Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Moederbelofte

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Moederbelofte

11 minuten leestijd

En lk zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad. Datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen. Genesis 3 : 15.

Tweeërlei vijandschap

Genesis 3 : 15 is de eerste boodschap des heils na de zondeval. En zij is merkwaardigerwijs gesproken tot de duivel in de gedaante van de slang. Het is de eerste heilsaankondiging van de bijbel. Het is ook de eerste lijdensaankondiging, waarin de.strijd van Christus met satan wordt voorzegd, waarin tevens de overwinning van de Heere Jezus wordt aangekondigd. Direct na de zondeval heeft God dus het heil al bekend gemaakt voor de oren van onze beide voorouders, Eva en Adam, die beiden gezondigd hadden. Wat een genade, wat een genade. Noemt dat terstond en voor het eerst vrije genade, want hiernaar heeft Adam niet gevraagd, hiernaar heeft Eva niet gevraagd en zeker ook de satan niet.

Noemt dit aanstonds en voor het eerst vrije genade, want hieraan ging noch bij Adam, noch bij Eva een schuldbelijdenis of een schulderkentenis vooraf. Deze genadige boodschap kwam van God en van God alleen. — Ik las bij een schrijver, dat de aanhaling uit Hebreën 10 : 7 „In de rol des boeks is van Mij geschreven", zoals er staat in Psalm 40 : 8, wat in Hebreën 10 : 7 vrij aangehaald wordt: Toen sprak ik: ie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen o God!" slaan zou op het begin van het boek des bijbels! Ik meende altijd dat met de rol des boeks uit Psalm 40, het boek van Gods eeuwig raadsbesluit bedoeld was. In Hebreën 10 lijkt het er inderdaad op dat daarmede het begin van de Heilige Schrift bedoeld zou zijn. Ik weet dat niet goed. Denkt u daar zelf maar eens over na. Beide is mogelijk. Beide zal het wel waar zijn.

In elk geval hebben onze eerste voorouders en ook de oudste mensen tot aan de zondvloed het met dit eerste Evangelie, het zogenaamde Proto-evangelie, moeten doen. Zij hebben het er ook mee kunnen doen, want deze Moederbelofte is niet alleen gedaan aan de Moeder aller levenden, Eva, .maar zij is ook de moeder geweest van alle beloften, waaruit al de beloften, die op Christus zien zouden, voortgekomen zijn. Hierin ligt heel de geschiedenis van Christus, van Zijn kribbe tot Zijn kruis, hierin ligt ook heel de heilsgeschiedenis van Christus' kerk.

En boven alles staat de God van alle genade: „Ik zal vijandschap zetten tussen ü en tussen deze vrouw." Zijdelings wijst de HEERE dus Eva aan, als Hij tot de satan spreekt. De HEERE zet dus vijandschap. Dat wil niet zeggen, dat de HEERE de Maker van de vijandschap is, want de satan is begonnen met van God af te vallen, mede nemende een schare van engelen, die met hem afvielen. God maakte de opstand niet tegen Zijn engelen, hoe zou Hij, Hij heeft ze goed, recht en schoon geschapen. In zijn val sleepte de satan een school van engelen mee en toen ook de mens, het mensenpaar, dat het hele aardrijk tot zijn bezit gekregen had. Zo was dan een gedeelte der engelen gevallen en tot duivelen geworden en zo waren dan ook de beide mensen gevallen. En als nu de HEERE zegt: „Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw", dan is het geen kwade vijandschap die God zet, maar juist goede tegenweer tegen des satans vijandschap, goede vijandschap tegen des satans boze vijandschap. God doet nooit iets kwaads. God doet enkel goed. God doet altijd goed.

Wat een zegen, dat de HEERE de boze, de bozen het kwaad, de zonde te keer gaat. De vijandschap, die de HEERE stelt tegen hun vijandschap, is een vijandschap tegen het kwaad, dat is een reddende, een behoudende vijandschap. Dat zal Hij doen Zelf: Hij zet die vijandschap. Hij wekt die goede tegenstand op, Hij verwekt die uit deze vrouw in Hem, Die eens uit haar geslacht zal voortkomen, de Christus Gods. En God houdt die tegenstand tegen het kwade in stand door de geslachten van die vrouw heen, door de eeuwen heen. Eerst in Eva zelf, waarin de Heere Zijn genade werkt, waarin Hij Zijn genade verheerlijkt. Vergeet u dat maar niet, dat Eva een begenadigde vrouw geworden is en dat ook haar man, Adam, een begenadigde man geworden is. Zij hebben n& hun val in de zonde geleerd tegenstand te bieden. Zij zijn veranderde mensen geworden. Zij zijn gelovige mensen geworden. Dat zijn toch door genade worstelaars geworden, worstelaars tegen de zonde, worstelaars tegen de duivel. En gelooft het vrij, dat de satan het bij deze eerste aanval tegen Adam en Eva niet gelaten heeft. Denkt u maar aan hun godzalige zoon Abel, die dan toch buiten dit verloren Paradijs maar door hun andere zoon, Kaïn, gedood werd. Daar ziet u de Godsvrucht, het geloof, waarin Abel was opgevoed en in datzelfde gezin, ondanks een gelovige opvoeding van Adam en Eva in Kaïn de tegenstand, de vijandschap, die zelfs aan het altaar — want ook Kaïn offerde, als de eerste zelfs — openbaar werd. Zo hebt ge dan tegenstand, goede tegenstand tegen tegenstand, kwade tegenstand: vijandschap, goede vijandschap tegen vijandschap, kwade vijandschap.

Ik zal vijandschap zetten!

Tweeërlei zaad

„Tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad." Dat was dan satan tegenover Eva — en dat was kwaad —, maar dat wérd ook Eva tegenover satan — en dat was goed! De kwade strijd was begonnen, maar Gode zij dank, nu is ook de goede strijd begonnen. Ik zal die zetten, spreekt de HEERE. Aan Eva is de belofte gegeven van een vroom zaad, dat tegenover de satan zou staan, aan haar is ook de belofte gegeven van de Christus, Die ook tegenover de satan zou staan. Ik ga nu al dat zaad van Eva, dat vrome zaad, maar even voorbij, ik ga ook even voorbij dat kwade zaad, de volgelingen van de satan, Kaïn en zijn hele geslacht, en ik spoed mij naar de Zaligmaker. Die zou ook uit Eva geboren worden. Wanneer — dat heeft God in het Paradijs niet gezegd! Het zou veertig eeuwen duren, voordat deze belofte vervuld zou worden. Gods woorden zijn duurzame woorden. Gods beloften zijn beloften, die houdbaar zijn, waarop men leven kan, waarop men sterven kan, waarop men zalig wor-

den kan. Het zijn ook woorden, het zijn ook beloften, die zeker vervuld zullen worden. Daar valt van die alle niet één woord ter aarde! De Zaligmaker zou komen en Hij is gekomen.

Wat wonder, dat God reeds in het Paradijs spreekt van Hem als van het zaad der vrouw. Deze vrouw. Haar zaad. Christus was naar Galaten 4 : 4 geworden uit een vrouw. Het is alsof reeds op deze eerste bladzijde van de bijbel de lijn getrokken wordt naar de maagdelijke geboorte. Adam wordt hierbij niet genoemd, hoewel hij hierbij stond. Maar ook wat een genadebetoon: e vrouw heeft het eerst gezondigd, aan de vrouw, aan deze vrouw, wordt het eerst het heil in Christus aangekondigd. Eva ontvangt genade in de belofte, die over haar en aan haar wordt toegezegd. Als er ooit één tegenstander voor satan geweest is, dan is het dit haar Zaad, dit heilig Zaad: e Heere Jezus Christus. Hij zal eens zeggen: De overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets."

Neen niets, want Hij zal heilig en onbevlekt ontvangen en geboren worden. Hij zal zonder zonden Zijn jeugd en Zijn leven doorbrengen. „Wie van u overtuigt Mij van zonden? " zo zal Hij vragen. Aan het begin van Zijn optreden zal de satan Hem zoeken te verleiden en Hij zal de satan tegenstaan, wederstaan. Na veertig bange dagen van verzoeking, zal hij van Hem moeten aflaten.

„De overste dezer wereld heeft aan Mij niets." Opdat Christus vóór Zich uit en na Hem een geslacht zal hebben — vrouwenzaad — uit die Moeder aller levenden, uit dat heilig geslacht, dat met Hem en door Hem geheiligd, niet te vergeefs dagelijks zal leren bidden: „Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de Boze." En dan volgt daarachter: „Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid." Daar zal een volk zijn, het heilig zaad van de Moeder aller levenden. Eva, ze mag de Moeder der kerk worden, vóór Christus uit en na Hem, die de goede strijd mag strijden en zal strijden. Dat zal een volk zijn, dat zegt: „Zou ik niet haten, die U haten?

Tot vijanden zijn zij mij!" Ziet daar het geliefden, het geslacht, dat in de eeuwen tussen Eva en Christus en ook van Eva tot het eind der eeuwen vijand is, vijand wordt, van de zonden, vijand van allen die God haten en niet wensen te dienen in alle gerechtigheid, vijand ook van de duivel en al zijn metgezellen.

Tweeërlei zaad! Het is maar het één of het ander. Wij zijn tegenstanders van God en dan zijn wij aanhangers van de satan óf wij zijn tegenstanders van de satan en dan zijn wij aanhangers van God. Dat komt meer en meer openbaar. God stelt dat zo. Christus is tot een oordeel, tot een crisis, tot een scheiding, in de wereld gekomen. Zijn kruis scheidt twee werelden. En aan welke kant staan wij?

Wie ver van U de weelde zoekt, Vergaat eerlang en wordt vervloekt; Gij roeit hen uit, die afhoereren, En U de trotse nek toekeren; Maar 't is mij goed, mijn zaligst lot. Nabij te wezen bij mijn God; 'k Vertrouw op Hem geheel en al, Den HEER', Wiens werk ik roemen zal.

Tweeërlei vermorzeling

Daar is dus vijandschap... die tot vermorzeling leidt. Een eindeloze twist tussen satan en God, tussen satan en Christus, tussen satan en Michaël, ook tussen de wereld en de kerk, tussen ongeloof en geloof. Hemel en hel gaan nooit samen. — Dat geldt dus Christus en Zijn christenen. Satan heeft van Bethlehem af Christus gezocht te doden, van de steilte af zoeken te werpen, aan het kruis zoeken te brengen, in het graf zoeken te houden. Daarvoor gebruikte hij zijn dienaren: Herodes, de overpriesters, Judas, zelfs Petrus, Pilatus, het Joodse volk. Maar satan bracht het niet verder dan het vermorzelen van Zijn verzenen, Zijn hielen, die hij als een slang gebeten heeft. Verraderlijk, altijd van achteren! Satan valt altijd van achteren aan! Daar was aan Jezus geen schuld te vinden. Alle beschuldiging was vals. Nochtans moest Hij vallen. De verzenen werden Hem vermorzeld. Nochtans zou Hij opstaan.

Zo nu handelt satan ook met Gods kinderen, met Gods volk. Die zoekt hij evenals hij hun Heere, Christus, gezocht heeft. Die lopen hem altijd in de weg. Hij beschuldigt hen, waar zij niet van te beschuldigen zijn. Hij is nu eenmaal een lasteraar, een leugenaar van den beginne. Hij bespot hen, tracht nu eenmaal hun Godsdienst bespottelijk te maken. Hij maakt hen verdacht, tracht hun Godsdienst als bedenkelijk, als onkerkelijk, als anti-kerkelijk voor te stellen, hen als dompers, als dwepers, als krankzinnigen, als staatsgevaarlijken, voor te stellen. Zo behandelt hij hen ook. Daar is voor en na geen middel onbeproefd gelaten, om hen de voet dwars te zetten. Hij molesteert hen, hij laat hen geselen en kwalijk behandelen. Gevangenissen, brandstapels, schavotten, leeuwenkuilen, vurige ovens, al zulke dingen stelt hij tegen hen in het werk. Maar geen nood, hoger dan de verzenen komt hij niet! Vreest maar niet hen, die alleen het lichaam kunnen doden! Vreest veel meer hem, als hij lichaam en ziel zal verderven in de hel. Liever door hem belaagd, dan hem behaagd.

Christus nu zal hem overwinnen, heeft hem ook overwonnen, door hem de kop te vermorzelen. Satan had wel de vrouw verleid, maar niet haar Zaad, Jezus. Daarom is hij zo bang van Christus. Hij is vertreden, maar een slang kronkelt nog zo lang na. En nu weet hij, dat zijn tijd voorts kort is. „Zijt gij gekomen om ons te pijnigen voor de tijd", zo schreeuwt hij. Hij weet, dat straks de eeuwige pijn hem wacht.

Aan Jezus heeft hij niets gehad... dan last... dan pijn... dan de dood... dan straks de eeuwige dood. Aan Christus' onderdanen heeft hij ook veel last. Ondanks alle verleiding houdt er één volk vast, omdat het vast gehouden wordt! Ondanks alles groeit de kerk. Hoe meer men ons de voet dwars zet, hoe meer de zaak van de Koning toeneemt. De drukking der melk brengt enkel boter voort. De verdrukking der kerk heeft de kerk altijd doen groeien. Het is een slecht teken voor de kerk, als de wereld haar niet meer haat. Hebt maar goede moed, als de wereld u haat, want zij heeft Hem, Christus, eerder gehaat dan u, reeds van het Paradijs af, en zij zal dat doen tot in het eind der eeuwen. Al feller. Al erger. Maar Christus heeft des satans kop vertreden en Hij zal dat doen straks, als hij met ketenen der eeuwige duisternis gebonden zal zijn. Dan zullen ook al de zondedienaren met hem gebonden worden, en dan zullen uw wonden, die hij en de zijnen u toebrachten, om Christus' wil geheeld worden. Want Zijn naam is Heiland - Heliand - dat is: die het heelt!

S.

W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 maart 1976

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De Moederbelofte

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 maart 1976

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken