Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De eerste vertoning van Christus' lijden (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De eerste vertoning van Christus' lijden (II)

11 minuten leestijd

Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derde dage opgewekt worden. Matth. 16 : 21.

Het moeten van Christus' lijden
Er is nog meer dat onze aandacht trekt in deze woorden. Christus vertoont Zijn discipelen, dat Hij moest heengaan en lijden. Er zit dus een moeten achter, achter dat lijden van Christus. Het is niet iets toevalligs. Niet iets, dat net zo goed niet had kunnen gebeuren. Integendeel: het moest. Hij moest!

Het Goddelijke van dat moeten
Dat moeten is allereerst een Goddelijk moeten. Een moeten vanuit God Zelf. De Vader zocht voldoening voor de schuld van Zijn uitverkoren volk. Hij wilde niet afdoen van Zijn Majesteit en Heiligheid. Hij kon en Hij wilde de schuldige niet onschuldig houden. Zijn recht was geschonden. Zijn recht moest voldaan. Daar is nu de Zoon van eeuwigheid ingekomen. De Vader heeft Hem tot zonde gemaakt. Hem gegeven tot een rantsoen voor velen. Hij moest lijden, want het recht eiste en de liefde schonk. Al Gods deugden zouden verheerlijkt worden. De genade zou de waarheid blij ontmoeten, met een kus zou het recht de vrede groeten. Hij moest, dat is Goddelijk, dat is eeuwig. Het komt op uit de eeuwige vrederaad van God, van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De Zoon moest ook van Zichzelf, omdat Hij wilde. Hij heeft van eeuwigheid Zich gebogen onder dat moeten. Zie, Ik kom om Uw wil te doen. Christus wilde dat moeten om God en om Zijn volk. Ons mensen ligt zoiets niet. Als er iets moet, dan zijn wij niet thuis. „Wat moeten", zo zeggen wij, „dat zullen we dan eerst zelf nog wel eens zien". De eeuwige Zoon van de Vader was niet te hoog en te Goddelijk om nu maar heel nederig en gewillig te buigen onder dat moeten. Hij moest zijn in de dingen Zijns Vaders. Hij moest met een doop gedoopt worden. Zo vertoont Hij Zich ons: gewillig onderworpen aan het moeten Gods en zo dragend, bedekkend en verzoenend onze opstand, onze verbittering tegen dat moeten.

Het schriftuurlijke van dat moeten
Omdat het een moeten van God is, is het ook een moeten vanuit de Schriften van het Oude Verbond. Daar ligt immers het lijden van de Christus voorgetekend. De lammeren, bokken en stieren, die in de tempel bij duizenden zijn geslacht, spraken de taal van het bloed. Zonder dat zou er geen vergeving zijn. Hoe schoon werd Christus niet afgebeeld in de plechtigheden van de Grote Verzoendag. En wat ging er niet éen sprake uit van het lam van Pascha. En het is niet bij beelden en tekens alleen gebleven. Met duidelijke woorden hebben de profeten, verlicht door de Geest, van Christus het lijden verkondigd. Jesaja gaat daarbij voorop. De knecht des HEEREN zal veracht worden, Hij zal de onwaardigste onder de mensen zijn, een Man van smarten, en verzocht in krankheid. Hij zal worden verwond en verbrijzeld vanwege de schuld der zonde. Ja, Hij zal afgesneden worden uit de landen der levenden. Zo zal Zijn ziel Zich tot een schuldoffer stellen en zaad zien. Maar er zijn ook andere profeten van het Oude Verbond, die er van hebben getuigd. Zacharias bijv. sprak van de Herder, Die zou worden geslagen, terwijl de kudde zou worden verstrooid.
Het is dan ook geheel naar de Schriften dat Christus Zijn Aangezicht richt naar Jeruzalem om te lijden en te sterven. Als Hij na Zijn opstanding Zich aan de Emmaüsgangers gaat openbaren, dan verwijt Hij die hun ongeloof. Ze hadden het toch kunnen weten: „Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?"
De Heere Jezus is Zich bewust dat Hij de Schriften vervult. Hij weet Zich de Christus der Schriften. Hij weet Zich niet de Christus van de idealen en wensen van Zijn discipelen. Hij weet Zich evenmin de Christus van onze idealen en wensen. Hij was en is de Christus der Schriften en daarom moest Hij lijden. Hij is gekomen om de wet en de profeten te vervullen. En daarom komt in het leven van ieder, die met deze Christus te doen krijgt dat lijden aan de orde. Daarom wordt in zo'n leven dat lijden noodzakelijk en dierbaar!

Het bevindelijke van dat moeten
Christus moest heengaan en veel lijden. Dat moeten vindt nu ook haar weerklank in het hart en leven van een arm zondaar. Gods recht moet immers vervuld. God is onze Schepper en Formeerder. Daarom: wij vallen allen onder Zijn recht. Maar vielen we daar ook onder? Van nature doen we van alles om er onder uit te komen. We redeneren ons er onder uit. We zijn immers niet bekeerd en dan kan God toch niet van ons vragen, dat we Hem volmaakt dienen! We staan er toch nog buiten! Maar al ons praten en redeneren gaat niet op. De HEERE mag alles van ons vragen. Hij heeft er recht op. En Hij vraagt het ook. En wat gaat dat wegen in het leven van een arm en ellendig zondaar. Wat krijgt dat moeten een zwaar gewicht. Gods wet moeten volbrengen en het niet kunnen. De straf moeten dragen en er voor vrezen en beven. Dat moeten breekt al onze eigengerechtigheid, al onze vrome kracht. Wat mag het dan heerlijk opengaan: Christus moest. Hij moest heengaan naar Jeruzalem en veel lijden. „Ja, wat is het nodig, Heere Jezus Christus, dat Gij het doet", mag Gods kind dan uitroepen. „ Ik kan het niet en ik zal het ook nooit kunnen. Gij moet! Gij moet voor mij!"
Dat wekt schaamte. Hij moest vanwege mijn zonden. Omdat ik de HEERE op Zijn hart heb getrapt. Wie zo Jezus mag volgen op Zijn via dolorosa zal een rouwklage aanheffen. „ Ik deed door mijne zonden Hem al die jamm'ren aan." Maar dan mag het zijn een rouwklage in liefde en in verwondering. Hij heeft immers dat moeten op Zich genomen. Die last, die ik niet dragen kon, droeg Hij. Hij moest en Hij wilde. Hij moest, omdat Hij wilde.

Heengaan naar Jeruzalem
Als de Heere Jezus in onze tekst voor het eerst openlijk begint te spreken over Zijn lijden en sterven, dan is Hij in de delen van Cesarea Filippi. Een heidense stad in het brongebied van de Jordaan, waar het gebergte van de Hermon zich verheft. Vanuit dat land heeft de dichter van Psalm 42 verlangd naar God: „Ik gedenk Uwer uit het land van de Jordaan en Hermon." Hij voelde zich daar ver van de HEERE en zijn begeren was om te treden naar Gods huis onder de feesthoudende menigte. Heengaan naar Jeruzalem, dat hield voor die dichter in: weer kunnen komen in het heiligdom, weer mogen vertoeven in de nabijheid des HEEREN.
Wat was het dan anders voor Christus. Jeruzalem was voor Hem de offerplaats. Daar zou het altaar staan waarop Zijn leven geofferd moest worden. Heengaan naar Jeruzalem dat is voor Hem een zich richten op dat offer; een zich overgeven om geofferd te worden. Hier in het heidense land was Hij betrekkelijk veilig. Hier kon Hij Zich koesteren in de liefde en het geloof van Zijn discipelen. Hier beleed Petrus: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods." Daar in Jeruzalem was de haat en de vijandschap van de ouderlingen, overpriesters en Schriftgeleerden.
Wat een aanklacht eigenlijk! Jeruzalem was toch de stad Gods! Daar woonde toch de HEERE in het heiligdom boven het verzoendeksel! Daar mocht toch Gods gunst en nabijheid bijzonder ervaren worden! Jeruzalem, dat riep toch heerlijke verwachtingen op? Zou van Jeruzalem niet de wet uitgaan tot alle volken? Zou daar niet het vrederijk worden gesticht? Daar had Jesaja toch van gesproken! En is nu dat Jeruzalem de plaats waar de Christus veel lijden moet en gedood zal worden? Ja, dat is de werkelijkheid van een volk, dat zich in eigengerechtigde godsdienst handhaaft en de Zoon uitwerpt. Met de Naam van God op de lippen zal men de Zoon van God aan het kruis slaan. Jeruzalem, het godsdienstige Jeruzalem werpt in haar geestelijke leiders de Zoon uit. Wat een aanklacht, wat een schrijnende aanklacht. De Heere Jezus heeft die ook onder woorden gebracht: „Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen bijeen willen vergaderen, gelijk een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen en gij hebt niet gewild."
Wat een aanklacht voor ons, voor u en mij, als we ook nu nog met zakken vol godsdienst de Zoon uitwerpen. En we moeten zeggen: het is juist die godsdienst die Jezus uitwerpt. De godsdienst wil immers zelf, altijd weer zelf, soms zelfs op een heel geraffineerde manier, zodat een ander er van onder de indruk komt en wij worden aangezien voor zeer ernstig en vroomd. 'Maar Christus breekt alle godsdienst. Bij Hem is het: Ik voor u, daar gij anders! En dat ligt ons niet. Evenmin, als het de geestelijke leiders van Jeruzalem lag. Daar moeten wij voor ingewonnen worden. Daar wordt een mens voor ingewonnen door de afbraak van zichzelf heen. Maar dat is dan ook rijk. Dat geeft dan ook vrede. Dat alleen, Dat volkomen, want Hij is onze vrede. De straf, die ons de vrede aanbrengt was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
Christus moest heengaan naar Jeruzalem. Nog vele kilometers scheiden Hem van Jeruzalem, maar Hij aanvaardt de reis. Hij geeft Zich over. Zo kan een ongeneeslijk zieke naar het ziekenhuis gaan. Hij weet dat hij er niet meer uit zal komen. Hij gaat er heen om te sterven. Er wordt in principe afscheid genomen van wat zo vertrouwd en dierbaar was. Men gaat heen. Men richt zich er op. Men geeft zich er aan over. Veel meer en veel dieper is dat nog bij Christus. De dondere wolken van Gods toorn pakken samen boven Zijn levenshorizon. Daar ver in het zuiden ligt Jeruzalem. Het zal Hem niets goeds brengen en toch Hij gaat gewillig: als een lam ter slachting. Hij wordt geleid en Hij gaat en zo vervult Hij al de gerechtigheid Gods. Zo drinkt Hij heel de beker van het lijden leeg.

Hij moest veel lijden en gedood worden
Opmerkelijk is het, dat de Heere Jezus hier al Zijn discipelen laat zien, hoe er lijden aan Zijn dood zal voorafgaan. Hij zal de dood niet vinden zonder lijden. Als iemand plotseling sterft, spreekt de volksmond nog wel eens van een mooie dood. Zo'n dood zal Christus niet sterven. Zijn dood zal liggen aan het eind van een smartelijke lijdensweg. Christus spreekt van véél lijden. De drinkbeker van het lijden zal Hij moeten leegdrinken van de eerste tot de laatste druppel. Er wordt Hem geen druppel geschonken. Hij zou dat ook niet willen. „De drinkbeker, die Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?" Veel lijden. De Heere Jezus moet er niet licht over. Het is ook niet licht.
Het is zwaar, zéér zwaar. Het is een weg onder de eeuwige gerichten Gods. Hij zal veel lijden en dan ook gedood worden. Ook dat is niet toevallig. Het hoort er helemaal bij, dat Hij gedood wordt. Het hoort immers bij de straf op de zonde, op uw zonde, op mijn zonde. Alzo Hij de Zijnen heeft liefgehad, zo heeft Hij ze liefgehad tot het einde. Zijn liefde is sterker dan de dood.

En ten derde dage opgewekt worden
In grove lijnen schetst hier de Heere Jezus de weg die voor Hem ligt. Die weg voert door een donker en diep dal. Maar dan toch ook: naar omhoog. Er is een vreugde Hem voorgesteld van eeuwigheid. Een lijdensweg, maar ook een vreugde. Hij zal ten derde dage opgewekt worden. De Vader zal Hem niet alleen laten. Het Goddelijk Amen zal klinken over Zijn werk. Het graf zal openbreken, het nieuwe leven zal beginnen. Het leven, waarin Hij Zijn volk de gerechtigheid en het leven zal wedergeven.
Zo tekent Christus hier de lijnen van Zijn lijden en opstanding. De discipelen hebben er niet aan gewild. Aan het eerste niet en aan het laatste eigenlijk ook niet. En wij, die er zo vaak en zoveel van hoorden? „Ziet toe, dat gij Dien, Die spreekt, niet verwerpt!"

Brandofferen, noch offer voor de schuld,
Voldeden aan Uw eis, noch eer.
Toen zeid' ik: Zie, ik kom, o HEER'.
De rol des boeks is met mijn naam vervuld.
Mijn ziel, U opgedragen,
Wil U alleen behagen;
Mijn liefd' en ijver brandt;
Ik draag Uw heil'ge wet,
Die Gij den sterv'ling zet,
In 't binnenst' ingewand.
A. Jac. W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1977

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De eerste vertoning van Christus' lijden (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 februari 1977

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken