Bekijk het origineel

ELIA EN OBADJA

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

ELIA EN OBADJA

12 minuten leestijd

(i)

En het gebeurde na vele dagen dat het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op de aardbodem. En Elia ging heen om zich aan Achab te vertonen. En de honger was sterk in Samaria. En Achab had Obadja de hofmeester geroepen; en Obadja was de HEERE zeer vrezende. Want het geschiedde als Izebel de profeten des HEE- REN uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verbergde hen bij vijftig man in een spelonk en onderhield hen met brood en water. En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land tot alle waterfonteinen en tót alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezels in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten. En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen; Achab ging bijzonder op een weg; en Obadja ging ook bijzonder op een weg. 1 Koningen 18:1 —6.

Een nieuw bevel voor Elia'

En het gebeurde na vele dagen... De drie en een half jaar zijn om. Dat is toch wel een tijd om in jaren uit te drukken. Maar de Schrift noemt het in plaats van drie en een half jaar: vele dagen. Die tijd van grote droogte en die tijd van hongersnood deed zowel Achab als zijn volk als ook Elia met het kleine Zarfatse gezin toch wel echt bij dagen tellen. In grote droogte, in hongersnood is elke dag er één. Moeizaam wordt die doorgekomen. Moeizaam wordt die uitgeteld, meegeteld.

Vruchtloos uitzien naar wolken!

Vruchtloos uitzien naar regen!

Dat is heel wat geweest voor Achab en Izebel, die met hun volk, voor hun volk uit, de oorzaak van dit alles geweest zijn. Zij beseften dit niet, hoewel het hun aangezegd was door de profeet Elia. Zij bogen niet voor het woord van bestraffing. Zij bogen niet voor God. Zij bogen niet voor Zijn slaande hand.

Het is ook heel wat geweest voor de bedienaars van het Woord Gods. Als er één geweest is, die het gewicht van het Woord gevoeld heeft, dan is het wel Elia zelf geweest. Hij heeft de toorn Gods over Achabs zonde en over Israëls zonde gevoeld. Hij heeft Achabs en Israëls belediging jegens de majesteit Gods gevoeld. Welnu, tot hem geschiedde het woord des HEEREN opnieuw. Nu na drie jaren. Uit de kracht van dat eerste woord Gods tot Elia had Elia een half jaar geleefd door brood en vlees door raven aangebracht. Uit de kracht van dat tweede Woord Gods tot Elia had deze man Gods nu drie jaar geleefd uit de kruik en de fles van de weduwe. De woorden Gods mogen dan niet zo vele zijn in een mens zijn leven, maar die woorden wérken wel. Zij werken gedurig en zij werken dagelijks, zowel negatief over Achab als positief over Elia. Nu komt daar opeens een nieuwe opdracht voor Elia. Getrouw had Elia ook naar het tweede woord gehandeld. De grootste opdracht komt nu. Wie in het kleine getrouw is, die is ook in het grote getrouw!

Het woord Gods baart. Het begint van de eerste dag af te lopen en te werken. Het werkt ergens naar toe. Het werkt wat uit. De drie en een half jaar van de toorn Gods was vol. Maar ook de tijd om genadig te zijn genaakte, want de HEERE zal regen geven op de aardbodem. Degenen, die alles naar de natuurkundige wetten willen laten verlopen rekenen doorgaans met de oneffenheden niet, zij rekenen met wat boven de natuur staat niet, zij rekenen met zonde en genade niet. Zij rekenen met Gód niet!

En daar is maar mee te rekenen. Elia doet dit in elk geval wel. De volheid van Achabs zonde was de tijd om het oordeel Gods in te zetten. En als het nu de tijd is om het oordeel op te heffen, dan is dit niet op Achabs verootmoediging, ook niet op de volksverootmoediging. Dat was om des HEEREN Zelfs wil. Daar is geen ene reden bij het volk. Dit was genade alleen. Vrij ontfermen. Zelfs over een diep schuldig volk.

, , Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op de aardbodem. En Elia ging heen om zich aan Achab te vertonen." Tekenend staat erbij: „En de honger was sterk in Samaria." Samaria, daarvoor kunt ge lezen: in heel het land. Ge kunt er ook in lezen: Het meest in de stad van de koning zelf. Waar de bron van zonde ligt, daar vallen de slagen het hardst. Er komt over Achabs huis nog veel meer. Wie God verlaat heeft smart óp smart te vrezen! 't Is intussen een opdracht geweest voor Elia. En 't is ook wat geweest om deze opdracht te volvoeren! Hij wist kennelijk wel, dat vrijwel alle profeten Gods uitgeroeid waren. Hij zal ook straks horen, dat men naar hem stad en land afgezocht heeft, waarlijk niet om eens even met hem te converseren. En nu, ga heen, vertoon u aan Achab... in levende lijve. En dat nu de honger sterk geworden was.

En Elia ging heen om zich aan Achab te vertonen. Wat een moedige man. Een vogelvrij verklaarde gaat rustig tot de uitvaardiger van het bevel. Dat is geloofsgehoorzaamheid. Hem staat de sterke Held terzij. Rondom hem is de wacht der engelen. Het geloof is zijn pantsier. De zaligheid is zijn helm. De hoop is zijn schild. Dit is een vrij man, die zijn woedende koning tegen gaat. De koning is een gebonden man, die niets kan doen tegen 's Heeren wil.

En Elia ging heen om zich aan Achab te vertonen.

Een koning in uiterste nood

„Achab had Obadja de hofmeester geroepen. En Obadja was de HEERE zéér vrezende." Achab is listig in het kwaad en tevens zeer dom. De ongodvruchtigheid is altijd listig. Nooit open, nooit eerlijk. En ook altijd dom, ongodsdienstigheid is een zeer domme zaak. Die keert zich altijd tegen een mens zelf. De listen helpen niet. En de domheid straft zichzelf. Achab had een Godvrezende, zelfs een zeer Godvrezende hoge ambtenaar. De hofmeester. Die over al zijn huis was. Die ook de bezorger was van heel zijn huis. Natuurlijk heeft Achab dat geweten. De man, die met alle geweld de valse godsdienst ingezet had, die ook alle schijn van rechte godsdienst, die de kalverendienst van Je-robeam dan toch nog opgehouden had, losgelaten had, zal niet gemerkt hebben dat één der eerste dienaren der kroon zijn tempel niet bezocht! Zou dat geweest zijn om daarmee de slagen op de dienst des Heeren te doeltreffender te kunnen toebrengen? Dan heeft hij zich grondig in Obadja vergist! Die hield juist de dienst des Heeren in tact door juist profeten te herbergen en te verbergen. Of heeft hij Obadja aangehouden om zijn ontrust geweten wat zoet te houden? Hij had al zoveel bloed aan zijn vingers. Of durfde hij die man niet aan? De wacht rond Elia was ook rond Obadja. En nu begaat Achab de domheid om juist deze man over zijn huis te stellen, dus ook over zijn voorraadschuren, over zijn keukens te stellen.

Obadja werd geroepen om zelf het land af te zoeken naar gras of enigerlei kruid voor zijn paarden en muilezels. Obadja moest gaan tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren. En de koning zelf zou ook meegaan. Elk zou een weg gaan. Daar gaat een koning en zijn maarschalk... op zoek naar gras. Wat is de koning laag vernederd. Dat had toch de eerste de beste stalknecht moeten doen? Neen, de koning gaat zelf en ook Obadja moet mee. Elk zijn kant op. Wat vernedert de krachtige hand Gods toch een mens, zelfs een koning. En wat vernedert de zonde toch een mens. De zonde maakt koningen tot slaven, tot knechten. En de vreze Gods maakt knechten tot koningen.

Ook Obadja wordt meegetrokken in de dwaasheid van de koning. Maar... Obadja zal de komst van de regen vinden op zijn weg. Achab vindt niets dan de sporen van zijn zonden en dwaze afgoderij. Obadja vindt het heerlijk loon van zijn Godsvrucht: de regen en de genade van de regen en ook de man Gods en het Woord Gods!

Hoezeer de koning verdwaasd is en verstrikt in zijn zondigheid blijkt ook wel hieruit, dat hij gras zoekt voor paarden en muilezels, terwijl heel het volk verkommert om zijnentwil. Hij wil paarden en muilezels in het leven houden (daar moest niets van uitgeroeid worden) terwijl wel al de profeten des HEEREN door hem en zijn vrouw zijn uitgeroeid. Let er wel op dat tweemaal het woord „uitroeien" gebruikt wordt. Daar hebt ge 's mans dwaasheid. Hij roeit profeten uit. Hij wil ezels niet uitgeroeid hebben,

Achab wordt er straks zelf oorzaak van, dat zijn eigen Baaisprofeten uitgeroeid worden, omdat hij ezels boven profeten verkoos. De grote droogte was een hoge nood voor de koning. Het leed en de ellende, die het ganse volk drukte, was eveneens een hoge nood voor de koning. Maar zijn grootste nood was zijn zonde en zijn dwaasheid. Redeloze dieren verheffen boven de dragers van de godsdienst, ja het redeloze vee verheffen boven de levende God. Is het wonder, dat tenslotte honden Achabs bloed zullen lekken, als hij gestorven zal zijn na de strijd tegen uitgerekend de Syriërs en dat de honden het vlees van Izebel zullen eten? Is dat wonder? God heeft veel meer pijlen dan één om hen te treffen, die zich tegen God stellen. Dit is de man, die zich verkocht heeft om te doen wat kwaad is in de ogen des HEEREN. Dit was een koning in uiterste nood!

Wanneer G' Uw arm verheft, De snode zondaar treft, Wees Gij dan, HEER', mijn toeverlaat; Doe mij met hem niet sneven; O neen, behoed mijn leven, Als Gij de man des bloeds verslaat.

Doe mij niet mee vergaan, Met hen, die U weerstaan. Wier hart steeds standlijk misdrijf kweekt; Die trouw en plicht verachten, En 't recht om goud verkrachten, Als d' onschuld om bescherming smeekt.

Een hofmeester in dienst des HEEREN

Ook hier, in het optreden van Obadja, lopen de dingen samen. Juist als de HEERE Elia opdracht geeft om naar Achab te gaan, dan geeft Achab bevel aan Obadja om met hem het land door te trekken, op zoek naar enig gras of kruid. Elk zal een eigen route gaan. Dit zijn geen toevalligheden. Daar is een raad boven ons, die alle dingen leidt, boven onze beslissingen, ook boven onze zonden. Elia moet Achab ontmoeten en Elia moet ook, moet eerst, Obadja ontmoeten.

Obadja is niet alleen de huismeester van Achab, maar ook de vertrouwensman. Achab overlegde met hem, Achab ging in hoogst eigen persoon met hem op pad. Aan die oude hoven was de hofmeester een hoge functionaris. Evenals de bakker en de schenker bij de Farao was, evenals Jozef bij Farao was. Zo kon deze machtige man, Obadja, ook wel honderd Godsprofeten verbergen en onderhouden. Sommigen houden hem voor dezelfde als de profeet Obadja. Ik weet dat niet. Een andere vraag is hoe Obadja een dienaar aan Achabs hof kon zijn. Ik weet ook dat niet. De man heeft er geen kwaad gedaan, wel veel goeds.

Wij zien maar weer, dat wij op de ongezochtste plaatsen goede mensen, mensen Gods, kunnen aantreffen. Dit is dan een van de zevenduizend, die de knie voor Baal niet gebogen hebben. Misschien is hij wel een sterk vooruitgeschoven post en een belangrijke post van de ondergrondse van die dagen. Hij was een Godvrezende man, naar Gods eigen woord een zéér Godvrezende man. Hij diende God in een zeer moeilijke situatie. Dat was daar niet eenvoudig. En hij hield het vol. Nimmer de tempel van Baal bezoeken, noch die van Ashtarte.

Hij droeg een perfecte Israëlietische naam Obadja: „knecht van Jehovah". Duidelijk stond 's Heeren naam in zijn naam. Duidelijk koos hij partij voor de Heere en Zijn dienst. Hij had de Heere gevreesd van zijn jonkheid aan. Van kindsbeen was het met hem samen gegroeid. Dat zat er niet buiten aan, dat was niet opgelegd, dat zat er bij hem diep in, diep in zijn wezen geworteld. De bijbel leert op vele plaatsen dat jonge Godsvrucht blijvende Godsvrucht is, ook vaste Godsvrucht. Dat zijn mensen die ge op alle plaatsen kunt zetten, op alle posten. Daar kunt ge op aan. Godsvrucht maakt eerlijk, maakt vlijtig, maakt ook wijs. Die worden niet gauw door wereldlingen overvleugeld. Zie dat aan onze Obadja, zie dat aan Jozef, zie dat aan Daniël. Dat zijn van die integere figuren, die niet door de geest van hun tijd, zelfs niet door de geest van een hof, geïnfecteerd worden. Ze zijn die ze zijn. Ze blijven die ze zijn. En ze staan ook waar ze staan. Er staat in de Spreuken dit merkwaardige woord: „Indien iemands wegen de Heere behagen, zo zal Hij zijn vijanden met hem bevredigen." Dan zal men zelfs achting, eerbied en lof hebben van degenen, die buiten zijn. De profeten des Heeren worden door Izebel grondig uitgeroeid. Daar mag geen woord Gods meer zijn. Daar mag geen prediking meer zijn. De priesters waren al heel lang uitgeweken naar Juda. En nu nog de profeten weg. Dat is hetzelfde , wat in ons land en in de kerk speelt: korter preken, korter preken, ophouden met preken. Jezus heeft eens gezegd: „Predikt het Evangelie aan alle creaturen, predikt tot aan het einde der dagen. En Ik ben met ulieden." Dat is wat anders. Nu mochten Achab en Izebel de doodstraf op de profetie zetten, maar hun hofdignitaris wist ze nog wel te vinden, de trouwe Godsmannen, door heel het land heen. Er waren er nog wel genoeg ook. Denkt het u in: honderd predikers! Obadja had er een levendig contact mee. Dat was zijn kerk. Hij wist hen te vinden. Zij wisten hem te vinden. - Daar hoorde hij het woord, in een huis hier, op een berg daar, in een schuur ginds, in een dal nabij of verre. En die stille kerk van zevenduizend hoorde daar het Woord. En zij bogen voor Baal niet. En zij bogen voor de geest van de tijd niet. En zij bogen voor de HEERE wel. En al hadden zij geen tractement, Obadja zorgde voor honderd tractementen. Er gebeurde in Zarfath een wonder voor drie, was het minder wonder, dat in twee spelonken elk vijftig man aten en dronken al die tijd van hongersnood? Dat was niet die knecht des Heeren, maar dat was de Heere van die

knecht. God onderhoudt Zijn volk. God onderhoudt Zijn knechten. Hun brood was zeker, hun water gewis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 juli 1973

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

ELIA EN OBADJA

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 juli 1973

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken