Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het nut van Christus' opstanding

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het nut van Christus' opstanding

11 minuten leestijd

Wat nut ons de opstanding van Christus? Ten eerste heeft Hij door Zijn opstanding de dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood ons verworven had, kon deelachtig maken. Ten andere worden wij ook door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Ten derde is ons de opstanding van Christus een zeker pand van onze zalige opstanding.

Zondag 17.

De opstanding en de rcchtvaardigmaking

De Catechismus zet niet uiteen het feit van de opstanding van Christus, maar vaart terstond voort tot het nut van Zijn opstanding. Intussen is het feit van de opstanding voor en na in de kerk Gods een zeer aangevochten zaak geweest. Zo dat in al de Evangeliën het feit nadrukkelijk werd vastgesteld en geleerd en dat èn in de Vier Evangeliën al de getuigen van Zijn opstanding werden vermeld en zo dat ook Paulus in 1 Corinthe 15 heel de schare der getuigen deed aantreden, stuk voor stuk. De Catechismus als een echte geloofsbelijdenis gaat eenvoudig uit van dit geloof, zonder een enkel bewijsstuk, evenals het Apostolicum eenvoudig belijdt: „Ten derden dage wederom opgestaan uit de doden", zoals de Twaalf Artikelen ook in artikel 11 zonder meer belijdt voor de mens: „de wederopstanding des vleses". Tegenover het ongeloof kunt u eigenlijk niet beter doen dan gewoon maar het geloof belijden.

Zeer practisch gaat de Catechismus terstond over tot het nut van de opstanding. Het is maar een heel kleine Zondag, Zondag 17, maar hij is niettemin geladen van inhoud. Hij houdt niet minder in dan de rechtvaardigmaking, de heiligmaking en de heerlijkmaking, waarvan wij voor heden een dankbaar en practisch gebruik willen maken. Temeer waar onze prediking doorgaans wel wat leerstellig is en wel eens wat te weinig afdaalt tot de practijk der Godzaligheid. De rechtvaardigmaking is onder de christenen nogal eens een stuk dat verschil van mening oproept. In Zondag 23 wordt na de behandeling van de Twaalf Artikelen als baat van het geloof genoemd de rechtvaardigmaking. Terecht en een wel zeer heerlijk stuk voor él het geloof, toevluchtnemend geloof en bevestigd geloof en dus een stuk troostrijk voor elk en een iegelijk gelovige. Maar de Schrift noemt in de eerst aangekondigde tekst onder deze Zondag als de grond van onze rechtvaardigmaking: e opstanding van Christus, Romeinen 4 : 25b. Zodat de Zondag van de rechtvaardigmaking niet is los te maken van Zondag 17. De baat van heel het geloof rust in het nut van Christus' opstanding. Vandaar dat wij hier in Zondag 17 heel de toepassing des heils vinden, n.1. èn de rechtvaardigmaking èn de heiligmaking (of wedergeboorte) èn de heerlijkmaking tot zaligheid.

Nu dan.

Christus heeft de dood overwonnen. U kent de geschiedenis, dat Hij in hetzelfde lichaam verrezen is, als waarin Hij gestorven is. Vandaar dat Zijn graflegging slechts drie dagen geduurd heeft, vandaar dat het opgestaan is, dat lichaam met nog dezelfde tekenen der wonden. Hiervoor is de Thomasgeschiedenis belang en ook het Johannesgetuigenis op Padmos, waar hij Christus zag in de tekenen: et Lam, staande als geslacht. Dit was Christus' eigen ziel, die in Zijn eigen lichaam is wedergekeerd. Dit opdat wij zeker geloven zouden, dat ook wij in dit ons lichaam, in ditzelfde lichaam eens zullen opstaan. God schept geen nieuwe lichamen, maar Hij herschept ditzelfde lichaam, waarom Hij ook waakt over ons stof. Zoals de Heere ook geen nieuwe ziel in ons schept, maar dezelfde ziel wederbaart. Wij zullen ook ons eigen wezen bezwaren naar het lichaam, maar ook on' eigen karakter naar de ziel, maar gereinigd, herschapen. En als er nu staat dat Jezus aan de Emmaüsgangers verscheen in een andere gedaante (Lucas 24 : 43), dan is dat wel dezelfde Jezus, maar verheerlijkt, niet meer gebonden aan tijd en plaats, Hij nu heeft de dood overwonnen.

De tijdelijke dood, de geestelijke dood, de eeuwige dood, dat was dus de hele straf op de zonde, die de Heere in het Paradijs toezeide. Vandaar dat de Catechismus zegt, dat Hij dus nu als de Levende de verworven gerechtigheid ons kon deelachtig maken. Hij betaalde dus opstanding de schuld. Hij droeg de straf (de drievoudige dood) en Zijn opstanding is het bewijs dat de schuld geheel en volledig afbetaald is. En het geloof in deze opstanding is dan nu rechtvaardigend van aard. Dit geloof erkent de schuld, niets minder dan de tijdelijke, de geestelijke en de eeuwige dood. Maar dit geloof ziet en erkent dat Zijn offer (dat grote offer - dat volkomen offer) voldoende was. In de opstanding van de Heere Jezus Christus heeft God de ganse kerk rechtvaardig verklaard. Deze opstanding, de Vaderlijke opwekking, was het Amen op Jezus' offer en dus de vrijspraak Gods over de ganse Kerk in het Bondshoofd Christus. Vandaar dat dit geloof in Christus' opstanding ook deel geeft in die rechtvaardigmaking van het Bondshoofd. Hij als de Levende kan ons nu deelachtig maken de verworven gerechtigheid. En dat doet de Heere Christus nu dan ook. Waar een ziel geleid wordt tot dit geloof in dit enig offer, daar wordt een mens vrijgesproken van straf en schuld en daar ontvangt hij recht op het eeuwige leven. Wij worden dan ook alleen door het geloof gerechtvaardigd. En wij ontvangen de troost van de rechtvaardigmaking naar de mate des geloofs. Zo wordt de rechtvaardigmaking door het geloof - het leerstuk der Reformatie - niet de schrik der kerk, maar de troost der kerk.

Intussen hoort er nogal wat toe om deze troostbron der rechtvaardigmaking, n.1. Christus' opstanding, te ontdekken. Dat doet niets en niemand anders dan de ontmoeting met en de ontmoeting van de levende Christus.

Hij verwierf de gerechtigheid! Hij deelt de gerechtigheid toe!

De opstanding en de heiligmaking

„Ten andere worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven." Wij nemen hier het woord heiligmaking in de oorspronkelijke zin. In Zondag 8 wordt gesproken van de Heilige Geest en onze heiligmaking. Daar is bedoeld heel de levensvernieuwing, of de wedergeboorte. In dezelfde

zin gebruikte ook Calvijn dit woord, dit stuk. Wij zijn het woord gaan gebruiken alleen voor het leven der dankbaarheid. Beide dingen zijn natuurlijk door dit woord te vatten. Daar is een levendmakende daad nodig, wil een zondaar tot een nieuw leven komen. Dat geschiedt door de Heilige Geest, of ook door de kracht van de opgestane Christus. Het is Zijn kracht, het is de kracht van de door Christus verworven Geest, die dit nieuwe leven wekt. Zij volgt op, zij vloeit voort uit de rechtvaardigmaking. Zo zegt ook artikel XXIV van de heiligmaking en de goede werken, „dat dit waarachtig geloof, in de mens „gewerkt zijnde door het gehoor van het „Woord Gods en de werking des Heiligen „Geestes hem wederbaart en maakt tot een „nieuwe mens en doet hem leven in een „nieuw leven, en maakt hem vrij van de slavernij der zonde".

Christus is als Hoofd van het lichaam opgestaan uit de doden en als een hoofd van een lichaam opstaat, dan volgen ook al de leden: de schouders, de armen, het onderlichaam, de benen. Dit beeld gebruikt de Schrift voor de opstanding der gemeente, der gelovigen door Christus' kracht. Het is onmogelijk dat degenen, die Christus door een waar geloof ingeplant zijn, niet met Hem zouden opstaan tot een nieuw leven. Het gebeurt door Zijn kracht, op Zijn bevel, maar elk der lichaamsdelen komt in beweging, elk der ledematen rijst op.

De zonde is de oorzaak van onze drievoudige dood. Staat nu een mens op uit de zonde, dan staat hij daarmee op uit de geestelijke dood. Hij wordt een levend mens, hij wordt een geestelijk mens. Hij gaat naar God vragen, naar de wil Gods vragen. Hij gaat naar Zijn geboden vragen. Het is zo'n begrijpelijke vraag, het is zo'n gewone vraag voor een opgewekt zondaar, dat hij vraagt: „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? " Dat deed de verslagen schare op de Pinksterdag. Dat deed Paulus op de weg naar Damascus.

Dan breekt hij terstond met de zonde, met de wereld, met zijn oude gezelschap, met de satan. Hij neemt terstond dienst bij een nieuwe Meester en hij komt onder een nieuw werk, onder nieuwe wetten. Het is een nieuw leven, dat door hem heenstroomt. Het oude is voorbijgegaan; het is alles nieuw geworden. De bijbel gaat hem open en die wordt als een nieuw boek, ongekend en ongekend heerlijk. Het wordt zijn reisgids. De kerk gaat hem open en hij ziet haar met andere ogen. Het Koninkrijk Gods gaat hem open.

Hij heeft lust daarin te gaan. Hij is overgegaan uit de dood in het leven, uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht.

Hoe wonderbaar is Uw getuigenis, Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren, Want d' oop'ning van Uw woorden zal gewis, Gelijk een licht het donker op doen klaren.

Zij geeft verstand aan slechten, wien 't gemis Van zulk een glans een eeuw'ge nacht zou baren.

Ai zie, o HEER', dat ik Uw wet bemin! Uw gunst vernieuw' mijn leven en mijn krachten. Uw godd'lijk woord is waarheid van 't begin, Uw recht heeft nooit verandering te wachten; Dies houd ik dat met een verblijde zin; Leer door Uw Geest mij dat gestaag betrachten.

De opstanding en de heerlijkheid

„Ten derde is ons de opstanding van Christus een zeker pand onzer zalige opstanding." De Heere heeft Zijn werk zo afgemaakt. Na heel die diepe weg van Zijn vernedering is Hij ook gegaan de weg Zijner verhoging. Die begon bij Zijn heerlijke opstanding. Dat was wat toen Hij uit de slaap des doods ontwaakte, toen Zijn ziel weer kwam in dit lichaam en Hij in grote vrede uitging uit Zijn graf. Hoe dit alles geschied is, is ons niet of maar ten dele bekend. Dat Hij opstond, opgewekt door de Vader, weten wij. Of dat voor de afwenteling van de steen was door de engel, weten wij niet. Of en hoe de doeken door Hem werden los gemaakt en afgelegd weten wij niet. Wie Hem klederen gaf en aantrok, wie de doeken oprolde en netjes op hun plaats legde, wij weten het niet. Dit alleen: dat Hij opstond, dat Hij verheerlijkt opstond. En Hij heeft gezegd: „Ik leef en gij zult leven." En Hij heeft gezegd: „Ik ben de opstanding en het leven, die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven."

Hij stond op als Borg voor de Zijnen. Zo is Hij dan in Zijn opstaan de garantie voor de opstanding van Zijn volk. Zo velen zij leden zijn van Zijn lichaam, zo velen zullen zij leven door Hem. Die hier tot dit leven, dit geestelijk leven opstonden door Zijn kracht, die zullen ook zo'n opstanding hebben naar het lichaam als Hij. Zijn opstanding is een pand voor hen, een zeker pand. De opstanding van Christus is de enige zekerheid, die wij hebben voor onze opstanding van ons vlees. Ook al weten wij dat Henoch en Elia zonder sterven met lichaam en ziel tegelijk naar de hemel gevaren zijn, ook al weten wij van opwekkingen van doden uit het Oude en uit het nieuwe Testament — die wij van harte en gaarne geloven — dan is toch Christus' opstanding onze enige, maar ook betrouwbare garantie voor onze opstanding. Zijn opstanding is ons het pand van onze opstanding. Hoe zou het hoofd wel kunnen opstaan en de leden niet?

Jawel, zo zegt iemand, maar Christus" li. chaam is reeds na drie dagen opgestaan, toen Zijn lichaam, uitgenomen de wonden en het leeggebloed zijn, nog geen enkele verderving gezien heeft. Dat dat lichaam herleefde, dat is dan verstaanbaar, al had ook het wonder van de levendwording plaats. Maar wij: hoe lang zullen wij in de grafkuil wonen? En zal niet ons lichaam tot ontbinding overgaan? Als dan alles tot zijn stof zal zijn wedergekeerd, zal dat stof dan nochtans leven? Of moeten wij de toevlucht nemen met de oude Ethischen tot het opstaan in een geestelijk lichaam? Neen. Jezus' opstanding is ons een pand, een zeker pand van onze opstanding. Een pand is een waardestuk. Tegen dat hoogwaardig pand van het opgestane lichaam van die dierbare Borg, de Heere Jezus, kunnen wij niet anders verwachten, dan een zekere, maar ook waardevolle opstanding. Ezechiël 37 geeft ons een beeld, hoe die opstanding kan zijn en zijn zal. Sloeg dat visioen op de wederoprichting van Israël als volk, zo zal ook d< j opwekking zijn van het volk Gods. David geloofde dat en zong ervan: Daarom zal mijn stof in de grafkuil rusten in hope.

't Zal een zalige opstanding zijn: een lichaam tot eeuwige dienst Gods bestand en bereid, 't Zal een zalige opstanding zijn: een lichaam zonder smet en zonder rimpel, een lichaam aan het volmaakt en heerlijk lichaam van Christus gelijk. En dat om eeuwig te leven. En dat om eeuwig zonder ziekte, zonder pijn altijd met de Heere te zijn. Alleen: deze hoop kan men alleen hebben zo men door de opstanding van Christus gerechtvaardigd is, zo men door Zijn opstanding ook geheiligd werd tot een nieuw leven. Anders wacht allen, die deze hope niet hebben ook een opstanding, maar naar het woord van God tot eeuwig afgrijzen.

S.

W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 5 April 1975

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Het nut van Christus' opstanding

Bekijk de hele uitgave van Saturday 5 April 1975

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken