Bekijk het origineel

De Gode beproefde arbeider

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Gode beproefde arbeider

10 minuten leestijd

Benaarstig u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt. 2 Timotheüs 2 : 15.

Gode beproefd voorstellen

De tweede brief van de apostel Paulus aan Timotheüs, die hij zijn zoon noemt, bevat zowel Paulus' afscheidswoord van het leven en daarmee van zijn dienst (2 Tim. 4 : 6—8) als de ambtsoverdracht aan zijn jonge opvolger. Heel het tweede hoofdstuk staat in het teken van de dienst, die Timotheüs moet vervullen. Vele lessen geeft de apostel hem mee en achter Timotheüs ook allen, die nadien in de heilige dienst van het Evangelie zullen staan door de eeuwen heen. Calvijn vertaalt: Doe naarstigheid om uzelven Gode aangenaam voor te stellen."

Vooreerst dan wordt van een dienaar gevraagd naarstigheid. En dan wel naarstigheid in de Evangeliebediening. De kanttekeningen zeggen, dat het betreft de zuivere en waarachtige leer des Evangelies. Vooreerst de God der waarheid, de Vader van de Heere Jezus Christus, Christus Zelf en de Heilige Geest, Die tezamen zozeer bij het Evangelie betrokken zijn, zijn een ijverige dienst waard. De Heere Jezus heeft gezegd: „Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook." God is waard dat Zijn dienstknechten als de engelen Gods vaardig passen op het woord van Zijn mond. Voor ieder mens is luiheid schandelijk, maar zeker voor een dienaar Gods. Waar de God der krachten is, kan een dienaar van Hem tot de wonderlijkste krachtsinspanning in staat gesteld worden. Timotheüs was niet sterk, nochtans spoort Paulus, die ook zelf met een doorn in het vlees had moeten werken, hem aan zich te benaarstigen. Met de Heere kan alles, ook voor de zwakste krachten.

Dan ook is het Woord der waarheid, dat rijke, dat diepe Woord, waard dat men dat onderzoekt, dat men dat ook met alle naarstigheid predikt en dat men dat doet met zijn ganse hart, met al zijn verstand en met al de hem toegemeten gaven. Het Woord is het ook zo waard dóórgepreekt te worden. Zelfs de grote apostel Paulus heeft het bekend: „Wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele." Zelfs de langstlevende dienaar zal hem dat na moeten zeggen. Daarom moet een dienaar des Woords het Woord ook zoveel mogelijk prediken, al maar voort en al maar verder. Hoe verder men komt, hoe meer schatten men vindt. De boodschap des Woords, de goede boodschap, is zo rijk, dat het brengen daarvan wel alle naarstigheid van een dienaar vordert.

En tenslotte is het volk, dat men heeft te leren, oud en jong, geleerd en eenvoudig, alle naarstigheid in het onderwijzen waard, 't Zijn toch allemaal zielen, wier tijdelijk en eeuwig welzijn afhangt van de kennis van het Woord. Laat toch Mijn volk niet verloren gaan, omdat het geen kennis heeft. Vandaar dus Paulus' raad tot ijver!

Beijvert u om uzelf Gode beproefd voor te stellen. Het Griekse woord dokimos — „beproefd", komt in Rom. 5 : 4 voor en betekent daar „bevinding". De ijver in Gods Woord moet beproefdheid, moet bevinding werken. Een leraar moet onder het werk bevinden, dat het Woord Gods waar is. Hij moet het beproefd achten, hij moet ervaren, dat de veroordeling van Gods Woord waar is en dat de vrijspraak waar is. Het Woord Gods moet door hem heengegaan zijn, het moet voor hemzelf waar geworden zijn. Dan wordt ook zijn dienst beproefd bevonden, écht bevonden. En zo moet hij bevonden worden voor Gód. Het moet echt blijken, dat hij met het Woord doet, wat God ermee gedaan wil hebben. Hij moet het wel en het wee van het Woord hanteren en aanzeggen. En dan zal dat Woord ook aankomen, zowel bij de rechtvaardigen als bij de goddelozen. Als het goed is, moet men voor het Woord buigen of er zich aan stoten.

Hij moet zich Gode beproefd voorstellen. Zich aan God voorstellen. Een dienaar van het Evangelie moet niet alleen naarstig zijn om de arbeid te doen, maar hij moet even naarstig zijn om zich aan zijn God voor te stellen: niet alleen zijn werk voor te stellen, maar ook zichzelf. De Heere stelt zoveel belang in Zijn dienstknechten. Zij zijn, om met Calvijns vertaling te spreken, Hem aangenaam.

Wat meester is er, die met zijn knechten nooit contact onderhoudt. En zeker zij, die door het Woord zijn henengegaan, die met hun schapen als herders door het Woord zijn heengegaan, die hebben dat Woord beproefd bevonden, waar bevonden — zij en hun hoorders — zal God hen dan niet voor Zijn aangezicht willen zien komen? Een mens, die God vreest, maar zeker een leraar, die God vreest, is Gode aangenaam. De bevinding derzulken wekt hun hoop.

Niet beschaamd worden

„Een arbeider, die niet beschaamd wordt." Reeds wezen wij op het zich benaarstigen. Men moet ijverig zijn om zich aan God voor te stellen. Een zeer belangrijk deel van de dienst der dienaren is het gebed, niet alleen het ambtelijke, maar het persoonlijke gebed. Vooral het gebed der dienaren voor en na hun arbeid. Het werk wil voor God neergelegd zijn, maar ook hun persoon. Maar de naarstigheid, de ijver wil vooral betracht zijn in de arbeid. Gods Woord noemt de dienaren „arbeiders", op een andere plaats Gods medearbeiders. Dat is een woord, dat is een naam, die men in deze tijd niet graag gebruikt. Daar is onze tijd te arbeidsschuw voor. De apostel Paulus gebruikt dit woord wèl, en hij gebruikt het voor zichzelf en voor él de Evangeliedienaren, ook voor de jonge Timotheüs. Hij noemt zichzelf, evenals Johannes de Doper dit deed, de slaaf van Christus. Johannes de Doper achtte zich nog niet eens waardig Zijn slaaf te zijn. Alle standshoogdheid is in het Koninkrijk der hemelen contrabande. Die kan en mag een Evangeliedienaar niet liggen. Zij dienen met het Evangelie slechts arme zondaars en nu verdraagt het Evangelie geen hoogmoed en de zondaars, voor wie zij hebben te spreken, allerminst. Zij moeten maar arbeiders zijn en arbeiders werken voor hun Opdrachtgever. Alle gevoel voor hoogheid moet een Evangeliedienaar vreemd zijn Daar is al wat twist, jalouzie en eigen eer en winstbejag geweest in de kerk door predikers, die geen arbeiders, nietige en nederige arbeiders wilden zijn. Het zijn alleen kleine mannen, die groot zoeken te zijn en die zich ook niet ontzien om groot te willen zijn ten koste van anderen. De een zoekt de wijste te zijn, de ander de begaafdste, de ander de rechtzinnigste. Arbeiders — anders hebben wij niet

te zijn. En hoe harder een arbeider werkt in het Woord en in de Evangeliedienst, hoe minder last hij ervan heeft, als een ander het beter heeft en kan dan hij.

In de naarstige onderzoeking van het Woord Gods ligt een volledige levenstaak, voor de man met de vijf talenten zowel als voor de man met het ene talent. En in de prediking van dat Woord aan arme zondaars ligt zoveel verootmoediging, ook zoveel bemoediging, ook zoveel heerlijkheid, dat ge niet liever wilt dan daar maar in bezig te zijn, daar anderen mee gelukkig te maken en daar zelf uw enige rijkdom en uw enige bezit in te vinden. Het Evangelie is er niet, om daarover te twisten, om daarmede een ander de loef af te steken, het is er slechts om daardoor zalig te worden en om anderen daardoor zalig te doen worden.

Zo alleen zal men niet beschaamd staan voor God. Die wil heersen in de kerk, die wil heersen met de prediking, zal ondervinden, dat God de hovaardigen wederstaat en de nederigen genade schenkt. Dan wordt men wèl beschaamd.

God Iaat met het Woord Gods ook geen ware Evangeliedienaar voor de mensen beschaamd staan. Met het Woord Gods komt men nooit beschaamd uit. Wie ooit de wet predikt, werkelijk de Wet Góds predikt, al zou hij alle mensen tegen hebben, die zal gelijk krijgen, die zal bevestigd worden. Het is niet tevergeefs God te dienen! Het is altijd tevergeefs de geboden Gods te verachten. Wie ooit het Evangelie der schuldvergeving predikt, die zal zien, dat dat geen vergeefs werk is: at zal gelóófd worden tot zaligheid. En naar de mate hij het predikt, zal het ook geloofd worden. Wie weinig Christus predikt, zal weinig vrucht zien. Wie veel Christus predikt, zal veel vrucht zien. Hij heeft het Zelf beloofd: Die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien", 2 Corinthe 9 : 6.

Neen, niet beschaamd, geenszins beschaamd, die een arbeider is om des Heeren wil en om der zielen wil.

Die hier bedrukt met tranen zaait, Zal juichen, , als hij vruchten maait; Die 't zaad draagt, dat men zaaien zal, Gaat wenend voort, en zaait het al; Maar hij zal, zonder ramp te schromen, Eerlang met blijdschap wederkomen, En met gejuich, ter goeder uur, Zijn schoven dragen in de schuur.

Het Woord recht snijden

„Die het Woord der waarheid recht snijdt." Ook dit zinsdeel staat onder het hoofd: „benaarstig u". Een prediker moet naarstig zijn in alle arbeid tot opbouw van de kerk, tot geestelijke opbouw van de kerk, waarvan het voornaamste doel is prediken. De kanttekenaren zeggen: „ordelijk al de hoofdstukken en leden daarvan voorstellen en toepassen naar het begrip en de gelegenheid der toehoorders." Voorstellen en toepassen! De tegenwoordige tijd laat de predikers met allerlei dingen zich bezig houden: met sociologie en met psychologie, maar dat is hun taak niet. Zij moeten het Woord prew v W m v k v d r i k g diken: de Wet en het Evangelie. Zo ooit één woord der profeten geldt, dan is het dit profetenwoord: „Tot de Wet en tot de getuige-. nis, want het zal zijn, zo zij niet spreken naar dit Woord, dat zij geen dageraad zullen hebben!"

En dan moet het Woord voorgesneden en toegedeeld worden naar eens iegelijks gelegenheid. Zoals de priesters in het Oude-Testament tot de offermaaltijd met wijsheid, wel onderscheidende, ontleedden en onder de huisgenoten Gods verdeelden, zoals huisvaders de spijs voorsneden, om die dan naar recht en billijkheid onder de huisgenoten toe te delen, zo moeten volgens de apostel de predikers het Woord Gods, Wet en Evangelie, recht voorsnijden ^n toedelen, uitdelen.

Van tekst tot tekst, van hoofdstuk tot hoofdstuk, van boek tot boek, moet men het Woord Gods recht aansnijden en ook recht toedelen. Men moet niet aan de buitenkant van het Woord blijven staan, maar tot in de binnenste delen doordringen: heel de leer der zaligheid tot in alle stukken. Aansnijden en toedelen. Men moet zijn niet alleen een voorsteller van de dingen Gods, maar ook een toepasser. Men moet niet alleen zijn een aansnijder, een voorsnijder, maar ook een uitdeler van de menigerlei genade Gods. Men moet toedelen vermaning en vertroosting, lering en bemoediging, wet en evangelie. En die moet men tot in het binnenste des Woords raken, zodat de prediking zij tot spijze voor de zielen. Waar wat te eten valt, daar komt het volk wel. En men moet het als een goede maaltijd en als een goed huisverzorger Gods de mensen leren eten en doen eten, opdat het inga tot in het innerlijke der zielen.

Het is immers het Woord der w& érheid! Het is immers God in Zijn Woord, het is immers Christus in Zijn Woord, het is immers de Heilige Geest in Zijn Woord. En de Heere Jezus heeft Zelf gezegd: „Ik ben het brood des levens." Wie van dit brood eet, zal niet hongeren in der eeuwigheid. In en met Hem eet men al het heil, dat voor zielen maar te genieten valt. Dit Woord der waarheid zal niet beschaamd maken die het uitdelen, en zal ook niet beschaamd maken die het genieten. Het is het Woord der waarheid, dat waarachtig zal zijn voor die het prediken en dat even waarachtig zal zijn voor die het nemen en eten. „Toen ik Uw Woord gevonden heb, heb ik het opgegeten", zegge nu uw ziel.

„Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden", heeft de Heere ons Zelf gezegd.

Gr.-A. W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 september 1974

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De Gode beproefde arbeider

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 september 1974

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken