Bekijk het origineel

Geen wees gelaten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Geen wees gelaten

10 minuten leestijd

Ik zal u geen wezen laten, Ik kom weder tot u. Joh. 14 : 18.

De staat der verwezing

Over wezen moeten wij het hebben. Over geestelijke wezen moeten wij het hebben.

De discipelen waren zulke wezen. In dit hoofdstuk worden van de discipelen, met welke Jezus dit gesprek voert, Thomas en Filppus met name genoemd. Dat zijn dan ditmaal eens niet de voornaamste discipelen, maar toch wat meer de discipelen van de achtergrond, de wat zwaartillende Thomas en de bescheiden Filippus. Onderschat ze echter niet, want het zijn echte discipelen, echte gelovigen, waardevolle mensen, die hier ten volle worstelen met de zaken des geloofs. In dit beroemde veertiende hoofdstuk van Johannes, met de tekst over het Vaderhuis met de vele woningen, met de voorzegging van Jezus' hemelvaart, treden uitgerekend deze twee discipelen met hun levensvragen naar voren. Thomas met zijn vraag naar de weg naar het Vaderhuis! Filippus met zijn vraag: Toon ons de Vader! Voorwaar twee levensvragen, waar elk christen mee tobt. Voorwaar twee levensvragen, waar elk christen een antwoord op hebben moet. Dat zijn zo de vragen der bekommering, die zo bij de mensen in de achterhoede van de kerk kunnen leven, bij zulke Thomassen, bij zulke Filippussen. Misschien leven zulke vragen ook nog wel bij de mensen in de voorhoede der kerk.

Laat ons in de staat der bekommering maar eens rond zien.

Onze tekst geeft er ons wel aanleiding toe, als wij hier de kerk vinden in de toestand der verwezing. Ik zal u geen wezen laten. De discipelen zullen straks Jezus gaan missen, want Hij zal door lijden en dood heen, door opstanding en hemelvaart heen van hen weggenomen worden. De Heere Jezus noemt hen dan Zelf wezen. En dat zullen zij- ook werkelijk zijn, geestelijke wezen. U weet wat wezen zijn. Halfwezen zijn zij, wier vader is heengegaan. Halfwezen zijn zij, wier moeder van hen is weggenomen. Hele wezen zijn zij, wier vader en moeder er niet meer zijn. Elk voelt dat voor zich, maar bijzonder weegt dat als kinderen jong worden achtergelaten. Een kind dat verweesd is, is aan zichzelf overgelaten, is. eenzaam. Het heeft geen toevlucht, het heeft geen thuis. Het kan niet naar vader, het kan niet naar moeder met zijn zorgen, het kan naar hen niet gaan om raad. Het heeft niemand. Het heeft niemand in blijde dagen, het heeft niemand in droeve dagen. Het heeft niemand in pijn of smart. Althans niet die ene iemand, die moeder heet. Een wees is niet in staat zichzelf te regeren, zichzelf te besturen, zichzelf leiding te geven. Het komt ook nogal eens voor, dat een wees te kort gedaan wordt, onrecht aangedaan wordt. Een wees is dan ook het voorwerp van bijzondere zorg Gods. De Schrift spreekt daar herhaaldelijk over. God zegt Zelf, dat Hij een Vader der wezen is, zoals Hij ook een Man is der weduwen. De Heere zegt, dat Hij streng hun onderdrukkers straft en dat Hij het recht van weduwen en wezen zoeken zal. Hij toornt vreselijk over degenen, die de huizen van weduwen en wezen opeten, al doen zij zulke dingen dan ook onder de schijn van lang te bidden. Daar huist wat ongerechtigheid onder vrome schijn en onder strakke, maar onbarmhartige rechtzinnigheid. Het is intussen een goed bewijs voor de rechtzinnigheid, dat men die aanwendt om er het kwaad mee te bedekken. Daarvoor kiest men doorgaans de onrechtzinnigheid niet.

Nu wordt de verwezing hier echter als een voorbeeld genomen voor geestelijke verwezing. Wat zijn de discipelen, wat zijn Thomas en Filippus als de Heere van hen is heengegaan? Wat is een kind van God zonder zijn Heere? Wat is een zondaar zonder Jezus? De Heere vertolkte hun toestand Zelf als Hij zeide: , , Met Mij verging hun hoop, o Isrels Heer'."

Waar moet een mens heen, als de Heere er niet is, waarheen met zijn zonden, waarheen met zijn pijn? Zonder de Heere is hij zijn huis kwijt. Zonder de Heere heeft hij geen thuiskomen bij God, geen toevlucht. Als een wees staat hij in dit leven, zonder stuur en zonder doel. Zichzelf kan hij niet regeren, zichzelf kan hij niet baas. Bij zichzelf vindt hij geen raad in voorkomende gevallen en in de noden zijner ziel. Als een wees staat hij onbeschermd tegen de loze en boze aanvallen van de duivel, en ook tegen die van een meedogen-loze wereld, die niets en niemand ontziet. Zoals wezen nogal eens onrecht en tekort wordt aangedaan, zo wordt Gods kind zonder Jezus alle onrecht, alle tekort aangedaan in dit leven. De onbeschermden zijn toch doorgaans in deze onbarmhartige wereld de mikpunten, die dan alle leed kan treffen.

Was toch de Heere er eens niet! Zij waren ras vergaan.

Hulp aan de wezen

Ik zal u geen wezen laten. Ik denk aan dat schone woord uit het Oude Testament, uit Hosea 14 : 4: „Immers zal een wees bij U ontfermd worden." Weest er gerust op en zeker van, dat nooit een mens in de staat van geestelijke verwezing door God in de steek gelaten zal worden. Daar staat Jezus met al het Zijne borg voor, dat het Zijn verweesde volk aan geen goed ontbreken zal. Zo waarlijk als de Heere in het natuurlijke het waar maakt, dat Hij een Vader der wezen zal zijn, zo waarlijk als Hij de rechtzaak van wezen rechten zal, zo zal Hij ook de zaken van Zijn verweesde discipelen na Jezus' hemelvaart richten en zo zal Hij ook heden een mens, die God en Zijn gemeenschap moet missen en niet kan missen, ter hulpe zijn. De Heere ontfermt Zich over hen. Ontfermen, dat is hun eenzaamheid aanzien, dat is zich hun lot aantrekken, dat is hun zaken behartigen, dat is ze van het nodige voorzien, dat is hun weg banen, hen leiden, hen van alle raad en toezicht voorzien. Ontfermen, dat is ze naar Zich toehalen en ze met alle hartelijkheid en liefde omringen.

Dat en niets minder zegt de Heere het verlatene, het naar God dorstend hart toe.

Wat een belofte: „Ik zal u geen wezen laten!" Deze belofte geeft de Heere Jezus zowel aan Thomas als aan Filippus. Ze zijn de twee mensen, die de Heere beleden hebben of belijden zouden. Filippus had tot Nathanaël gezegd: „Wij hebben Dien gevonden, van Welke Mozes in de Wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, de Zoon Jozefs, van Nazareth." En Thomas zegt na de opstanding: „Mijn Heere en mijn God!" Voor hen, die zo al hun hoop op Jezus stelden is dus stellig de belofte: „Ik zal u geen wezen laten." In zo'n belofte des Heeren zit zoveel troost voor een verweesd mens, voor een verweesd volk. Daar voelt men in zo'n woord, in zo'n belofte, als het ware de Heere al nabij komen. Het is echter over hun beider hoofden heen tot al de discipelen gesproken: „Ik zal u geen wezen laten." Wat konden ook de andere discipelen hier een troost uit putten, 't Is niet alleen voor Thomas waar, 't is niet alleen voor Filippus waar, maar ook voor hen allen.

Kent u dat, dat moed scheppen uit anderer bemoediging, dat troost scheppen uit anderer vertroosting? Wat anderen geldt, dat geldt ook mij.

Tenslotte zijn al de discipelen na Jezus' hemelvaart even verweesd. Als dan immers een wees bij Hem ontfermd zal worden, dan mag elk verweesd hart op niets minder rekenen dan ontferming. En ontferming houdt in al de beloften van heil en goedheid.

De Heere is ook in het afwezen zo goed voor Zijn volk als in het aanwezen en dan niet voor één, maar voor al de Zijnen.

Zalig hij, die, in dit leven, Jacobs God ter hulpe heeft! Hij, die, door de nood gedreven, Zich tot Hem om troost begeeft; Die zijn hoop in 't hachlijkst lot, Vestigt op de HEER', zijn God!

t Is de HEER', die vreemdelingen Met een wakend oog beschouwt; Weêw en wees in twistgedingen, En in kommer staande houdt; Maar Zijn arm, der vromen hoop, Stuit de bozen in hun loop.

Ik kom weder tot u

De toestand van de kerk kan zeer smartélijk zijn, dat zij zeggen moeten: „Ga ik voorwaarts, Hij is er niet, ga ik achterwaarts: ik vind Hem niet!" De zorgen, de zonden, het schuldgevoel, de pijnen en de eenzaamheid, ze kunnen allersmartelijkst zijn, maar nooit zal de kerk die troost behoeven te derven. En nu kan de belofte: „Ik zal u geen wezen laten" vol van troost zijn, maar toch: Zijn komst is het die hun heil volmaakt. Welnu, ook dat zegt de Heere hun toe: „Ik kom weder tot u." Waar de Heere één keer verschenen is in het leven, daar keert Hij terug. Als iemand klaagt: , , 'k Heb li voorwaar in het heiligdom voorheen aanschouwd met vrolijke ogen; hoe zag ik daar Uw alvermogen, hoe blonk Uw Goddelijke eer alom. Ach, wierd ik derwaarts weer geleid, dan zou mijn mond U d' ere geven", dan zal de Heere hem dat verlangen schenken. Hij komt weder.

Reeds in de hulp, die Hij Zijn wezen in nood geeft, kan men toch duidelijk Zijn nabijheid ervaren. En al is de hulp er niet, dan nog kan men Zijn nabijheid zo gewaar worden. Al is Hij dan in de hemel, dan kunnen Zijn wezen ook in het Woord zelf zo Zijn tegenwoordigheid gevoelen. Met Zijn genade wijkt Hij niet van de Zijnen, maar ook niet met Zijn waarheid. Ik kom weder tot u! Bijzonder is Hij wedergekeerd in het zenden van Zijn Geest, de Heilige Geest, Die uitgaat van de Vader en de Zoon. U weet misschien, dat dit een kostelijk leerstuk van de kerk is: „het uitgaan van de Heilige Geest van de Vader en van de Zoon". Behalve het feit, dat de Geest op de Pinksterdag werd uitgestort, gelooft de kerk dus dat de Heilige Geest als een adem van God de Vader, als een adem van God de Zoon gestadig van Hem uitgaat en gestadig tot Hem wederkeert. De kerk noemt dat dus het eeuwige uitgaan van de Heilige Geest van de Vader en de Zoon. In die Geest nu komt Christus tot de Zijnen en blijft Hij bij de Zijnen. Zodat de kerk andermaal belijdt: Al is de Heere Jezus in de hemel met Zijn lichaam, zo wijkt Hij toch nimmermeer van de Zijnen met Zijn Godheid, majesteit, genade... en Geest.

Ik kom weder tot u. Daar hebt ge het nu ten volle. De Heere Jezus vaart op ten hemel, gaat heen van de Zijnen, maar in de Heilige Geest keert Hij weder tot de Zijnen. En ten slotte zal Hij een keer wederkeren en tot Thomas en tot Filippus en. tot al de Zijnen, lichamelijk, als Hij in het eind der dagen zal komen met grote kracht en heerlijkheid met Zijn vele duizenden van heilige engelen, om Zijn bruidskerk te halen. Dan zal het ten volle vervuld worden: „Ik zal u geen wezen laten, Ik kom weder tot u."

Dan zullen zij elkander zien, lichamelijk en zienlijk op de grote dag der ontmoeting, waarop de eeuwen zagen en wachtten, als de Geest en de bruid zeiden: Kom en als die het hoort zegge: kom! En die dorst heeft kome en die wil, die neme het water des levens om niet. Dan zal Jezus zeggen tot Zijn eenzame bruid, tot Zijn verweesde gemeente: „Zie, Ik kom haastiglijk!"

• W. L. T.

Door ziekte in de zetterij moest de korrektie vorige week achterwege blijven. U vergeve ons dus de zetfouten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 juni 1973

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Geen wees gelaten

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 juni 1973

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken