een vertrouwend hart en een geheven hand zal de Heere niet verachten. En het gevolg zal zijn: — genade vinden

— barmhartigheid verkrijgen — geholpen worden < — ter bekwamer tijd. De apostel zegt zelfs: ..Laat ons dan toegaan in volle verzekerdheid des geloofs.'

De Heere is toch zo waard, dat wij gelovig tot Hem komen. Hij is het zo waard, dat wij niet altijd met een altijd even bekommerd geloof komen, dat wij niet altijd al zuchtend komen. Heeft Hij u dan ooit teleurgesteld van Zijn troon weer doen komen? Heeft Hij u dan ooit schaamrood doen wederkeren? Hoort toch wat de belijdenis zegt: Hij kan volkomen zalig maken, die door Hem tot God gaan. Hij leeft altijd om voor hen te bidden. Het heeft God behaagd ons Zijn Zoon tot een advocaat te geven. En een advocaat treedt alleen maar op in een rechtsgeding. Er zijn advocaten; die een slechte naam hebben, omdat zij nog wel eens kwade zaken behartigen. Deze advocaat behandelt altijd goede zaken als men let op de Eiser, dat is God. Hij behandelt altijd kwade zaken als men let op de beklaagde, dat is de zondaar. Hij praat die kwade zaken niet goed, maar Hij maakt die kwade zaken goed, namelijk met Zijn eigen bloed. En dan pleit Hij voor een rechtvaardige zaak.

Laat ons dan Hem niet verlaten. Laat ons geen andere zoeken en nog veel meer geen andere vinden. God wist immers wel dat wij zondaren waren en ook hoe grote zondaren wij waren, toen Hij Hem ons gaf tot een Voorbidder en tot een Pleitbezorger.

En nu ten slotte zegt artikel XXVI: Op Jezus' bevel roepen wij daarom de hemelse Vader aan door Christus! Hoor en lees: Op Jezus' bevel — wij roepen de hemelse Vader aan — door Christus! Hoor en lees: Wij zijn zeker — dat al wat wij bidden — de Vader in Zijn Naam — dat zal ons gegeven worden!

W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 april 1972

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Van de enige voorbidding van Christus

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 april 1972

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken