Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De toekomst des Heeren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De toekomst des Heeren

13 minuten leestijd

(2)

Voor het antwoord op de vraag wat verstaat de gemeente van Jezus Christus op grond van de Schrift onder de toekomst des Heeren, luisteren we — om te beginnen — even mee naar het gesprek tussen de opgestane Christus en de Emmaüsgangers. Twee bedroefde discipelen zijn op de avond van de dag dat Christus is opgestaan op weg van Jeruzalem naar Emmaüs.

Het verleden hield hun gedachten in de ban van de dood. Na alles wat er de laatste dagen gebeurd was met Jezus was er voor hen geen toekomst meer. Zij kunnen alleen nog maar denken en spreken in de verleden tijd. „Wij hoopten dat Hij Degene was, Die Israël verlossen zou" (Luk. 24 : 21). Zo luchten zij hun bezwaard hart aan die Vreemdeling onderweg, die — naar later blijken zal — toch niet vreemd is aan hun nood en twijfel.

Jezus hoort al hun klachten aan. In zijn antwoord met de bestraffende ondertoon, o onverstandigen en tragen van hart, werpt Hij ze met één slag terug op het Woord van Gods profeten. Hij doorwandelt met hen de paden van Gods getuigenis. Hij legt hen Mozes en de profeten uit. Hij toont ze met de Schrift in de hand aan: Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? " (Lukas 24 : 36).

Nu blijkt zonneklaar dat Christus' opstanding niet minder is dan het openbreken van de nieuwe toekomst. Het open graf is het open venster dat uitzicht biedt aan de Kerk des Heeren op de toekomst des Heeren.

Natuurlijk zit er meer dan één aspect aan deze toekomst. Maar met het éne woord ingaan in Zijn heerlijkheid, wordt de inhoud en het doel van Zijn toekomst volledig samengevat. Reeds tijdens Zijn omwandeling op aarde heeft Jezus meermalen oog en hart gericht op die komende heerlijkheid, wanneer God de Vader Zijn Knecht-in-vernedering verhogen en verheerlijken zal.

In de dagen van zijn vernedering kon Hij daar vurig om bidden. „En nu verheerlijk Mij, Gij Vader bij Uzelven, met de heerlijk-

heid die Ik bij U had. eer de wereld was (|oh. 17 : 5). Waarbij wij dan ook nog mogen opmerken, dat onze grote Hogepriester er alles aan gelegen is dat ook Zijn duurgekochte gemeente in Zijn verheerlijking zal mogen delen. Hij smeekt de Vader dat in Zijn heerlijkheid ook allen mogen zijn, die de Vader Hem gegeven heeft.

Hij staét er op en we mogen zeggen: ij heeft er ook récht op. Met welk doel wil Christus de Zijnen voor eeuwig bij Zich hebben? " Opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt" (Joh. 17 : 24).

In Christus' grote eschatologische rede (eschatologie is de leer der laatste dingen) zegt Hij, dat de Zoon des mensen komen zal in grote kracht en heerlijkheid (Matth. 24 : 30; Mark. 13 : 26; Luk. 21 : 27).

Wanneer dan ook Jezus spreekt over Zijn ingaan in heerlijkheid, hoeven we dit niet alleen te beperken tot Zijn opstanding. Het duidt veeleer m.i. aan de totale verheerlijking van de Christus Gods. Deze totale verheerlijking hebben de apostelen op het oog gehad. Paulus bijvoorbeeld, die er in de brief aan de Filippenzen van getuigt dat de Vader Christus, na Zijn vernedering, uitermate heeft verhoogd door Hem een naam te geven welke is boven alle naam. Opdat in de naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn. En alle tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders (Filip. 2:9-11). Vandaar is Christus de hope der heerlijkheid van de gemeente (Col. 1 : 27) die Jezus mag zien - nu nog in het geloof - met eer en heerlijkheid gekroond (Hebr. 2 : 7-9).

Tenslotte zou ik in dit verband willen wijzen op wat de apostel Petrus schrijft in zijn eerste brief. Hij sluit daar helemaal aan bij het woord van Christus in Lukas 24, als hij zegt dat de gemeente van Christus eens het einddoel van haar geloof verkrijgen zal, namelijk dat haar in het uitzicht gesteld is de redding, de zaligheid uwer zielen d.i. de volle behoudenis, de volkomen te-nietdoening van verderf, schuld en zonde en het in bezit gesteld worden van de volle heiligheid en heerlijkheid en zaligheid. „Van welke zaligheid - zo vervolgt Petrus dan — ondervraagd en onderzocht hebben de profeten die geprofeteerd hebben van de genade aan u (geschied); Onderzoekende op welke en hoedanige tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en tevoren getuigde, het lijden (dat) op Christus (komen zou), en de heerlijkheid daarna volgende.

Nu valt het zeker op dat in het Grieks hier het woord heerlijkheid in de meervoudsvorm staat. Petrus spreekt dus van de Eerlijkheden. Immers Christus gaat, te beginnen met Zijn opstanding, van heerlijkheid tot heerlijkheid. Zeker, door lijden tot heerlijkheid. Maar dan gaat het met Pasen als inzet van de ene heerlijkheid naar de andere. Van Pasen tot Hemelvaart, van Hemelvaart tot Pinksterglorie en zo, in al toenemende mate, tot de hoogste trap toe bij Zijn openbaring in Goddelijke majesteit ten laatste dage, de dag dat Hij in heerlijkheid verschijnen zal en aller oog Hem zal zien (zie 1 Petrus 1 : 9-11).

Het oude Testament

Zowel Christus zelf als ook later Petrus, wijzen wat betreft de beloften voor de toekomst des Heeren ons op het getuigenis van de profeten onder het oude Verbond. We zullen ons dus met het oog op de toekomst des Heeren moeten oriënteren op heel de Schrift. Reeds door de profeten is, naar Jezus' eigen getuigenis, en ook naar dat van de apostel Petrus over die toekomst geprofeteerd.

In de eerste plaats heben zij gesproken, door de Geest van Christus onderwezen en geleid, over de komende Messias. De Messias, de Gezalfde des Heeren, was voor Israëls vromen het voorwerp van hun geloof en van hun hoop.

Aan Zijn verschijning zitten voor hen twee aspecten. Zijn lijden en Zijn heerlijkheid. Hij is de lijdende Knecht des Heeren (vgl. Psalm 22, Psalm 40, Jesaja 53 e.a.).

Maar — en daar is het ons nu vooral om te doen — er is bij hen ook sprake van het openbaar worden van het Koninkrijk van God aan het einde der tijden. De komende Messias is ook de Koning van het rijk van de vrede.

Tegenwoordig willen de moderne theologen ons bij hoog en laag verzekeren dat dit toekomstige rijk van de Messias, hetzij louter politiek, hetzij louter nationaal gekleurd is. Zij trekken dan daaruit de konsekwentie dat het Koninkrijk Gods, ook voor de Christenen, die leven onder de nieuwe bedeling zuiver aards van omvang en gestalte is. Een rijk dat wij met z'n allen, christenen en nietchristenen naar het voorbeeld van Jezus, Messias (wat een gevaarlijke uitdrukking in de mond van deze lieden) moeten verwerkelijken op aarde.

Natuurlijk geven wij toe dat de profeten gesproken hebben in hun tijd en ook politieke en nationale situaties van die dagen op het oog gehad hebben. Wie dat ontkent, ontkent de volle inhoud van de Godswoorden, die hen dcot Gods Geest in het hart en op de lippen zijn gelegd.

Bij de uitleg van de oud-testamentische profetieën zal er rekening mee gehouden moeten worden dat iedere profetie staat in een bepaalde context (= omgeving en verband) die we niet mogen verwaarlozen en... „dat de profetie alleen verklaard en alleen verstaan kan worden in de tijd waarin zij thuishoort. Elke ontworteling der profetische prediking, elk losmaken uit de context is theologisch een misgreep, ja eigenlijk een misdaad". Dit schrijft Dr. A. H. Edelkoort in zijn boek „De Christusverwachting in het Oude Testament" (pag. 18). „Maar", zo vervolgt hij dan, „daarmee is niet gezegd dat de profetie niet boven de eigen tijd, ja boven zichzelf zou uitwijzen".

Verder maakt hij onderscheid tussen profetieën met een zuivere geestelijk-eschatologische inhoud en profetieën die wel sterk nationaal en politiek, van strekking zijn, maar waarin het nationale en politieke niet tot het wezen doch alleen tot de vorm behoort.

Wat dit laattse betreft kunnen we met wijlen Ds. G. Boer zeggen dat de beloften van het Oude Testament een dubbele bodem hebben. Er is alzo sprake van een voorlopige vervulling, in de tijd van de profeten, maar er zijn ook beloften die hun definitieve vervulling pas kregen met de komst van Christus in de wereld of, naar wier uiteindelijke vervulling de gemeente van Jezus Christus nog uitziet.

Nu is het wel zo dat voor het bewustzijn van de profeten de eerste en de tweede komst van Christus meer in elkaar gevouwen liggen. Bij hen treffen we niet het onderscheid tussen komst en wederkomst aan. Dat hangt samen met de aard der Godsopenbaring die zij ontvingen. Het betekent niet dat zij er aan voorbijgegaan zijn en alleen maar gedoeld hebben op een aards vrederijk. De beloften zijn — omdat het beloften Gods zijn — van groter draagwijdte geweest dan zij met woorden uiteen hebben kunnen zetten. Niettemin hebben zij het toch geweten dat de Geest van Christus. Die in hen was beduidde en tevoren getuigde van Christus toekomst. Dat heeft ze niet onberoerd gelaten, daar hebben ze iets van meegedragen in het heilig vuur dat brandde in hun harten.

Komst en wederkomst vallen voor het bewustzijn van de Oud-Testamentische profeten meestal samen. En als ze spreken van de verschijning van Christus in menselijk vlees, dan laten zij onmiddellijk daarop uitspraken volgen die alleen vervuld kunnen worden bij Zijn wederkomst ten gerichte. Zij zien dus in perspectief, op dezelfde wijze als voor ons oog de twee evenwijdig lopende spoorrails in perspectief zich voordoen als één lijn.

Dr. Oepke zegt dat de komst van de Messias in de profeten niet zonder eschatologische aanduidingen zijn (Theol. Wörterbuch, V pag. 860). Persoonlijk vind ik dat wel wat zwak uitgedrukt, al kunnen we zijn waardering voor het eschatologisch element in de profetieën van harte onderschrijven.

In verband met ons onderwerp gaat het dus nu om de vraag hóe hebben dan de profeten van de heerlijkheid van Christus door de Geest van Christus gesproken?

Met instemming wil ik nog eens Dr. Edelkoort citeren als hij schrijft op pag. 10 van zijn genoemd boek: „De Christusverwachting trekt door alle eeuwen van Israëls volksbestaan heen. Deze verwachting had dus betrekking op de toekomst. Trouwens alle profetie is grotendeels toekomstprediking en (zonder het heden waarop de profetie betrekking had te verwaarlozen, wat E. dan ook niet doet) hebben zij (de profeten) het volk meegedeeld dat zij in de raad Gods hadden gezien van dreigend oordeel of van lokkende heerlijkheid. Maar de toekomst die de profeten schouwden, was tevens de allerlaatste toekomst. Hun prediking was eschatologisch ingesteld. Het ging daarin altijd om de laatste dingen". Het dat van de toekomst des Heeren was hoofdzaak, het hoe vaak bijzaak.

Ook ging het om de komst van het rijk Gods op aarde. Let wel, zij spreken van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. „Want

zie, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden" (Jes. 65 : 17; verg. ook Jesaja 66 : 22). Daarom zal het einddoel van Gods wegen zijn dat op deze aarde, waar nu tot smart der vromen de verwoestende machten onbelemmerd schijnen te kunnen triomferen, God Zijn triomfen vieren zal, als Hij in een ontzaggelijke strijd de eindoverwinning behalen zal en hier openbaren dat Hij Koning is.

En de profeten hebben zeer zeker de Messias gezien als de Koning van het einde. Zij hebben gesproken van Zijn vleeswording en de geboorte van een Kind bejubeld, op welks schouder een eeuwige heerschappij wezen zal (Jes. 9:5).

Al luisterend naar hetgeen de profeten door de Geest van Christus gesproken hebben, horen we de stervende aartsvader Jakob, wachtend op Gods zaligheid getuigen: „De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Dezelve zullen alle volken gehoorzaam zijn".

David mag in het geloof ver vooruitblikken en horen uit de mond van Nathan: Doch uw huis zal bestendig zijn en uw koninkrijk tot in eeuwigheid voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwig-

heid (2 Sam. 7 : 17). Tot Zijn Gezalfde (d.i. Messias) zegt God de Vader door de stem van de profetische dichter: Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel en de einden der aarde tot Uw bezitting. In de koningspsalm horen we de jubelzang: Hij zal heersen van de zee tot aan de zee en van de rivier tot aan het einde der aarde" (Psalm 72 : 8).

„Zie", zo roept Jesaja het volk toe, „een Koning zal regeren in gerechtigheid en uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid (Jesaja 32 : 1; 33 : 17).

Wereldomvattend zal dit koningschap van Christus zijn. „En Hem werd gegeven heerschappij en eer en het koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden Zijn heerschappij/ is een eeuwige heerschappij die niet vergaan zal en Zijn koninkrijk zal niet verdorven worden" (Daniël 7 : 14).

Hoezeer dit rijk van Vorst Messias een rijk des vredes zal zijn, vermelden ons de plaatsen als o.a. Jesaja 2:1 — 4 waar het oog uitsluitend gericht wordt op de bekering van de heidenwereld, als vele volken zullen heengaan tot de berg Sion, tot het huis van de God van Jakob om de Heere hulde te brengen (vgl. ook Jesaja 9 : 6w., Jesaja 35 : 10).

Graag sluit ik me aan bij de exegese van Edelkoort — in tegenstelling met al wat de moderne theologie hier te berde brengt —: „En toch — al ziet men er nu niets van — is daar de onzichtbare schare van waarachtig gelovigen, die vol verlangen uitziet naar de openbaring van de nieuwe wereld, waar men de krijg niet meer leren zal, omdat daar geen zonde meer wezen zal. Waar enkel vrede heersen zal, omdat allen in Gods wegen gaan. Waar de berg der Godsopenbaring de aarde overschaduwen zal, zodat heel de schepping rijk Gods wezen zal."

Het kan moeilijk anders of zó heeft Christus, de verheerlijkte Paasvorst, van Zijn heerlijkheid gesproken en gewezen op het getuigenis van de Heilige Geest, Die in de profeten was. Een zuiver aardse interpretatie van dit getuigenis der profeten verwerpen wij met alle kracht. Doet onzes inziens tekort aan „de heerlijkheid die op het lijden van Christus volgt".

Wij voor ons hebben getracht de lezers (-eressen) te helpen om uit de Schriften van het Oude Testament te bewijzen dat Jezus de Christus is (Hand. 9 : 22; 28 : 32).

Van Zijn toekomst in heerlijkheid spreken ons de profeten die ons heenwijzen naar het einde waarnaar aartsvaders en koningen, profeten en psalmdichters hijgend hebben uitgezien, en waarnaar de gemeente van alle tijden, ook van onze tijd, vurig blijve verlangen. En op gevaar af van beschuldigd te worden van bloedloze herhaling van oude dogma's, belijden we in gemeenschap met de kerk der eeuwen in navolging van Nicea: „Wiens rijk geen einde zal hebben".

B.

H. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 mei 1974

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De toekomst des Heeren

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 mei 1974

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken