Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De toekomst des Heeren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De toekomst des Heeren

9 minuten leestijd

(6)

De grote afval

We zijn de laatste keer geëindigd met te wijzen op een gangbaar misverstand, als zou de dag van Christus' wederkomst, in tijden van chaotische verwarring dichter bij zijn, dan in tijden van voorspoed en welvaart. Bij het nauwkeurig nagaan van de Schrift blijkt eerder dat het omgekeerde waar is.

In tijden dat de wereld en de volkeren in rep en roer zijn, krijgen de mensen nu niet bepaald gelegenheid om te slapen, zoals Jezus daarover spreekt in de bekende gelijkenis van de vijf wijze en dwaze maagden (Matth. 25).

De tijd vlak voor de wederkomst van Christus wordt ons in de Bijbel getekend als een tijd van algemene rust. Een tijd, waarin over het algemeen de toekomst des Heeren ver buiten het gezichtsveld is komen te liggen.

Een tijd ook, die zich zal kenmerken door de grote afval.

Het zelfstandig naamwoord afval (Grieks: postasia) komt in het N.T. in absolute betekenis, als een gebeurtenis van de laatste dagen, alleen voor in 2 Thess. 2:3, waar het in direct verband staat met het verschijnen van de mens der zonde, of nauwkeuriger vertaald, de mens der wetteloosheid.

Paulus spreekt hier van de afval en het gebruik van het lidwoord de moet er ons opmerkzaam op maken, dat het hier gaat om een zeer speciale afval, die gewoonlijk geduid wordt met de grote afval.

De tijd van de grote afval.

In de tweede brief aan de Thessalonicenen, en met name in het tweede hoofdstuk, aarschuwt Paulus tegen onjuiste voorstellingen, met betrekking tot de komst des Heeren. Het staat in elk geval vast en het mag onder de aandachtige Bijbellezers als bekend worden verondersteld, dat de gemeente van Thessalonica, gelegen in Macedonië, zeer sterk leefde bij en uit de wederkomst van Christus.

Gods Zoon uit de hemelen verwachten, was één van de centrale thema's van hun geloofsleven.

Door beide brieven heen komen wij de spanning die deze verwachting met zich meebrengt tegen. Dat is in elk geval het positieve van deze gemeente, waarbij het geloofsleven van Christus' gemeente vandaag wel bijzonder schriel en beschamend afsteekt.

Nu leverde, zoals blijkt, deze spanning ook gevaren op. „De spanning dreigde overspanning te worden" (Veldkamp: „In de schemering van Christus' wederkomst" blz. 6). Er stonden „geesten" op, die de gemeente met allerlei voorstellingen aangaande de toekomst des Heeren in verwarring brachten.

Uit het begin van 2 Thess. 2 wordt ons duidelijk dat zij beweerden: „de dag des Heeren is aanstaande" (vs 2). Uit de vertaling van onze Statenvertaling, alsmede uit de N.V. die heeft: alsof de dag des Heeren reeds aanbrak, zou men kunnen konkluderen, dat het de bedoeling van deze heden was om te attenderen op de spoedige wederkomst van Christus.

Tegen een dergelijke opvatting zou weinig of geen bezwaar kunnen worden ingebracht. Immers de gemeente van Christus behoort zó te leven in geloof en hoop, dat zij elke dag de.komst van haar Bruidegom kan verwachten.

Hier in Thessalonica is er iets heel anders aan de hand.

Er wordt door Paulus een vorm van het werkwoord gebruikt, die als een tegenwoordige tijd vertaald moet worden. De dwaling bestaat hierin, dat zij beweren dat de dag des Heeren al is aangebroken.

Op die manier hadden zij de toekomst des Heeren helemaal vergeestelijkt en getrokken in het hier en in het heden, in deze tijd.

Zo zien we meteen dat de oude dwaling in de huidige theologie in „moderne" vorm terugkeert. In het voorgaande is daar al het een en ander over opgemerkt. De vergeestelijking van de toekomst des Heeren brengt mee, dat men het heil verwerkelijken wil in het hier en nu.

Paulus neemt krachtig stelling tegen deze opvatting door te zeggen: „Dat niemand u verleide op enigerlei wijze" (vs 3a).

We zagen reeds hoe ook Christus met kracht tegen elke vorm van verleiding op dit terrein heeft gewaarschuwd.

Zeker, de dag des Heeren komt, de toekomst (de paroesie) van Christus staat ons te wachten. Maar die dag komt niet — en let nu even heel scherp op — „tenzij dat eerst de afval gekomen zij", (vs 3).

Wat dus de tijd van de grote afval betreft, kunnen wij zeggen dat zij „eerst" komt, aan de wederkomst van Christus onmiddehjk voorafgaat.

Dit „eerst" heeft niets te maken met de door sommige theologen (o.a. K. Rhaner en G. C. Berkouwer) bestreden theologie, die bij wijze van een reportage een verslag opbouwt van de gebeurtenissen van de eindtijd.

Dat dit hier de bedoeling zou zijn wordt terecht door Dr. H. Ridderbos bestreden in zijn boek „Paulus" (pag. 568-571).

Het gaat er om, aldus Ridderbos, dat zoals er in verband met Christus' komst in het vlees van „een volheid des tijds" gesproken kan worden, d.w.z. van „een te zijner tijd" (1 Tim. 2 : 6, Tit. 1:3) vervuld worden van het goddelijk heilsplan, zo is er ook t.a.v. de toekomst des Heeren niet alleen een bepaalde tijd, maar ook een orde van gebeurtenissen vastgesteld die naar de heilsraad Gods „eerst" moeten plaatsvinden.

Het gaat er hier niet om dat wij de dag des Heeren nauwkeurig gaan berekenen.

„Iets anders is echter, dat de gemeente kennis mag dragen van bepaalde gebeurtenissen, die aan die dag voorafgaan en waaruit toch wel in zeker opzicht kan worden afgeleid, of de weg voor de komst des Heeren reeds „vrij" is."

En zo is de grote afval wel heel duidelijk een voorteken die de nabijheid van de dag des Heeren nader bepaalt.

De bewerker van de grote afval

Als bewerker van de grote afval noemt Paulus in 2 Thess. 2:3: de mens der wetteloosheid". De algemene gedachte is wel dat de apostel hier één mens op het oog heeft. In hem zal de wetteloosheid, d.w.z. de overtreding van de wet, die door God gegeven is, tot zijn hoogtepunt komen. Erger nog, de wetteloosheid zal in hem tot vlees en bloed worden. Hij wil met de wet van God niets meer te maken hebben. Hij is duidelijk een persoon en wel de persoon van de antichrist.

Het „beest" dat uit de zee, de volkerenwereld, opkomt. De totale negatie (= ontkenning) van God zal in de antichrist, als in een bepaalde persoon, haar drager en vertegenwoordiger vinden.

In alle opzichten is hij de tegenvoeter van Christus. Het woord „anti" heeft namelijk twee betekenissen. Het kan betekenen „tegenover", maar ook: „in de plaats van". Beide betekenissen kunnen we op de antichrist toepassen. Hij stelt zich tegen God en verheft zich boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, (vs 4).

Dat hij de plaats van Christus zal innemen komt in het slot van 2 Thess. 2 : 4 duidelijk naar voren, waar we lezen dat hij in de tempel van God zal zitten, zichzelf vertonende dat hij God is. „Zo dan, " zegt Calvijn, „doet hij de schijn van Christus aan, opdat hij in de persoon van een plaatsvervanger van Christus, zich stelt tegen Christus".

Met de tempel Gods zal niet de letterlijke tempel in Jeruzalem bedoeld zijn. Het gaat om de ontheiliging van het heiligdom van God. Juist daar waar Hij woont en werkt, nestelt zich de mens der wetteloosheid. Anders gezegd: de mens der wetteloosheid zoekt zijn werkterrein niet buiten maar binnen de christelijke gemeente. Ook ten opzichte van zijn verschijning is hij een karikatuur van Christus. Het is opvallend dat hiervoor dezelfde woorden worden gebruikt als voor de aanduiding van Christus wederkomst. Ik wijs daarvoor op de woorden als Openbaring, vs 3, 6, 8; daar lezen we immers drie keer dat hij geopenbaard zal worden. Ten tweede wordt ook zijn komst toekomst (paroesie) genoemd, (vs 9). Dit alles maakt de mens der wetteloosheid „duidelijk als laatste, eschatologische tegenbeeld van Christus" (H. Ridderbos, „Paulus" blz. 575). Deze antichrist is dus het „beest" uit de zee, waarover met name ook gesproken wordt in Dan. 7 en in Openb. 13.

In elk geval een concentratie van goddeloosheid. Bolkestein wijst in zijn commentaar er op hoe hij in Dan. 7 : 25 en 11 : 36 duidelijk concrete trekken krijgt. Laten wij samen deze beide teksten eens lezen. In Dan. 7 : 25 lezen we dat het beest woorden zal spreken tegen de Allerhoogste, en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren (denk aan de grote verdrukking die over de kerk zal losbreken), en het zal menen de tijden en de wet te veranderen. En vervolgens lezen we in Dan. 11 : 36 dat er een koning zal komen die zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen en groot maken boven allen God, en hij zal tegen de God der goden wonderlijke dingen spreken. In de profetieën van Daniël wordt hier rechtstreeks gedoeld op Antiochus Epifanes, de grote verdrukker der Joden, een vorst uit het Syrisch-Macedonische huis der Seleuciden, 175—164 v. Chr.

In 2 Thess. 2 wordt hetzelfde gezegd van de antichrist, een bewijs dat deze profetie uit Daniël dan pas haar uiteindelijke vervulling zal krijgen.

Uit het voorgaande mogen we nu de gevolgtrekking maken dat aan het einde der tijden inderdaad zulk een persoonlijke antichrist op het wereldtoneel zal verschijnen.

En al betekent dat niet dat wij de toekomst des Heeren van hier uit kunnen gaan berekenen, het betekent wél dat de gemeente van de eindtijd haar oren en ogen goed de kost moet geven; of beter, dat zij in het geloof waken moet en acht geven op de tekenen der tijden.

Ik ga nu niet verder in op allerlei bijzonderheden van de antichrist. Het gevaar van speculatie is hier levensgroot en daarvoor hebben wij ons ten allen tijde te wachten. Voldoende is te weten; zoals Christus eens komen zal van de hemel, zo zal voor dat Hij komt de antichrist als de goddeloosheid in eigen persoon ook komen.

Aan de toekomst des Heeren gaat de „toekomst" van de antichrist vooraf. Beiden hebben zij hun eigen paroesie. Echter aan de komst van de mens der wetteloosheid gaat nog iets anders vooraf. Zijn „openbaring" en zijn „toekomst" wordt tevoren grondig voorbereid. In deze voorbereiding heeft hij de hand, heel voorzichtig, maar doelgericht en welbewust. Daarom noemden wij hem de bewerker van de grote afval. Hoe hij deze afval bewerkt blijft staan voor een volgende keer.

B.

H. V.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 juli 1974

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De toekomst des Heeren

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 juli 1974

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken