Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zondag 33

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zondag 33

11 minuten leestijd

In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekering des mensen? In twee stukken: in de afsterving van de oude en in de opstanding van de nieuwe mens. Wat is de afsterving van de oude mens? Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten. Wat is de opstanding van de nieuwe mens?

Het is een hartelijke vreugde in God door Christus, en lust en liefde om naar de wil Gods in alle goede werken te leven. Maar wat zijn goede werken? Alleen die uit een waar geloof, naar de wet Gods, alleen Hem ter ere geschieden en niet die op ons goeddunken of op menseninzettingen gegrond zijn. Zondag 33.

De bekering en haar stukken

Over de bekering ging het terloops in de vorige vraag. Kunnen die niet zalig worden, die in hun goddeloos en ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeren? In generlei wijze. Waar dan de bekering zo noodzakelijk is, daar is het begrijpelijk dat hierover apart gehandeld wordt. Het gaat hierover in deze Zondag alleen. Ze vormt met Zondag 31 de inzet tot het stuk der dankbaarheid. Hierna wordt alleen nog gehandeld over de geboden en over de gebeden.

De bekering ligt dus in het stuk der heiligmaking, zonder welke, zoals de Schrift zegt, niemand de Heere zal zien. Ze is dus alleen mogelijk door bewezen genade, door het geloof, dat hiervoor behandeld is. Het gaat dus over zich bekeren, niet over bekeerd worden. Daarover is in het voorgaande gehandeld. De mens is lijdelijk in het stuk van de rechtvaardigmaking en geenszins lijdelijk 'in het stuk van de heiligmaking.

De bekering van de mens tot God is een verandering van een mensenleven ten goede, wanneer die mens, die te voren door zijn onwetendheid, dwalingen, wangeloof en ongoddelijk leven van God afgekeerd zijnde, daarvan afstand doet, en nu dan tot God wederkeert. Als hier sprake is van de waarachtige bekering, dan is er dus tweeërlei bekering, namelijk een geveinsde, die alleen bestaat in een uiterlijk gelaat, zonder een inwendige verandering van het gemoed, zoals die geweest is in Ezau, in Achab, in Judas en anderen. Dan is er ook de waarachtige bekering, waarvan nu hier gehandeld wordt en die hier geleerd wordt, ten eerste in hoeveel stukken die bestaat en wat elk stuk daarvan inhoudt.

Twee delen, dat is niet veel om te onthouden, dat is niet veel om te leren verstaan. Ik wenste wel, dat ik u deze ene zaak mocht leren. Twee stukken, maar die ook allebei geleerd en in practijk gebracht moeten worden. Het eerste stuk kan niet bestaan zonder het tweede en het tweede kan niet bestaan zonder het eerste. De afsterving of de doding van de oude mens. Onder de oude mens verstaan wij onze zondige, verdorven en boze aard, die mens genoemd wordt, omdat de hele mens naar lichaam en ziel in al hun delen verdorven is. Hij wordt oude mens genoemd, omdat deze verdorven aard ons is aangeboren en omdat deze onze aard vernieuwd moet worden door de wedergeboorte. Deze ou-1 de mens doden, is de heerschappij van deze boze aard te niet maken, en de lusten van deze boze aard niet te volbrengen, hetwelk niet zonder strijd en niet zonder pijn geschieden kan. Men kan ook zeggen: Het doden van de oude mens is het kwaad te laten, daarvan afstand te doen; te verlaten de verkeerde weg, waarop men te voren verdwaald, gegaan is tot nu toe.

Het opwekken van de nieuwe mens, de opstanding van de nieuwe mens is een levend maken. De nieuwe mens is onze vernieuwde, wedergeboren natuur, dat is een werking, waardoor men toont dat men levend geworden is waardoor men het goede gaat doen, waardoor men ingaat in de rechte weg, die tot God en tot de zaligheid leidt.

Deze twee delen worden in de bijbel gedurig voorgesteld en ook geëist. Zij zijn beiden nodig, wil uw bekering een ware zijn. Het eerste is nodig, want men kan niet op de goede weg komen, zolang de verkeerde weg niet verlaten is. Men kan niet op twee wegen gaan, zeker niet op twee tegengestelde wegen, de ene van God en van de zaligheid af, de andere naar God en de zaligheid toe. De gerechtigheid heeft geen deel aan de ongerechtigheid. Het licht heeft geen gemeenschap met de duisternis. Men kan ook geen twee heren dienen: God en de duivel. Wie de ene aanhangt, moet de andere haten.

Het tweede is nodig, omdat God niet alleen het kwade verbiedt, maar ook het goede gébiedt. Het kwade moet dus noodzakelijk gelaten worden, maar even noodzakelijk moet het goede gedaan worden. Omdat dit alles zo nauw steekt, moeten wij wel nagaan of wij helemaal geen bekering hebben, en dat is niet best, of mogelijk een geveinsde en die loopt zeker op het tweede zo goed als op het eerste scheef, of dat wij de waarachtige bekering hebben.

De afsterving van de oude mens

Deze bestaat in de eerste plaats in een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. Dat is dus een innerlijke droefheid, een droefheid des harten, tot in de zetel van onze ziel, welke voortkomt uit de erkentenis van onze zonden, welke is het eerste beginsel van de ware bekering. Daar is tweeërlei droefheid over de zonden: namelijk een droefheid der wereld, dat is zo'n droefheid die ook wereldse, onwedergeboren mensen wel eens hebben om de zonden, die alleen maar voortkomt uit de vrees voor straf, of om de schande, of om nadeel, of om andere wereldse inzichten. Deze droefheid werkt de ware bekering niet, maar wel de dood. Zo'n droefheid heeft Kaïn gehad, Achab, Pharao, Saul en Judas. Dan is er de andere droefheid, naar God, dat is de droefheid over het zondige van de zonde, die God eist en die Hem aangenaam is. Deze werkt de bekering, een onberouwelijke, dat wil zeggen, waar men nooit berouw van heeft, gehad heeft, of hebben zal. Het is ook een bekering tot zaligheid, die een zalig gevoelen in uw hart geeft en die ook de zaligheid werkt. Deze bekering werkt naarstigheid, verontschuldiging, boete, berouw, verontwaardiging, vrees, begeerte, vurigheid en wraak.

Deze droefheid naar God moet zijn hartelijk, niet alleen maar in of op het aan-

gezicht, niet maar in de klederen, niet in gebaren, houding, uiterlijk misbaar, maar ze wordt hier binnen gedragen en zij bestaat in een gebroken hart, een verslagen geest, een verbrijzeld gemoed.

Deze droefheid komt op uit de overdenking dat wij tegen God gezondigd hebben, tegen een heilig God, tegen een rechtvaardig God, tegen een goeddoend God, Die ons nooit anders dan goed gedaan heeft en nooit enig kwaad. Dit wordt ons een smart, naarmate wij meer van de goedheid Gods gezien en gesmaakt hebben. Deze droefheid komt openbaar in stille tranen, in hartelijk zuchten en schuld belijden voor Zijn aangezicht. Zij is dan ook kostelijk voor God. Deze tranen worden in Zijn fles bewaard.

De afsterving van de oude mens is dan ook een haat tegen de zonde. Die kunnen ons niet meer behagen, die kunnen onze lust niet meer zijn. Daar krijgen wij een afgrijzen van. Dan durft men de zonde niet meer te volbrengen. Men durft ze ook niet meer te beginnen. Men gaat ze haten en vlieden. Wat zozeer God vertoornt, wat zozeer onszelf onteert, wat zozeer schadelijk is voor onze ziel en ons lichaam, zou men dat niet haten? Zou men daar niet voor vluchten?

'k Riep tot de HEER' met luider stem, Ik smeekt' en riep vol angst tot Hem. 'k Heb voor Zijn aangezicht mijn klacht, In mijn benauwdheid voortgebracht.

Als mij geen hulp of uitkomst bleek, Wanneer mijn geest in mij bezweek en overstelpt was door ellend', Hebt Gij, o HEER', mijn pad gekend.

'k Wou vluchten, maar kon nergens heen, Zodat mijn dood voor handen scheen En alle hoop mij gans ontviel, Daar niemand zorgde voor mijn ziel.

De opstanding van de nieuwe mens

Het zou een hopeloze toestand zijn, ware het niet dat daar iets tegenover kwam. Als de oude mens sterft, dan staat de nieuwe mens op. Naar de mate dat de oude mens sterft, staat de nieuwe mens op.

Zij is in de eerste plaats een vreugde, een blijdschap in God. Deze wordt in het hart ontstoken door kennis en aanmerking van de genade Gods en door de barmhartigheid Gods jegens boetvaardige zondaren. En zij wordt verkregen door de toeeigening van dezelve door het geloof. Deze vreugde moet zijn in de bekeerde zondaar naast de droefenis om de zonden, opdat men door deze droefenis niet verzinken zou in wanhoop. Daarom werken zij beiden, droefheid en vreugde, samen op in het hart der oprechten.

Deze blijdschap is er al weer niet in het uitwendig gelaat, zij is er niet in de mond alleen, zij is er niet voorgewend, zij is niet vermeend, maar zij is er in het hart. En zij komt van Christus, zij rust op de verdienste van Christus, zij vloeit uit de vergeving van zonden. Deze blijdschap is er alleen als een vrucht van de Heilige Geest, die haar in het hart ontstoken heeft, en die haar in het hart verzegelt.

De opstanding van de nieuwe mens bestaat dan in een lust en liefde om naar de wil Gods in alle goede werken te wandelen. Wat is de Catechismus naar de Schriften en wat is ze ook zielkundig. Lust en liefde. Zo echt naar het leven. Zo echt naar het zieleleven. Eerst ontstaat de lust tot het goede. Die wordt daar binnen in het hart gewerkt in het lustleven. Dat wordt een mens zijn begeerte. En als de lust, de begeerte ontstoken is, dan komt het doen. En met het doen ontwaakt de liefde tot dat doen. Wat een mens doet en wat hij met lust doet, dat krijgt hij lief. Het is ook een liefde-werk, het doen van goede werken. Dat kan een mens nooit doen als hij daar een hekel aan heeft. Dat goede doet hij niet uit vrees voor straf, of om gezien of geprezen te worden, maar dat doet hij omdat dat de wil Gods is. En omdat dat goede te doen een plaats in zijn hart heeft.

Goede werken toch komen voort uit het geloof, omdat men daardoor Gode wil behagen. Dat wil zeggen dat men zo graag wat voor God wil doen en wil zijn. Uit dat geloof in Christus, wat zo uit Zijn genade leeft, dat men daarmee dan in de verste verte niet de hemel zoekt de verdienen, hetwelk Christus gedaan heeft, maar om daarmede dankbaarheid voor Zijn weldaden te bewijzen.

Men doet die werken naar de wet Gods, waar in velerlei toonaard voorgeschreven wordt, dat het goede gedaan en het kwade nagelaten moet worden; waarin verboden wordt het kwade te doen en het goede te laten. Men moet die werken doen tot Gods eer. Uitteraard zijn dus alle werken niet goed, die niet uit het geloof voortspruiten. De Schrift zegt, dat al wat uit het geloof niet is, zonde is. Zo is dan ook niet goed wat niet naar de wet Gods is en eveneens wat niet tot Gods eer is.

Ziet hier dan wat de waarachtige bekering is. Overdenkt deze dingen. Overdenkt ze met toepassing op uzelf. Bespreekt ze met uw vrouw, met uw man. bespreekt ze met uw kinderen. Ziet er de noodzakelijkheid van in. Zoekt er de goede grond voor in Christus en in het geloof in Zijn naam.

Laat alzo dit werk in u een aanvang nemen. Wat moet er al niet in uw leven gebroken worden. Begint niet zonder meer met het nieuwe leven. Braakt ulieden een braakland en zaait niet onder de doornen, Jeremia 4 : 3. Trekt uw oude mens uit en doodt hem met zijn werken. Haat en vliedt de zonde.

Voedt daarentegen een hartelijke vreugde in God door Christus. Ziet veel op de oneindige genade Gods in Christus. Put daar uw hoop, uw vreugde, uw moed uit. Verkwikt uw ziel door het geloof. Zo~ doende zult gij door het geloof in Christus een goede boom zijn. Hebt dan goede kennis van de werken, van de goede werken. Zoekt ze te oefenen en te funderen in het goede geloof, in de goede leer. Doet uw werken niet naar de gevoelens en naar de goedkeuring der mensen, want die zijn zo feilbaar. Dankt God in alles, voor het geschonken geloof en bidt om vermeerdering daarvan. Vernedert u over de onvolmaaktheid van uw geloof en van uw werken. En zoekt als regel voor uw daden Gods wet. Neemt elk gebod als persoonlijk tot u gericht. En laat de ere Gods uw kompas, uw vreugde, uw lust, uw leven zijn.

Gr.-A.

W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 februari 1974

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Zondag 33

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 februari 1974

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken