Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Abram in Egypte

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Abram in Egypte

11 minuten leestijd

En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land. En het geschiedde, als hij naderde om in Egypte te komen, dat hy zeide tot Saraï, zijn huisvrouw: ie toch, ik weet dat gij een vrouw zyt schoon van aangezicht; En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen* Dat is zijn huisvrouw, en zij zullen mij doden en u in het leven behouden. Zeg toch: ij zyt mijn zuster; opdat het mij welga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was. Ook zagen haar Farao's vorsten, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. En hij deed Abram goed om harentwil; zodat _ hij had schapen en runderen en ezelen en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen, maar de HEERE plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Saraï, Abrams huisvrouw. Toen riep Farao Abram, en zeide; Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? Waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven dat zij uw huisvrouw is? Waarom hebt gij gezegd: ij is mijn zuster; zodat ik haar tot een vrouw zou genomen hebben? en nu zie, daar is uw huisvrouw, neem haar en ga heen. En Farao gebood zijn mannen, vanwege hem, en zij geleidden hem en zijn huisvrouw en alles wat hij had. Genesis 12 : 10—20.

Honger in dat land

Wij zagen tot dusver Abram trekken door geheel Kanaan en wij zagen hem als vreemdeling verkeren in het land der belofte. Hem werd dit land toegezegd tot een erfbezit, maar niet dan voor zijn zaad; dit werd dus een belofte voor over meer dan vierhonderd jaar. En Abram geloofde dit woord.

Nog meer werd dit geloof op de proef gesteld door een hongersnood, die over dit land kwam. Zo zelfs, dat Abram de wijk moest nemen naar Egypte. En zo kwam Abrams tocht naar, verblijf in en-wederkeer uit Egypte. Hiermee werd ook Abrams tocht naar Egypte en zijn wederkeer uit Egypte type voor Israëls verblijf in Egypte en voor zijn uittocht uit Egypte: een wonderlijk voorbeeld. Heel Isrels genadeleven is uitgebeeld in Abrams leven. Hij is de Vader der gelovigen.

Zoals eenmaal Jacob met zijn zaad zal uitgaan uit Kanaan vanwege de honger, zo is ook Abram vandaar uitgegaan naar Egypte vanwege de honger. — De honger was zwaar in dat land. — Dat was — zoals de Kanttekeningen zeggen — vanwege de goddeloosheid der Kanaanieten dat het land met onvruchtbaarheid geslagen werd, hoewel het land van nature vruchtbaar was. Men moge het wenden hoe men het wil, maar zulke dingen als overvloedige zegen, watersnoden, grote droogte en allerlei natuurrampen zijn doorgaans oordelen Gods. De zonden worden bezocht. Zo is het met de zondvloed geweest. Zo zal het eens met de wereldbrand zijn. Zo nu was het hier met de goddeloosheid der Kanaanieten. En nu moest Abram daar mede onder lijden. Enerlei wedervaart de rechtvaardige met de onrechtvaardige. U hoort daar Abram ook niet met een woord over klagen: „Is dit nu het land der belofte, HEERE? Hebt Gij mij hiertoe uit Ur doen uitgaan, dat ik nu reeds, geheel aan 't begin, moet vluchten vanwege de honger uit het land van belofte? "

Abram, de stille man, zwijgt volkomen. Stil aanvaardt hij wat God over hem brengt. In het geloof. En God gebruikt dit om in Abram de grondlijn te trekken voor het Koninkrijk Gods. Calvijn meent dat dit ruwe Kanaanietenvolk geen enkel medelijden wilde betonen aan deze vrome vreemdeling, zodat hij mede daardoor zijn toevlucht nam naar Egypte. Hoe dat ook zij, Abram ging, maar hij ging om daar als vreemdelirT te vcAeren. Zoals de tekst nadrukkelijk in net begin vermeldt! Hij hield dus aan Gods belofte vast, dat dit het land zijner belofte was. En dat dus Egypte niet dan een toevluchtsoord was.

Honger is een scherp zwaard. Trof dat zwaard de Kanaanieten, het trof ook Abram: Enerlei wedervaart de rechtvaardige met de onrechtvaardige. Abram had geen deel aan de zonden der Kanaanieten, maar moest wel delen in het oordeel, dat over hen kwam. Vandaar zijn heengaan. En dan gaat Abram naar Egypte, niet naar Ur. Er is voor Abram geen weg terug! Er is voor Gods volk geen weg terug! Nog deze opmerking: Moest Abram aan het begin van zijn geloofsweg door deze diepe beproeving heen, ook hierin is hij een Vader aller gelovigen, die dan ook allen in het begin van hun geloofsweg moeten rekenen op tegenheden, op beproevingen van het juist begonnen geloof. Het is nu eenmaal een bekend feit, dat elk schip, dat zee kiest, terstond bij zijn uitvaren er rekening mee moet houden dat het door de branding heen moet. En de branding is er voor de haven van uitvaart en voor de haven van aankomst. Eens christens reis levert de grootste moeilijkheden op aan zijn begin en aan zijn eind.

Vandaar Abrams zware beproeving in de hongersnood en vlucht.

Zeg toch: gij zijt mijn zuster

Dat is het deel in de geschiedenis, dat niet met Abrams geloof heeft te maken, zo het schijnt. Toch wordt aan deze zaak een tiental verzen gewijd, terwijl er over de honger en over koren niet gerept wordt. Toch heeft deze historie wel degelijk met Abrams geloof en met Gods belofte te maken, namelijk dat aan Abrams zaad het land gegeven zal worden. Daar zijn twee bedreigingen. Vooreerst die van Abrams leven. Dan die van Abrams huweüjk. En die hebben allebei met de belofte aan Abram en zijn zaad te maken. Abram vreest door te sterven ter wille van Saraï de vervulling van Gods belofte te zullen missen. En Abram vreest door het ontroven van Saraï als zijn huisvrouw eveneens de vervulling van het beloofde zaad te zullen missen. Wat heeft de satan het toch uitgerekend gemunt op Gods belofte. En wat doet hij toch alles om de vervulling van die belofte te doen mislukken. Het gaat hier om de trouw Gods. En het gaat ten diepste om „het" Vrouwenzaad, om de Christus. Hij is het voorwerp des geloofs. Wil het geloof stranden, dan moet Hij vallen. En omdat Abram een belofte kreeg over zijn zaad en over „het" Zaad, daarom wordt hier zo'n zware aanval gedaan door satan op dit geloof van Abram. En Farao is in heel de bijbel een type van satan en een werktuig van satan.

Bij de nadering van Egypte bedacht en zeide Abram tot Sarai. nadrukkelijk staat er „zijn huisvrouw": Ziet toch, ik weet dat gij een vrouw zijt schoon van aangezicht. Dat was Saraï, opvallend schoon. De jaren hadden deze kinderloze vrouw niet veranderd. En de mensen werden toen veel ouder. Saraï stond nog in de volle schoonheid van wat God haar geschonken had. De vreze Gods doet in de ouderdom nog fris en groen zijn. Ook Saraï. Abram kent de zinnelijkheid en de wellust van die wereldse vorsten. Zo was Kanaan. Zo was Egypte. Zo was Farao. Zo was zijn hofhouding. Behagers en collaborateurs. Zij zullen mij doden en u in het leven behouden. Hier is Abram op zijn kleinst. „Vrees voor de dood. Vrees voor zijn huwelijk.

„Zeg toch, gij zijt mijn zuster." 't Was een halve waarheid. Sara was van dezelfde vader, niet van dezelfde moeder. Maar een halve waarheid is een hele leugen, 't Is niet goed, maar wij kunnen Abrams vrees verstaan. Hij kent zo die oude volkeren. Hij kent zo de koninklijke hoven. Hij kent zo de hofintrigues. Hoofse vleierij. Harem-roem onder de vorsten!

En het komt ook nog allemaal zoals Abram, de stille, wijze man gedacht heeft. Saraï's schoonheid valt op. Zij was zeer schoon. Die valt op bij Farao's vorsten. Die prijzen haar bij hun vorst, Farao. Dat is een vrouw, die de hoogste vorst onder ons moet hebben, die daar zou passen. Dat is intussen een eresaluut van Egypte voor de Godsdienst en voor de God van Abram. Godsvrucht siert. De vreze des HEEREN maakt rijk. Die geeft een schoonheid, die de wereld niet kent en die een leven in de zonde en in de wereld niet biedt.

„En die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. Te meerdere glorie van de Farao van dat land. — Daar zijn van die dingen, die een mens vreest, die men van ver ziet aankomen, en die ook metterdaad komen. Abram heeft dat wel goed gezien toen hij eenmaal in Egypte was-aangekomen. Hij had dat net zo gedacht als het nu gebeurde. Een stille, wijze geest had die man! Alleen het geloof sprak nu niet in hem. Het geloof liegt niet. Het geloof vreest niet. Het geloof gelooft op hoop tegen hoop. Maar dat geloof had Abram niet in eigen hand. En daar ging Saraï, zijn schone Saraï: „Zeg toch, gij zijt mijn zuster."

'k Dacht hoe 'k God met vreugd voor dezen Op mijn snaren had geprezen: 'k Overleid' in diepe smart 's Nachts met een mistroostig hart. En mijn geest doorzocht de reden, Waarom God die tegenheden Mij in zulk een mate zond En wat mij te duchten stond.

Zou de HEER' Zijn gunstgenoten, Dacht ik, dan altoos verstoten? Niet goedgunstig zijn voortaan? Nimmer ons meer gadeslaan? Zouden Gods beloftenissen Verder haar vervulling missen. Vrucht'loos worden afgewacht Van geslachte tot geslacht?

De HEERE plaagde Farao

Abram en Egypte, tot levensbehoud. Jacob en Egypte, tot levensbehoud. Jezus en Egypte, tot levensbehoud.

Farao deed Abram goed om Saraï's wil. zodat hij had schapen en runderen en ezelen. en knechten en maagden en ezelinnen en kemelen. En straks nam Abram mee alles wat hij had. Zo geleidden hem de Egyptenaren. En Jacobs zaad ging heen met zilver en met goud belaün. En Jezus leefde in Egypte met Zijri moeder en Jozef al de dagen die Herodes leefde en Jezus leefde van Zijn eigen goud. Daar ligt nog altijd een belofte in Jesaja 19, dat de Heere een Heiland aan Egypte zou zenden en dat de HEERE aan de Egyptenaren bekend zou worden. Dat moeten wij niet vergeten, gelijk de HEERE deze hun weldadigheid niet vergeten heeft, aan Abram en zijn zaad gedaan!

Maar de HEERE plaagde Farao, gelijk Hij later Farao plagen zal vanwege Abrams zaad. Hij plaagde Farao en zijn huis met grote plagen vanwege Saraï, Abrams huisvrouw. Wat is Abrams leven toch typisch voor Abrams hele zaad en dat om Jezus' wil! Plagen met grote plagen. Wat het voor plagen geweest zijn weten wij niet, maar Farao en zijn huis begrepen er uit dat het om Saraï was. Zo behoedde de HEERE Saraï, dat hij haar niet tot vrouw nam.

Wat is de zedelijkheid van Saraï toch weibewaard en wat is de vreze des HEEREN. die toch Abram en Saraï bezaten een groot, een veilig en welbewaard goed. Wij weten niet wat de plagen waren, maar wel dat zij groot waren en dat zij terstond in verband gebracht werden met deze ene vrouw. Misschien is het een geslachtelijk euvel geweest, maar in elk geval trof het Farao en heel zijn huis en met twee dingen: schrik en huiver aan de ene kant, ontzag en eerbied aan de andere kant. Van die mensen moet men afblijven, want zij zijn mensen Gods. zij zijn heilig.

„Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? Waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven dat zij uw huisvrouw is? Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster, zodat ik haar mij tot een vrouw zou genomen hebben? "

Farao wacht niet eens het antwoord af. En Abram, de zwijger, zegt niets. Daar zijn dingen, waar wij niets op te zeggen hebben, waarover wij ons alleen maar te schamen hebben. Later zal de HEERE tot Abram bestraffend zeggen: „Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht." De HEERE is de God der waarheid. Toch hebben Abram en Saraï zo'n indruk op Farao gemaakt, dat hij Saraï aan Abram wedergeeft en dat hij ze wegzendt met een vrijgeleide. En tekenend staat er aan het slot: „met al wat hij had". De weldadigheden, die Farao aan Abram gedaan had, nam hij niet terug. Zo'n indruk moeten deze twee mensen toch op hem gemaakt hebben, dat hij ze die vorstehjke geschenken ondanks hun vergrijp blijft waardig keuren en dat hij ze zelfs een vorstehjk geleide meegeeft. Geen wonder: het waren Koningskinderen. Geen wonder: zij droegen een belofte Gods. Geen wonder: zij werden door de belofte Gods gedragen. De belofte Gods droeg hen door hongersnood heen, droeg hen door een opgelegde scheiding en eenzaamheid heen, droeg hen door de zonde heen.

De belofte Gods is het behoud van Gods volk, is de schoonheid van Gods volk, is de kracht van Gods volk.

S.

W. L. T.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1976

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Abram in Egypte

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1976

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken