Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Terwij Hij te vinden is

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Terwij Hij te vinden is

11 minuten leestijd

Zoekt den HEERE terwijl Hy te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtigde man zijn gedachten, en hij békere zich tot den HEERE, zo zal Hij zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. Jesaja 55 : 6 en 7.

Zoeken en roepen , ,

Bekend is het hoofdstuk, waarin Christus verslagenen roept tot het heil: o alle gij dorstigen, komt tot de wateren. Bekend is ook de tekst: Zoekt de HEERE, terwijl Hij te vinden is... Al de woorden van deze tekstverzen zijn zo welbekend, als het klokgelui van de Evangeliekerk. Zij roepen maar. Door de eeuwen heen. En de eeuwigheid zal openbaren, hoe velen aan deze roepstem gehoor gegeven zullen hebben. Velen zullen door de bekendheid en de gewenning aan dit steeds gehoorde geluid er geen gehoor aan geven, anderen zullen bij het horen van dit woord tot zichzelf en tot de HEERE gebracht zijn. Van dit woord geldt wel bijzonder: „Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, zal niet ledig tot Mij wederkeren." Dit woord is op de lippen van profeten geweest, ook van Christus Zelf geweest, op de lippen van predikers, van wie zal zeggen hoe velen.

Het is een bijzonder diep woord. Het is een bijzonder mild woord. Het is ook een heel ernstig woord.

Als wij de HEERE zoeken moeten, dan zegt dat, dat wij Hem kwijt zijn. Dat was zo met het Israël uit Jesaja's dagen, toen het volk leefde in de afgang van zijn nationale en kerkelijke leven. Israël had zijn God verlaten en had de dienst van God smadelijk terzijde gesteld, ondanks veelmaals herhaalde vermaningen van grote profeten. Dat God juist toen zulke grote mannen zond als profeten, bewijst dat het God hoge ernst was om van Zijn volk gediend te worden. God wil zo gaarne Zijn volk bij Zich hebben en Hij wil zo gaarne van harte door Israël gediend zijn. Maar Israël wilde niet horen, wilde Hem niet dienen. Toen is de ballingschap gekomen, waarin Israël nog niet tot inkeer kwam. Zonder God leefde het, zonder God bleef het leven. — Is dit niet veelszins ook met ons het geval? Met ons en met ons volk? God verlaten. Dat is al zo krachtens onze val in Adam: God verlaten. En hoe bewust wij in dat verlaten ook waren, wij leven zo zorgeloos, dat wij daar niet eens erg in hebben, dat wij zonder God in de wereld zijn, vervreemd van het leven Gods. Nu is die trouwe God zo goed om mensen, die Hem verlaten hebben, die zonder Hem leven, na te lopen en te nodigen: „Zoekt den HEERE, roept Hem aan." Als men iets waardevols verloren heeft, of erger nog, weggeworpen heeft, dan kan men dat niet altijd terugvinden. Daar kan zoveel tijd over heen gegaan zijn, dat men dat verloren heeft, of weggeworpen heeft, dat men met geen mogelijkheid zich meer kan herinneren, waar en wanneer men dat verlies leed.

Nu roept de verworpen God zelf de verliezer toe: Zoekt. God is dus te zoeken. Men kan dat doen zolang men in dit leven is en zolang men onder de genade is en zolang men onder de genademiddelen is. Zolang God zegt: „Zoekt", zolang is Hij te zoeken. Zolang God zegt: „Roept Hem aan", zolang kan men Hem aanroepen. Maar dat moet dan ook gedaan worden. Men zal Hem moeten zoeken, met inspanning van alle krachten. Men zal Hem moeten aanroepen met al zijn macht. Zonder zoeken vindt niemand Hem, al staat er dan een keer in de bijbel: „Ik ben gevonden van degenen, die naar Mij niet zochten."

Wij zullen Hem ook nooit zoeken, als Hij ons niet raadt: zoekt. Zo is het ook met het bidden: Zonder bidden komt niemand er, al staat er in de bijbel: „Tot degenen, die naar Mijn naam niet genoemd zijn, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik!"

Daar moet gezocht, daar moet gebeden worden. Waar? Waar Hij nabij is, waar Hij te vinden is! En dat is niet altijd. Als. Hij de genademiddelen verschaft: de kerk, het Woord, de prediking, de sacramenten. Daar is de HEERE te vinden. In de heilige kerkedienst, in de lezing van het Woord, in het bidvertrek. Daar is de HEERE nabij, daar is de HEERE te vinden.

Men moet dan zoeken „terwijl" Hij te vinden is, men moet Hem aanbidden „terwijl" Hij nabij is. Als de kerkedienst voorbij is, het bijbellezen voorbij is, als de bidstond voorbij is, dan is Hij maar weer voorbij. En wee u, zo gij Hem dan daar niet gezocht en aangeroepen hebt. Dan is het maar weer voorbij! Dan is Hij maar weer voorbij. Dat kan één keer zo gaan, dat kan herhaalde malen zo gaan, maar daar komt een einde aan. En dan komt eens de tijd, dat men zal zoeken in te gaan en dat men niet zal kunnen. Dat men zal roepen en dat er geen stem en geen antwoorder meer zal zijn. Dan kan God de kerk, de kerkedienst, het Woord en de plaats voor het gebed wegnemen. En dan hebt ge uw tijd gehad, de genadetijd is dan voorbij. En dan zult ge weten: Te laat, te laat, voor eeuwig te laat.

Verlaten en zich bekeren

Dat zoeken en roepen houdt nogal wat in. Niet minder dan een algehele bekering. Het zoeken van de HEERE brengt nog al wat mee, namelijk het zich geheel tot Hem wenden, met achterlating van alles, wat van God en van Jezus heeft afgetrokken. Wij zijn door ons verlaten van God geworden goddelozen, mensen zonder God. Wij hebben daardoor de weg verlaten en zijn op eigen wegen gekomen. Nu wordt dus van ons gevraagd, onze wegen, die wij zijn ingeslagen, te verlaten. De bijbel noemt de mens een goddeloze, een mens zonder God. Dan kam men nog wel tamelijk ordentelijk leven, maar toch een leven zonder God, al zou het nog zo deugdzaam zijn, is een goddeloos leven. Laat staan, als zonder God geleefd wordt in allerlei ondeugd.

Hoe dan ook: het zoeken naar God vraagt van ons een verlaten van onze weg, om zo de wegen des HEEREN te kunnen verkiezen, om zo de wegen des HEEREN te kunnen inslaan. Een weg zonder God, een goddeloze weg is altijd een heilloze weg. Daarom verlaten. Al waren het zelfs deugdzame wegen, al waren het zelfs godsdienstige wegen. Want deugden zonder God zijn ondeugden, blinkende zonden; godsdienstigheden zonder God, tegen God en Zijn wet in, tegen God en Zijn dienst in, zijn verfoeielijke zonden.

De ongerechtige man verlate zijn gedach-

ten. Alle leven zonder Gods geboden, alle leven zonder Gods Woord is ongerechtigheid. Daar zit het recht Gods. daar zitten de rechten Gods niet in. Aan zo'n leven kan men intussen een heel gedachtenleven wijden. achter een leven zonder God zit niet alleen een stelsel van daden, maar ook een stelsel van gedachten. Nu moet een mens, die naar God gaat zoeken. God gaat aanroepen, ook zijn gedachtenleven grondig wijzigen. Hij moet zijn gedachten verlaten, zijn gedachtengang verlaten en hij moet met God mee gaan denken, zijn verstand gevangen geven tot de gehoorzaamheid van Christus. Dan gaan wij met Gods regels, met Gods wetten meedenken, dan gaan wij met Gods Woord meedenken. En dat is de grote wijsheid. Met God, de Alwijze, meedenken. Met de gedachten wordt het leven gereguleerd, wordt onze levenshouding geregeld. En als het gedachtenleven geordend wordt, dan volgt vanzelf het leven.

Zo staat daar dan: „En hij bekere zich tot den HEERE."

Zie, dat is het grote punt van de bekering. Het is kostelijk, als iemand zijn weg verlaat. Het is nog kostelijker, als hij ook zijn gedachten verlaat, maar dat is alles nog maar negatief. Daar moet een bekering tot de HEERE op volgen. Wij zijn God kwijt geraakt door de zonde, maar wij moeten met het zoeken van de HEERE en met het aanroepen (let wel: aan-róépen!) God terug krijgen als onze God. Daarom zit er zoveel ernst achter dat zoeken. Daarom zit er zoveel kracht achter dat zoeken. Dat rust niet voor men met God in een verbond gekomen is. Voordat men met God verzoend en verenigd is. Dat wil zeggen, dat men in Christus is en dat men in Hem schuldvergeving ontvangen heeft.

De bekering tot de HEERE is niet minder dan dit, dat men door de Heilige Geest bezegeld wordt in de beloften Gods. „Zo vele beloften als daar zijn, die zijn in Christus Jezus ja en amen, Gode tot heerlijkheid." Tot de HEERE zich bekeren betekent tot God komen en met een drieënig God verzoend worden. Als de Heilige Geest ons heiligt en leidt in alle waarheid, als Christus onze schuldovernemende en betalende Borg is, dan is God onze Vader. Dan hebben wij ons tot God bekeerd.

Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond; Haast wendt het zich tot God met hart [en mond;

En, waar men ooit de wildste volken vond, Zal God ontvangen Aanbidding, eer en dankb're lofgezangen. Want Hij regeert En zal Zijn almacht tonen; Hij heerst, zo ver de blindste heid'nen Tot Hem bekeerd. [wonen,

Ontfermen en vergeven

„Zo zal Hij Zich zijner ontfermen — en tot onzen God — want Hij vergeeft menigvuldiglijk."

Zodra iemand zich tot de HEERE bekeert — al was hij dan een goddeloze, al was hij dan een ongerechtige — dan zal God Zich over hem ontfermen. Wondere zaak: zich ontfermen over, zich het lot aantrekken v van, medelijden hebben met, barmhartig zijn over... mensen die God verlieten, die zonder God. tegen God in leefden, goddelozen en ongerechtigen. Wondere zaak: God heeft medelijden met mensen die ongerechtig waren, die alles tegen het rechte indeden. Als alles grondig bedorven werd en er aan hen niets goed meer was, dan ontfermt God Zich over zulken. Al was het tot de dood toe. Hij is de God, Die het verdorvene vernieuwt. Die het kranke heelt, Die het verstorvene levend maakt. Hij heeft medelijden over bedreven kwaad, over bekomen gebrek en ellende, over zonden die zij niet meer herstellen kunnen. Hij trekt Zich hen en hun droevig lot aan. Dat is ontferming. Die geschiedt altijd over schuldigen, over ellendigen. En dan staat daar ineens tussen: ...en tot onze God... De ontferming op de bekering maakt Hem tot ónze God. De God van Israël, Die Zich eindeloos over Zijn volk ontfermt.

Dat is het onbegrijpelijke, wat alleen maar bij God is, het Goddelijke. Dat zijn die hogere gedachten van God. Dat zijn die hogere wegen van God. Hoger, hoger, oneindig hoger dan ons denken en ons gaan. Zoals de sneeuw en de regen alleen maar nederdaalt van de hemel .en nooit teruggaat. De hemel biedt alles aan de aarde en de aarde heeft niets te bieden aan de hemel. Zo komt alles van God en niets van de zondaar. En wat doet de regen en de sneeuw? Die doorvochtigt de aarde, maakt haat vruchtbaar, doet haar uitspruiten en geeft zaad niet alleen om te eten, maar eerst om te zaaien en dan om te eten, zodat het zaaisel voor verre toekomst zorgt. Veel meer dan een eter vandaag aankan. Zo zorgt God voor mensen, zondige mensen, verlaters. En zoals de regen en de sneeuw is. is ook Gods Woord. Dat komt alleen maar van de hemel, in eis en beloften, in ontferming en vergeving. Het Woord doorvochtigt de aarde. En het komt waarlijk niet ledig weer, integendeel, met voorspoedig rijke oogst. Ja, dan zegt de tekst op zulke ontfermingen: ...een zondaar mag zoeken, mag aanroepen, mag zich bekeren tot de HEERE, die dan is: ónze God.

Dat is de God van Israël. Dat is de God van Zijn volk. Dat is God in Christus, door de Heilige Geest.

Onze God! Mijn God, ook mijn God. En Hij vergeeft menigvuldiglijk.

In de Hebreeuwse' tekst staat: Hij vermeerdert met vergeven. Vermeerdert Zijn volk de overtredingen, zo vermeerdert de HEERE de schuldvergeving. Daar is Hij mild in. Mild, Hij doet dat zo graag. Mild, Hij doet dat zo veelvuldig. Als Petrus geneigd is zevenmaal te vergeven, dan vraagt de Heere Jezus dit zeventig maal zeven maal te doen. Ik vertaalde zo juist: Hij vermeerdert te vergeven. Juister is misschien: Hij vermenigvuldigt te vergeven. Daar kunt ge dus zelfs met uw dagelijkse zonden en met uw dagelijkse afmakingen terecht.

Welnu dan: met wat voor dringende redenen beweegt de HEERE dus om Hem te zoeken, om tot Hem te roepen. Daar zit zo veel, zo heel veel, zo alles aan vast. Waar Hij nodigt te zoeken, daar is Hij nabij. Waar Hij nodigt Hem te aanbidden, daar is Hij nabij. Waar Hij nodigt tot bekering, daar raakt ge de zonde en zelfs de zondige gedachten kwijt en daar vindt ge ontferming en vergeving, veel vergeving.

S. W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 oktober 1975

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Terwij Hij te vinden is

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 oktober 1975

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken