Bekijk het origineel

KLEINE KRONIEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KLEINE KRONIEK

10 minuten leestijd

Geref. synode en dr. H. Wiersinga

De gereformeerde synode heeft ongetwijfeld een belangrijk besluit genomen ten aanzien van de „verzoeningsleer" van dr. H. Wiersinga. In het „Centraal Weekblad" gaat prof. dr. K. Runia nog eens op een en ander in:

„Misschien is het goed dat ik even het verloop van de zaak ophaal. In de zitting van juni 1974 nam de synode het eerste besluit inzake dr. Wiersinga's visie op de verzoening. Omdat er zich bepaalde onduidelijkheden in dit besluit voordeden, kwamen er heel wat reacties uit de kerken los. In november 1974 sprak de synode uit: 'Door te ontkennen dat Christus in onze plaats het gericht van God gedragen heeft tast dr. Wiersinga een essentieel bestanddeel aan van de verzoeningsleer van de confessie en doet hij tekort aan de rechte prediking van het evangelie.' Ook werd besloten een schrijven te richten aan dr. Wiersinga.

Op de maart-zitting van 1975 was het antwoord van dr. W. ter tafel, maar de synode was van mening dat het niet zo een-twee-drie afgehandeld kon worden en stelde een nieuw deputaatschap in om op de volgende synode te rapporteren. Dit rapport, samen met de beoordeling van de synodale commissie, lag nu op de tafel van de synode en over de voorstellen in deze rapprten heeft de synode vorige week een besluit genomen." —

In ons blad van vorige week is het synodebesluit in zijn geheel opgenomen. U kunt het daarin nog eens nalezen. Daarin werd duidelijk uitgesproken dat Christus in onze plaats het goddelijk gericht over menselijke schuld heeft gedragen en dat dit een onderdeel is van het belijden van de kerk, een zo belangrijke zaak, dat een tekort doen daaraan en een weerspreken daarvan een ontoelaatbare is, omdat anders de enigheid des geloofs en de eenheid van de kerk in gevaar worden gebracht. De synode verwacht ook van de kerkeraad van Amsterdam, waaronder dr. Wiersinga als studentenpredikant ressorteert, dat hij zal toezien dat dit besluit van de synode ook effectief wordt, zodat dit ontoelaatbare spreken over de verzoening als van dr. Wiersinga wordt tegengegaan. Ik zeg het nu maar met mijn eigen woorden, opdat mijn lezers het duidelijk zullen begrijpen.

Wat is er nu veranderd?

Prof. Runia vraagt nu wat er eigenlijk door deze nieuwe uitspraak is veranderd ten aanzien van de plaats en de positie van dr. Wiersinga en zijn nieuwe verzoeningsleer:

„In de eerste plaats moet gezegd worden dat dogmatisch de uitspraak van november 1974 ten volle gehandhaafd is. Tegelijk is ze ook verduidelijkt. Nadrukkelijk wordt nu gesproken over 'de gruwelijke menselijke boosheid die zich op Golgotha geuit heeft. De menselijke schuld in het gebeuren van Golgotha wordt ten volle serieus genomen: 'de door mensenhanden Gekruisigde'. Maar daar bovenuit wordt ten volle gehandhaafd dat ook dit gebeuren onder de regering van God stond en dat langs deze weg Jezus in onze plaats het goddelijk gericht over de zonde gedragen heeft.

Daarnaast zijn er ook enkele nieuwe elementen. In november 1974 het de synode het bij de uitspraak dat dr. Wiersinga door wat hij ontkende 'tekort deed aan de rechte prediking van het evangelie'. Men zou kunnen zeggen dat het in 1974 bij een objectieve constatering bleef — al moet men het gewicht van zo'n constatering ook niet onderschatten. Het is nogal wat als een synode van een bepaald aspect van iemands theologie zegt dat het tekort doet aan de rechte prediking van het evangelie. Deze keer is de synode echter een stap verder gegaan en heeft verklaard dat 'een tekort doen daaraan en een weespreken daarvan voor haar niet toelaatbaar is'. Het dragen van het goddelijk gericht in onze plaats is een zo wezenlijk bestanddeel van het belijden van de kerk dat een ontkenning ervan of een verzwijgen ervan niet toelaatbaar is. Volle evangelieverkondiging zal ook deze essentiële gedachte bevatten.

Het is treffend dat de synode deze uitspraak gedaan heeft in de lijdenstijd. Gedurende déze periode van het kerkelijk jaar staan we stil bij het mateloos diepe lijden van onze Heiland. Ieder die er over preken moet en mag en ieder dié er naar luistert, weet dat we hier uiteindelijk bij een mysterie staan dat ons begrijpen te boven gaat. Alles wat we ervan zeggen is maar stamelen. Maar door de eeuwen heen heeft de kerk beseft dat het hier ten diepste ging om het dragen van onze schuld en van de toorn Gods over die schuld door de Schuldeloze. Lees het Liedboek er maar op na. Of u oude of nieuwe gezangen neemt, telkens komt u deze grondgedachte tegen.

O allerheiligste, onuitspreeklijk wonder: e Rechter zelf gaat aan het recht ten onder. O wreed geding: ie kan geheel doorgronden de vloek der zonden (177 : 3)." —

Inderdaad, dat is de leer van de Schrift, dat is de leer van de kerk door alle eeuwen heen, wanneer men zich tenminste aan de Schrift conformeerde, dat het verzoenend lijden en sterven van Christus de kern van het evangelie is, van de verkondiging van de rechtvaardigmaking door het geloof alleen, omdat Christus in de plaats van Zijn volk de straf van de eeuwige dood heeft gedragen.

Toch een leertuchtprocedure?

Maar in de gereformeerde kerken heeft men zo lang geaarzeld om een dergelijke uitspraak te doen omdat men bijzonder bang was voor een nieuwe leertuchtprocedure. Er zijn immers rondom de leertucht op bepaalde punten reeds verschillende scheuringen geweest en men vreest door leertucht weer een nieuwe scheuring. Prof. Runia zegt verder:

„Een ander nieuw element is de uitspraak dat 'de synode van de kerkeraad van Amsterdam verwacht dat deze erop toeziet dat zulk een tekort doen daaraan en een weerspreken daarvan niet

plaats vindt, c.q. wordt tegengegaan, gelijk zij dit verwacht van alle andere kerkelijke organen'.

Wat is het gewicht van een dergelijke uitspraak? Zitten we nu toch in een leertuchtprocedure? We willen hier graag enkele opmerkingen over maken, die uiteraard een strikt persoonlijk karakter dragen. We zouden daarbij op de volgende dingen willen wijzen.

In de eerste plaats moet in het oog gehouden worden dat de mogelijkheid van leertucht er van het begin af in gezeten heeft. Dat ligt niet aan de synode. Die is niet over de zaak begonnen, maar deze is door de kerkeraad van Amsterdam op haar tafel gelegd. Maar zelfs dat is niet de diepste oorzaak. Die ligt in het feit dat dr. Wiersinga in zijn proefschrift een heel stuk van het belijden van de kerk afwees.

De eerste fase van het gehele gebeuren bestond uit een onderzoek dat de synode hierover heeft ingesteld via een deputaatschap, dat meer dan 70 uren vergaderd heeft en met dr. Wiersinga gesproken heeft.

De fase van het onderzoek werd gevolgd door de. uitspraken van juni en november 1974. Tegelijk deed de synode in november 1974, via een brief, een zeer dringend appèl op dr. W. Deze heeft in zijn antwoord zijn eigen visie overeind gehouden.

Maar dat betekent dat de synode de zaak verder in behandeling moest nemen. Voor een goede bedeling van de zaak lijkt me dit bijzonder belangrijk. De synode heeft zich in geen enkel opzicht gehaast om een leertuchtprocedure op gang te brengen. Ze heeft haar uiterste best gedaan dr. Wiersinga te overtuigen. Tot dusver echter is hij onverwrikbaar.

Zelfs nu is de synode uiterst voorzichtig te werk gegaan. Ze heeft niet aan de kerkeraad van Amsterdam een opdracht gegeven om dr. Wiersinga 'aan te gakken', maar haar verwachting uitgesproken dat deze kerkeraad er op toe zal zien dat dit essentiële element van het evangelie niet tekortgedaan of weersproken wordt. Ook nu hangt alles van dr. Wiersinga af. Op de synode is vorige week door verschillende sprekers nog een bijzonder sterk appèl op hem gedaan. Met name prof. Verkuyl heeft hem opgeroepen te luisteren naar de stemmen van de broeders en de zusters. Naar ik gehoord heb is dr. Wiersinga in zijn toespraak daar helemaal niet op ingegaan. Deze starre houding van dr. Wiersinga is m.i. hét grote probleem. Voorzover ik weet heeft hij praktisch van geen enkel theoloog in ons midden steun gekregen. Integendeel, van alle kanten is zijn visie bekritiseerd. Is het dan toch echt geen tijd voor zelfbezinning en revisie van eigen opvattingen? Daarmee verliest men zijn gezicht niet, maar het is juist een bewijs dat het werkelijk om de zaak gaat en niet om eigen persoon." —

Het moet wel duidelijk zijn, zo zou ik hieraan toe willen voegen, dat wanneer dr. Wiersinga in zijn opvattingen volhardt, de weg van de leertucht wel tot het einde met hem gegaan moet worden. Men kan nu niet meer-terug.

Justitiële leertucht of judiciële leertucht

De gereformeerde synode heeft een oordeel (een judicium) uitgesproken over de leer van dr. Wiersinga. Dat oordeel is duidelijk. Ze heeft de leer van deze predikant afgewezen. Dit noemt men judiciële leertucht. Op zichzelf is dat natuurlijk maar niet niets. Wanneer een synode een bepaalde opvatting zo duidelijk veroordeelt is dat op zichzelf leertucht. Maar de uiterste konsekwentie moet dan wel zijn dat men zijn verkeerde leer niet langer verbreiden mag. Prof. Runia haalt de opvatting aan van dr. Blei die pas een boekje geschreven heeft „Het laatste woord", waarbij hij zich afvraagt of kerkelijke leeruitspraken het laatste woord hebben. Volgens dr. Blei hebben ze nooit het laatste woord, maar ze kunnen wel van bijzonder gewicht zijn:

„'Officieel-kerkelijke uitspraken hebben voor de leden van de kerk, nog afgezien van hun eventueel inhoudelijk bepaald, feitelijk bestaand en zich doorzettend gezag, ook zoiets als een formeel gezag. Daarmee bedoel ik: christenen mogen ze tegemoet treden in het vertrouwen, hier richtingwijzende, verder helpende, maatgevende verwoording van het Evangelie te zullen aantreffen. Vertrouwen; geen absolute zekerheid. Het tegendeel zou kunnen blijken. Maar voorshands hebben de kerkelijke uitspraken recht op ons krediet.'

In het vervolg van zijn betoog gaat hij dan ook in op de leertucht. Hij staat hier zeer huiverig en gereserveerd tegenover en noemt het 'een uiterst hachelijke onderneming' (Wie zou het hier niet mee eens zijn? ? ) Toch sluit hij leertucht welbewust niet uit. 'Toch is het niet mogelijk een dergelijk justitieel leertucht-oefenen principieel uit te sluiten. 't Is denkbaar dat in tijd van nood en grote verwarring moet worden ingegrepen, ook door concrete maatregelen. Het zou kunnen gebeuren, dat er een situatie ontstaat waarin kerkleiders, ambtsdragers, hun plicht zouden verzaken als zij dat niet zouden doen.'

Ik dacht dat we in de zaak van dr. Wiersinga met zo'n situatie te maken hebben. Het gaat hier immers om het hart van het evangelie: de verkondiging van de verzoening. Hier mag de kerk niet zwijgen en ook niet stilzwijgend toezien dat aan het werk der verzoening tekort gedaan wordt.

Opmerkelijk vond ik in de overwegingen van de synode dat geen beroep gedaan werd op de oudere belijdenisgeschriften. De synode heeft niet puur formeel gemeten met het 'lineaaltje' van de belijdenis, maar heeft zich beroepen op de Schrift zelf. Ze spreekt in constatering 2 zelfs van 'het duidelijk getuigenis van de Schrift'.

Daar ligt m.i. het zwaartepunt van de synodale uitspraak. Daar ligt ook het gewicht van de zaak zelf." -

Het is duidelijk dat het hier inderdaad om een zeer gewichtige zaak gaat. De kern van het evangelie is in het geding.

Kroniekschrijver.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 maart 1976

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

KLEINE KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 maart 1976

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken