Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De legeringen Joraëls

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De legeringen Joraëls

12 minuten leestijd

Naar de mond des HEEREN legerden zy zich, en naar de mond des HEEREN verreisden zij; zij namen de wacht des HEEREN waar, naar de mond des HEEREN, door de hand van Mozes. Numeri 9 : 23.

De wolk-en vuurkolom

Nadat Exodus de uittocht van de kinderen Israëls beschreven heeft, verhaalt Numeri ons de telling van de kinderen Israëls, de rangschikking van de stammen en de tochten door de woestijn. Wij hebben hier dus veel met de ordeningen en verordeningen te doen. Mede door de vele namen en getallen is het een zeer schoon boek, dat het beeld vormt van de reis van het volk van God naar het Kanaan der eeuwige rust. Zo büjft dit boek door de hele bijbel heen spelen en zijn zijn geschiedenissen geliefd bij de gemeente des HEEREN van alle eeuwen. Men vindt daar zichzelf, zijn leven en de leidingen Gods met zijn leven in terug.

Het gaat dan vooreerst om die wolk en om dat vuur. Dat is iets zeer bijzonders. Bij ons en overal ter wereld is er niets veranderlijker dan de wolken. De wolkenhemel is een groot wonder van zegeningen en van schoonheid. De wolken kunnen ook een wonder van oordeel zijn: denk maar aan de grote vloed, de zondvloed, aan de hagel-en stortregens bij stormen, denk maar aan de wolken in het eindoordeel, waarop Jezus wederkomt. De wolkenhemel staat nooit stil, zij verandert van ogenbük tot ogenblik. Met deze wolk was het wat bijzonders. Die bleef! Zelfs in de zinderende hitte van die woestijn, waarin elke wolk terstond verdampte, bleef deze wolk 39 jaar lang lang.

Als een wolkkolom en als een vuurkolom stond die boven de tabernakel. Daar zullen ook wel woestijnstormen geweest zijn en onweders als op Sinaï, maar die wolk bleef maar staan boven het heiligdom. Totdat die verreisde. — Dat was een wonderwolk. — Rondom God zijn wolken en donkerheid. De HEERE bekleedt Zich met wolken en donkerheid. Niemand kan de heilige God zien en leven. En Hij Die de wolken hun weg en baan leidt, kan ook de wolken doen stilstaan door storm en ontij heen. Hij Die van de wolken Zijn wagenen maakt, kan er ook Zijn zetel van maken. In deze wolk woonde de HEERE!

Deze wolk heeft daar zo'n veertig jaar gestaan en is met de kinderen Israëls meegereisd. Dit geschiedde namelijk in het tweede jaar van de woestijnreis, dat de tabernakel gebouwd was en God daarin Zijn intrek nam. Een andere plaats zegt, dat God Zijn wolk uitbreidde over Zijn scharen, zodat zij in die hete woestijn als onder de schaduw Zijner vleugelen mochten wonen. God woonde boven het binnenste heiligdom, boven de ark, die met het verzoendeksel op Christus zag. In Christus en dus uit genade woonde God onder Zijn volk Israël. Dit volk was een volk van zondaren, van hun hoogste tot hun laagste. Mozes was veertig jaar oud toen hij de goede keuze deed en was ook daarna een zondig mens. Lees zijn negentigste Psalm: „Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns." „En wij vergaan door Uwe toorn." Zo was het ook met Aaron, de grote hogepriester. Hij was de man, die verantwoordelijk was voor het maken van het gouden kalf en het inwijdingsfeest. En wat is het volk opstandig geweest, keer op keer. De HEERE moest er maar van zeggen: „Veertig jaar heb Ik verdriet gehad van dit volk. Het is een volk, dwalende van hart en zij kennen Mijn wegen niet."

En woonde God bij dit volk? Ja, dag en nacht. Want des nachts lichtte de wolk, zodat gans Israël tot aan de uiteinden van de tentenkampen dat vuur kon zien, tot ver in het rond. Dat was het tweede wonder: een wolk, die licht gaf. Geen wonder, als wij bedenken dat de eeuwige God, Die een licht is, een eeuwige gloed, bij Wie niemand wonen kan, daarin woonde. Zoals op de berg der verheerlijking Jezus zeer blinkende werd. Zijn aangezicht blonk als de zon. Zo was nu ook de vuurkolom in de nacht, tot aan de morgen altijd blinkende, het bewijs van Gods tegenwoordigheid over Zijn volk, in Christus. Dit moet ook wel tegelijk een schrik voor wild woestijngedierte geweest zijn en voor woestijnrovers en voor vijandige woestijnstammen als de Midianieten. En ook nacht en dag moest die zichtbare tegenwoordigheid een schrik voor de zonde zijn en al het volk heiligen! En toch integendeel: het volk zondigde menig-, menigmalen. Ik las dat de wolk-en vuurkolom niet alleen de tegenwoordigheid van God was en de tegenwoordigheid van Christus op het verzoendeksel, maar ook van de Heilige Geest. De Geest Gods was ook in die wolk en in dat vuur. Ik las dat in die leiding van de wolkkolom vervat was: „Zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, wandelen door de Geest, die zijn kinderen Gods." En dat is waar.

Zo was dus de drieënige God met het volk Gods, met Israël in de woestijn. Kostelijk! Zo reist nu ook Gods volk met een drieenig God door dit leven, nog heden, naar het Kanaan der eeuwige rust. Die wolkkolom, die vuurkolom, is nog bij Gods kerk. In Christus. Door de Heilige Geest. Hij is onze wolkkolom. Hij is onze vuurkolom bij nacht. Wat is Gods volk toch veilig. En Hij wordt ook gezien door hen. Door het geloof. Hier is onze wolkkolom, hier is onze vuurkolom bij nacht: in het Woord, in de heilige sacramenten, in Zijn heilige dienst, in het gebed, in de gemeenschap der heiligen. Daar vindt u de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

De legeringen Israëls

„Naar de mond des HEEREN legerden zij zich, zij namen de wacht des HEEREN waar, naar de mond des HEEREN, door de hand van Mozes. x

Zien wij nu eens rond in die legeringen. De stammen waren niet vrij te wonen waar zij wilden. De stammen woonden niet door elkander henen, naar het hun-goeddacht. Stam bij stam moesten zij wonen. De HEERE is een God van orde.

Ook in de hemel is orde en zijn rangorden onder de engelen: de aartsengelen en gewone engelen, cherubs en serafs, zwaardengelen en zangengelen. In de hemel zullen de mensen ook geslacht aan geslacht voor God staan en dan de kleinen voor de groten. Zo zijn er ook onder de stammen groten en kleinen, voorname en minder voorname.

Juda de eerste. Dan de laatste. Benjamin de kleinste. Bij God is geen gelijkheid. Vrijheid, gelijkheid en broederschap is een drogrede. Vrijheid is er alleen in gebondenheid aan Gods wil en gebod. Gelijkheid is er nergens: de een woont vooraan in een stam, de andere achteraan; de ene stam woont voor de tabernakel — Juda, de ander woont er achter. In de tochten hadden zij ook weer dezelfde volgorde. Daar waren de vaders van de gezinnen boven de kinderen en boven de vaders weer de grootvaders. Daarboven stonden de oudsten en daarboven de legeroversten met Nahesson aan het hoofd. En daarboven stonden Mozes en Aaron, als het burgerlijke hoofd en de ander als het kerkelijk hoofd. En daarboven stond God. Alles had zo zijn vaste plaats en was ook eerbied verschuldigd aan die boven hem stond. Elke opstand werd gestraft, denk aan de melaatsheid van Mirjam over haar opstand tegen Mozes. Opstand tegen God, vloeken van God, werd met de dood gestraft.

Zij nu mochten gelegerd liggen rond de tabernakel. De een mocht dan voor de ingang van de tabernakel liggen, Juda, de ander lag er achter. Maar die er achter lag, was het dichtst bij de ark, die van Gods gunst getuigt. Zo worden de kleinen in de genade vaak het dichtst bij God en Zijn heil gehaald. ..Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden."

Men kon echter ook buiten de legerplaats terecht komen. Ieder woonde dus rondom het heiligdom — en God in het midden. Zo hoort het. De kerk hoort het middelpunt van het leven te zijn. Daar' hoort men van uit en naar toe te leven. Hij kan God niet tot zijn Vader hebben, die de kerk niet tot zijn moeder heeft. Men leest ook in Israël niet van meer kerken — maar één kerk. Nu kon uiteraard overdag het volk met het vee de weiden der woestijn zoeken. Dat was geoorloofd. Men kon buiten het leger ten strijde trekken. Maar men kon ook door onreinheid of door zonde buiten het leger komen. Een vloeker of doodslager werd buiten het leger gestenigd.

Intussen, wat woonde Israël daar onder de rook der genade liefelijk. Daar ging zo'n zegenende, zo'n genadige invloed uit van de HEERE, van dat heiligdom. Voor diegenen, die voor Gods Woord beefden. Voor diegenen, die voor Gods wet beefden, die zij hadden horen afkondigen met Gods eigen stem van de berg. Voor diegenen, die voor Gods tegenwoordigheid in die eigenaardige wolk, voor Zijn tegenwoordigheid in dat heilige vuur beefden. Zij wisten toch, dat die stenen tafelen daar binnen met Gods eigen vinger geschreven waren. Welnu, voor die levende mensen was daar dat verzoendeksel, met dat bloed, dat op Christus zag. En dat gaf hun een stille en diepe vrede. Hoe goed is het toch om nabij God te zijn. w

Bij U, mijn Koning en mijn God, Verwacht mijn ziel een heilrijk lot; Geduchte HEER' der legerscharen! Welzalig hij, die bij U woont, Gestaag U prijst en eerbied toont. o e g

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort, Elk hunner zal in 't zalig oord n Van Sion haast voor God verschijnen. Let. HEER' der legerscharen let. Op mijn ootmoedig smeekgebed. Ai, laat mij niet van druk verkwijnen; Leen mij een toegenegen oor, O Jacobs God. geef mij gehoor.

De reizen Israëls

„Naar de mond des HEEREN verreisden zij — zij namen de wacht des HEEREN waar." Waar de wolk stil hield, legerden zij zich, waar de wolk vertrok braken zij op en volgden. Dat staat daar zo eenvoudig, maar let eens op het verband. Als de wolk bleef — al duurde het nog zo lang, dan namen zij Zijn wacht waar, dat wil zeggen: dan wachtten zij maar stil af, maar wachten, dat is een werk van elke dag. Altijd op de wolk letten. En het duurde vaak vele dagen. Soms wel een jaar. En dan maar in zo'n woestijn verkeren! En dan moet men reizen naar een land vloeiende van melk en honing. Die mensen wilden verder, naar huis, naar het vaderland, het land van Abraham, Isaac en Jacob. Naar een belóófd land! En dan een jaar wachten. Op één plaats wel acht jaar wachten.

Het kwam ook voor, dat zij na één dag weer moesten opbreken. Hadden zij net de tabernakel en hun tenten gezet, en dan moesten zij de volgende dag weer afbreken en verder trekken. Het kwam ook voor, dat zij des nachts moesten opbreken en voorttrekken. De wacht waarnemen. Op Gods tijd en op Gods sein wachten, wat is dat moeilijk. En dan moest men zo'n heimwee naar dat land hebben, vloeiende van melk en honing. En dan moest men zo'n pelgrim, door de woestijnen heen, zijn.

Gaat het zo niet in het geestelijke leven? Wat kan een christen soms lang op een bepaalde legering moeten blijven, dat er maar geen vooruitgang is in het geestelijk leven, dat men maar niet vooruit komt. Weken — maanden — jaren. Zie dan maar op die wolk. Laat Hem de leiding maar hebben. De reis naar de hemel is een levensreis — vraagt veertig jaar. Bovendien in elke legerplaats is iets te leren. Leest daar Numeri 33 maar op na. Daar moet Israël leren eigen zonden, Nmurmureren, opstand, tegenstand, ontevredenheid, kleingeloof, gebrek aan moed. Daar zijn legerplaatsen, waar ge onder de kastijding Gods door moet, waar plagen en verliezen uw deel zijn, waar u nederlagen moet lijden op de vijand. En wat gaat God vaak een omwegen. Houdt op die wolk maar het oog. Al gaat het voor uw besef achteruit, dat ge verder van huis zijt dan ooit, als Hij maar leidt, dan gaat het wel goed. Moet ge veel strijd door — hier Farao — daar Amalek — daar Edom — woudt ge dan zonder strijd overwinnaar zijn?

Maar in dit alles, neemt Zijn wacht waar. En dan die ark. De wolk rust op Christus' verdienste. Met zondige mensen gaat God op weg, om ze uit vrije gunst onder leiding van Zijn Geest te brengen in het land der rust. Die rust zal hier niet zijn. Al biedt een legering wat rust, het is toch het doel niet, het is het thuis niet. Een aangenaam verblijf, al was het een Elim, is toch het vaderland niet. Het moet verder, reizen. En let ook op Mozes' hand!! De Middelaar van het Oude Verbond is het type van de Middelaar van het Nieuwe Verbond. Die hand, onder de wolk, onder de vuurkolom, die zal er u brengen. Het gaat zonder de middelen niet.

Tenslotte, ik zou niet getrouw zijn, als ik u niet wees op de velen, die wel zijn meegegaan, uitgegaan, meegegaan, maar niet ingegaan. Zij hebben niet kunnen ingaan vanwege hun ongeloof. Er zijn er gestorven, die het land wel hebben gezien, maar het niet hebben betreden: Mozes en Aaron. Zij hebben het gezien en zullen boven worden gevonden. Maar er zijn er ook, die het niet hebben betreden vanwege hun oproerigheid, vanwege hun ongelovigheid. Men zie toch wel toe, alleen de wolkkolom brengt er u en daarin woont de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. En alleen kinderen zijn erfgenamen.

S.

W. L. T.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 november 1975

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De legeringen Joraëls

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 november 1975

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken