Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KLEINE KRONIEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KLEINE KRONIEK

9 minuten leestijd

Protestanten in Rusland

Zoals mijn lezers zullen weten is door de eeuwen heen de orthodoxe kerk sterk geweest in Rusland, maar toch hebben er ook altijd protestanten gewoond en gewerkt. Onlangs is een boek verschenen van dr. J. A. Hebly over de protestanten in Rusland. En in het Centraal Weekblad vertelt prof. dr. K. Runia daar het een en ander over:

„Zoals we boven al gezegd hebben, gaat het boek van dr. Hebly primair over de Protestanten in Rusland. Deze hebben al een hele geschiedenis achter de rug. Het Protestantisme in Rusland is al begonnen in de 16de eeuw, toen lutherse emigranten, met name kooplieden, ambachtslieden, artsen en militairen naar Moskou kwamen. Later zijn er ook heel wat nederlanders heen gegaan, o.a. uit het Overijsselse Vriezen veen. Tot in de 19de eeuw is de 'emigratie' uit Vriezenveen doorgegaan. Sommigen deden het bijzonder goed. De timmermansgezel Wichel Berkhof bracht het er zelfs tot chef van de marinewerven en admiraal!

Onder het tsarenregime hebben de Protestanten het vaak moeilijk gehad, vooral ook in de 19de eeuw. Vandaar ook, dat ze de revolutie van 1917 als een bevrijding begroetten. Dr. Hebly zegt er dit van: 'Voor deze groepen, de vervolgde stiefkinderen van vadertje tsaar, kwam de revolutie van 1917 als een bevrijding. De communisten kenden hen uit de strafkolonies, waar zij zijde aan zijde met de gelovige christenen hadden gewerkt. Hun anti-godsdienstige instelling en maatregelen richtten zich in het bijzonder tegen de orthodoxe kerk, die zich met het bewind van de tsaar had verbonden en een duidelijk afwijzende houding aannam tegen de revolutionairen. Het decreet van Lenin van 23 januari 1918 over de scheiding van kerk en staat en van school en kerk was een frontale aanval op de rijke en bevoorrechte staatskerk. Alle financiële steun aan de kerk hield op, kerkgebouwen en kerkelijke goederen werden tot staatseigendom verklaard... Maar geen van deze beperkende maatregelen had eigenlijk betrekking op de evangeliechristenen en de baptisten die geen kerkgebouwen en pastorieën bezaten en nooit enig privilege hadden genoten onder het tsaristisch regime' (77/9).

Van 1917—1929 hebben ze dan ook een vrij grote mate van vrijheid gehad. In 1929 maakte Stalin daar echter een einde aan en begon een lange tijd van lijden. Wel was er even een periode van respijt tijdens de tweede wereldoorlog (toen Stalin de steun van de kerk nodig had!), maar daarna begon het lijden weer.

Vandaag zijn er twee groepen duidelijk te onderscheiden. De grootste groep is die van de evangeliechristenen en baptisten, die zich door de staat laat registreren en die in de gegeven situatie er het beste van probeert te maken door zichzelf zoveel mogelijk te houden aan de door de regering genomen maatregelen.

Daarnaast is er een minderheid van evangeliechristenen en baptisten, de zgn. Initiativnik (Initiatiefnemers of Aktiegroep), die weigeren zich te laten registreren, maar tegelijk ook weigeren zich stil te houden. Op verschillende wijzen, zowel in illegale publikaties als door open brieven aan de regering, protesteren ze tegen de maatregelen van de staat tegen de godsdienst en de kerk. Achter in zijn boek heeft dr. Hebly enkele ontroerende documenten opgenomen, waarin deze stem van openlijk protest duidelijk doorklinkt." —

In Nederland kunnen we ons niet voorstellen dat er in onze tijd nog zo'n grote vervolging bestaat tegen christenen die aan het Woord Gods willen vasthouden en hun geloof willen belijden. Voor de orthodoxe kerk in Rusland is dat geheel anders. Wanneer in die kerk de liturgieviering maar doorgaat, dan kan hen verder als kerk niet zoveel deren. Vandaar ook dat de orthodoxen zich gemakkelijk schikken in allerlei voorschriften van de communisten. Hun kerkelijk leven en hun geloofsopvattingen staan zeer ver van die van ons af. Dat wordt wel eens vergeten wanneer men over de orthodoxe kerk van Rusland spreekt.

Moet men de ondergrondse kerk in de conservatieve hoek zetten?

Enkele weken geleden was een delegatie van de Nederlandse Raad van kerken op bezoek in Rusland, voornamelijk bij de orthodoxe kerk. Ze kwam met optimistische berichten thuis over het kerkelijk leven in Rusland, berichten die door kenners van dat grote communistische land wel als te optimistisch werden gekenschetst. Wanneer men alleen maar denkt aan de kritiek die de Russische schrijver Solsjenytsin op zijn eigen orthodoxe kerk en haar leiding heeft uitgeoefend, dan moet men zich toch wel afvragen hoe het met deze kerk gesteld is en of ze niet slaafs doet wat de communistische machthebbers zeggen? Men heeft in de kranten kunnen lezen dat Solsjenytsin zich thans in groot gevaar acht en dat de communisten hem zeker zullen aanpakken vanwege zijn kritiek ook op hen, omdat de persoonlijke vrijheid in Rusland geheel en al ontbreekt. Men kan niet begrijpen dat kerkelijke leiders, die betrokken zijn bij het werk van de Wereldraad van kerken, zo dwepen met het marxisme en zo „lief " doen tegenover het communisme. Wanneer ze eenmaal onder de communistische heerschappij zullen leven is het met hun vrijheid ook gedaan. Maar op iets anders wil ik de nadruk leggen. Hoe menigmaal zet men hen die trouw willen blijven aan de Heere God en Zijn Woord in de conservatieve hoek. Dat zijn immers van die ouderwetse mensen die met hun tijd niet meekunnen. Zo beziet men immers ook menigmaal de hervormd gereformeerden. Ik moet eerlijk zeggen dat ik me wel wat geïrriteerd voelde toen dr. A. H. van den Heuvel, die meegeweest is naar Rusland, de onder-

grondse christenen maar in de conservatieve hoek zette. Ik heb het verder maar laten rusten. Maar nu prof. Runia hetzelfde constateert neem ik over wat hij ervan schrijft:

„In een artikel in Hervormd Nederland van vorige week heeft Dr. A. H. van den Heuvel het volgende van deze laatste groep gezegd: „Over de niet-officiële baptisten-groepen — de zogenaamde initiativniki < — konden wij officieel niet veel te horen krijgen. Die moeten bezocht worden in de nacht. Zelf spreken zij soms over honderdduizend, soms over vijfmaal zo veel. Van hun mensen worden er ieder jaar enkele tientallen gearresteerd, omdat zij de wet overtreden. Maar dat schrikt hen niet af. Integendeel, vaak zijn gevangenen — nu immers niet meer ondergfonds! — de beste evangelisten."

Hij vervolgt dan: „De Initiativniki zijn erg conservatieve groepen, die de staat vaak in het geheel niet erkennen, hun kinderen niet laten inenten, medische hulp weigeren en een eigen subcultuur vormen. Maar zij hebben voor hun geloof alles over, zelfs wanneer hun kinderen aan de ouderlijke macht worden onttrokken."

Deze opmerkingen over het 'conservatisme' van deze mensen klinken wel wat rijkelijk discriminerend. Ze worden daarmee in een bepaalde hoek geduwd. Uit het boek van Dr. Hebly heb ik helemaal niet de indruk gekregen, dat het daar nu specifiek op vastzit." —

Laten we, zo zou ik er aan toe willen voegen, toch oppassen om mensen die het hele Woord Gods trouw willen blijven, af te doen met de betiteling dat die toch maar conservatief zijn en dat ze daarom in onze wereld niet meetellen. Misschien in onze wereld niet. Maar zouden ze bij God niet meegeteld worden?

Trouw aan hun belijdenis

Prof. Runia laat ons ook nog zien hoe trouw de „ondergrondse" christenen zijn aan hun belijdenis en dat ze daar ook openlijk voor durven uitkomen en dus ook „bovengronds" belijden. Twee van deze christenen hebben aan de communistische regering over de verhouding kerk-staat het volgende geschreven:

„Boven de brief wordt Jesaja 10: 1, 2 geciteerd: 'Wee degenen, die ongerechte inzettingen inzetten, en de schrijvers die moeite voorschrijven; om de armen van het recht af te wenden en om het recht der ellendigen van mijn volk te roven...'

Deze brief werd in 1965 geschreven, in de tijd dat een nieuwe grondwet werd opgesteld. De schrijvers vragen aan de voorzitter van de commissie voor de grondwet (Kameraad L. I. Brezhnew!) om een artikel op te nemen dat de vrijheid van geweten garandeert. Ze vervolgen:

'Wij komen niet tot u met dit verzoek omdat een soortgelijk artikel nu niet zou bestaan. De huidige grondwet bevat een artikel over de vrijheid van geweten, maar desondanks zijn wij reeds enkele tientallen jaren niet meer in staat geweest om in de praktijk van deze vrijheid te genieten, en het slachtoffer geworden van systematische beperkingen en onderdrukkingen. De vervolging is erfelijk geworden — onze grootvaders werden vervolgd, onze vaders zijn vervolgd; nu worden wijzelf vervolgd en verdrukt, en onze kinderen hebben te lijden van verdrukking en beroving. Dat is de realiteit van dit ogenblfk' (pag. 147/8).

Verderop in de brief lezen we nog het volgende: 'De huidige conventie werd in de U.S.S.R. van kracht op 1 november 1962... Het blijkbaar onbeduidende amendement van het artikel maakte het mogelijk om een programma van massale onderdrukking ten uitvoer te brengen. Het resultaat was de dood van duizenden gelovigen. Hun kinderen, vrouwen en familieleden wachtten tevergeefs op hen en weten niet eens waar ze te ruste zijn gelegd. De Here God alleen weet waar zich de massagraven bevinden van onze broeders.

'Kunnen we zeggen dat we nu alle nachtmerries achter ons hebben? Nee! Deze misdadige activiteit is nog niet ten einde gekomen! Zij gaat nog door. En dit is er het levende bewijs van: op dit moment, terwijl u onze brief leest, zijn vele honderden gelovigen wederrechtelijk beroofd van hun vrijheid, verblijven zij in de gevangenis, in concentratiekampen en in ballingschap, terwijl sommigen een marteldood zijn gestorven; de kinderen van gelovigen zijn hun afgenomen, duizenden evangelie-christenen/baptistengemeenten hebben geen wettelijke status, houden hun bijeenkomsten in particuliere huizen, waar slechts ruimte is voor 25—30 pet van de gemeenteleden; ja, zelfs onder deze omstandigheden kunnen de gelovigen niet in vrede samenkomen, omdat deze vergaderingen van gelovigen dikwijls uiteengejaagd worden door de gewone en de hulppolitie en de huizen worden geconfisceerd.

'Dit alles wijst er op, dat de misdadige activiteit nog niet ten einde is gekomen! Maar zij kan en moet ophouden! En wij menen dat dat ogenblikkelijk moet gebeuren. Nu er een ontwerp wordt gemaakt voor een nieuwe grondwet, welk ogenblik zou er nu meer geschikt zijn om aan de onrechtvaardigheid en onwettige activiteit ten aanzien van christen-burgers een einde te maken? '

Dit alles werd geschreven in 1965. We weten niet of er na die tijd veel veranderd is, maar hebben daar wel onze twijfels over. Maar in ieder geval kan men niet anders dan diep respect hebben voor mensen die in zo'n situatie dergelijke brieven durven schrijven. Dit kan alleen maar, als men gedragen wordt door een levend geloof in de Heer." —

Aan het bovenstaande hoef ik eigenlijk niets toe te voegen. Uit berichten die geregeld doorkomen blijkt duidelijk dat de vervolgingen niet minder, maar zwaarder geworden zijn in de laatste jaren. En daarom zal ons gebed moeten blijven voor hen en voor ons eigen volk en kerk, opdat ook wij getrouw mogen blijven. Kroniekschrijver.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 september 1973

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

KLEINE KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 september 1973

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken