Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kohlbrugge's ,Enige vragen en antwoorden' (19)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kohlbrugge's ,Enige vragen en antwoorden' (19)

11 minuten leestijd

Het geestelijke leven komt dus altijd weer boven, omdat het zaad in de gelovige blijft: „Zijn zaad blijft in hem". — Dit zaad van God is Gods Woord. Dit Woord van God is levend en machtig, het gaat door alles heen, het spreekt in het hart en getuigt daar aldoor; het vervult het hart, hetzelve overweldigende zacht en teer, met zinnen en peinzen, overdenken en overleggen; en waar God dat Woord in de macht van Zijn liefde in het hart gelegd heeft, daar blijft het in het hart liggen en werkt zelf verootmoediging en geloof aan eeuwige genade; werkt erkenning van eigen, totale verlorenheid en een levend bewustzijn van het heil van God en van Christus. En gelijkerwijs dit zaad de daden van God, de daden van Zijn genade, van Zijn liefde, zoals die steeds als de eerste ons is vóórgekomen, de daden van Zijn trouw en onverdiende hulp verheerlijkt in onze algehele verlorenheid, — zo is het ook voortdurend bezig het hart van de uit God geborene te bewerken, dat het klopt van wederliefde jegens die, die ook uit God geboren is, om hem, met verzaking van zichzelf, zijn leven lang enkel goeds te doen toekomen".
Dit Woord van God is onveranderlijk — het getuigt aldoor! Toch is tegelijk niemand van Gods heiligen, zolang hij leeft tegen enige zonde zeker, maar steeds tot alle boosheid geneigd. Vandaar dat Kohlbrugge bij dit laatste een moment stil staat en vraagt:
„Wat verstaan de apostelen Johannes en Paulus onder de woorden „zonde" en „zondigen", bijv. in 1 Joh. 3 : 9 en Hebr. 10 : 26?
Dat wij naast het geloof werken zoeken tot onze rechtvaardigmaking, dié Jezus miskennen, Die in het vlees gekomen is, en de ware heiligen verlaten, uit liefde tot de wereld of uit vrees voor tijdelijk leed of verlies.
Bij de tekst 1 Joh. 3 : 9 heeft Kohlbrugge gezegd over de zonde: „Daar zien wij, dat de zonden, waarvan de apostel spreekt, zonden zijn van tegenkanting tegen de zuivere prediking van Christus en tegen de oprechten, die zulk een getuigenis brengen", en de woorden van Johannes „zonde doen" verklaart hij als volgt: „dat iemand degene vijandig bejegent, die hem bestraft, dat zijn werken niet in God gedaan zijn, en die zichzelf in zijn eigengerechtige werken staande houdt, als ware hij daarin uit God".
Zonde, vanuit de heiligmaking gezien, is dus: naast het geloof alléén werken zoeken om onszelf te handhaven, en dus: Christus miskennen en ook: onze naaste ontlopen, die ons Christus alleen voorhoudt!
Vanuit het woord van Hebr. 10 : 26 heeft Kohlbrugge het karakter van deze zonde omschreven: „Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden..."
„Ernstige woorden zijn het, deze woorden van de apostel. Laat ons eerst de vraag stellen: wat betekent hier „zondigen"? De apostel gebruikt het woord „want" en verbindt dus vers 26 met Ket voorgaande. Het zondigen, dat hier bedoeld wordt, bestaat derhalve daarin, dat men de onderlinge bijeenkomst nalaat: de liefde heeft opgehouden, men gevoelt zich bestraft, gaat ergens anders heen, hetzij naar kerkelijke, hetzij naar wereldse bijeenkomsten, waar men kan krijgen, wat men begeert. Dat is dus zondigen: de gemeenschap der heiligen prijsgeven of verlaten. — De apostel Johannes schrijft: „En iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet", dat wil zeggen: die verlaat de leer niet.
„Willens zondigen" is: vrijwillig zondigen. Men is niet gedwongen om het te doen. Het geschiedt óf omdat men zich ergert aan de leer, óf omdat men er door bestraft wordt, óf omdat men er overzat van is, — óf men geeft ze prijs, om iets in de wereld te verkrijgen: de man een vrouw, de vrouw een man enz. Dat is willens zondigen......''
Vervolgens komt Kohlbrugge nu rechtstreeks terug op de heiligmaking van de Heilige Geest, en noemt hij daartoe een tekst, waarover hij een van zijn meest bekende, en meest omstreden preken gehouden heeft: Hebr. 12 : 14: „Jaagt de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal......''
„Wat verstaat de apostel onder heiligmaking, Hebr. 12 : 14?
De heiligmaking in het bloed en door de Geest van Christus.
In een brief aan een vriend heeft Kohlbrugge het volgende over deze tekst geschreven: „Vers 14 staat: vrede jaagt na met allen en DE heiligmaking, op dit de moet gij de nadruk leggen, en lezen alsof er stond die, zoals de overzetters van de Statenbijbel dit wel op andere plaatsen waargenomen hebben, bijv. Jacobus 2 : 14, maar...... hier over het hoofd gezien hebben...... De mening is: jaagt die heiliging na, (dat heilig geworden zijn, zonder hetwelk) zonder welke — en dat die is in tegenstelling met het Farisees zich heilig maken om maar in de hemel te komen, waar God niet woont......''
„Er is tweeërlei heiligmaking", zo schrijft Kohlbrugge op een andere plaats over dezelfde tekst, „een naar het vlees en een naar de Geest. De Hebreeën zochten een heiligmaking, om bevrijd te zijn van alle zonden en hartstochten; daartoe zochten zij echter hulpmiddelen in de tempel en zijn voorschriften, geboden en inzettingen der mensen. Bij het gevoel van zijn zonde en in de strijd met haar en de hartstochten heeft men echter te blijven bij de genade, bij de gerechtigheid en reiniging in het bloed van Christus, van al het andere af te zien en met alle krachten der ziel naar deze heiligmaking te jagen".
Te blijven bij de reiniging in het bloed van Christus, bij dit „heilig-gemaakt-zijn" in het ene offer van het Lam Gods: dat is dè heiligmaking — en déze na te jagen, daartoe roept de apostel op.
„Als nu de apostel hier spreekt van een „najagen", dan is dat een oneigenlijke wijze van spreken', evenals: „Werkt om de spijze die blijft" (Joh. 6 : 27); „strijdt om in te gaan door de enge poort" (Luk. 13 : 24); en is zoveel gezegd als: In plaats dat gij er op uit zijt om heilig te worden naar uw mening van heiligheid, zo zijt gij veeleer daarop uit, dat gij dat heilig-gemaakt-zijn deelachtig zijt, zonder hetwelk niemand de Heere zien zal. Daarom is dit de rechte wijze van doen, dat men daarop uit is, dat men dat heiliggemaakt- zijn deelachtig worde, in hetwelk men de Heere zien zal; en dat bestaat daarin, dat een mens, zo het er hem waarlijk om gaat, dat de vrucht des Geestes bij hem gevonden, en hij van zijn zonden verlost zij, ondanks alle gevoel van zijn grote en zware zondennood, ondanks alle macht en bedreiging van het zichtbare, ondanks de schijn, dat hij gedurig al dieper zinkt en wegzinkt, de genade er niet aan geeft, maar er zich geheel aan toebetrouwt, ze vasthoudende te midden van zijn verlorenheid en van zijn verzinken. Hij houde zich vast aan het geloof, en dat zonder handen; hij zie voortdurend op tot Christus aan de rechterhand van de Vader, en dat zonder ogen, hij blijve gaan op de goede weg der zaligheid van Christus, altijd voorwaarts, zonder voeten, — zo zal hij zijn vrucht hebben, zijn heiliggemaakt- zijn (Rom. 6 : 22) en het einde hebben van de strijd des geloofs, namelijk het eeuwige leven (2 Tim. 4 : 7)" ......Want dat blijft een eeuwige waarheid, dat de reinigmaking van onze zonden, ons heiliggemaakt- zijn, is in het bloed van een onbevlekt Lam...... "
Wanneer we dit horen, dit uitsluitend leven vanuit de bron, dan is de vraag begrijpelijk: maar ontkent Kohlbrugge dan de zogenaamde „dadelijke heiligmaking", wil hij niets weten van 'n leven der heiligmaking in het leven van de kinderen Gods?
Laten we Kohlbrugge zelf aan het woord laten om deze vraag, hem zo dikwijls gesteld, te beantwoorden:
„Is er nog een heiligmaking in een andere zin?
Ja, volgens Rom. 12 : 1; 1 Thess. 4 : 3 ; Rom. 6 : 12, 19. Deze komt uit de eerste voort in lijdzaamheid, als wij de eerste najagen.
Kohlbrugge bedoelt: wanneer wij dè heiligmaking in het bloed van Christus najagen, komt uit dit heilig-gemaakt-zijn een „andere" heiligmaking voort in lijdzaamheid.
We gaan de drie teksten, die hij hierbij aanhaalt, na:
Rom. 12 : 1: „Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst".
„Dit staat in tegenstelling met eigengerechtige, zelfgekozen monniken-werken, die de mens aan God tot een offer brengen wil, en waarbij hij zichzelf met lichaam en ziel aan God onttrekt. De gevolgen daarvan zijn allerlei zonden van lusten van het vlees, brasserijen, dronkenschappen, eergierigheid, toorn, enz. Dat is een onredelijke godsdienst.
In tegenstelling daarmee vermaant Paulus tot een redelijke godsdienst, te weten: dat men zijn eigen lichaam stelle tot een offerande; immers om het lichaam gaat het toch het meest, als de mens zondigt; dit stelt hij overal voorop, hiervoor moet alles wijken; de mens zoekt zichzelf en niet wat van de ander is. Zo gaat het derhalve om de zelfverloochening, dat een mens in het beroep, door God hem aangewezen, blijve en volharde, en er zich niet naar eigen keus en eigen begeerlijkheid van afmake. Dit is voorwaar onder alle verkeerdheid en ongerechtigheid der wereld een ware offerande".
1 Thess. 4 : 3 : „Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat gij u onthoudt van de hoererij" — „Het is de wil van God in het algemeen, dat wij zalig worden. Hier is sprake van een bijzondere wil. Heiligmaking is hier kuisheid. God wil een onbevlekt, een onberispelijk lichaam. (1 Thess. 5 : 23) — „Onthoudt", — het stro brandt niet, als het van het vuur verwijderd wordt gehouden".
Rom. 6 : 19: ........alzo stelt nu uw leden, om dienstbaar te zijn der gerechtigheid, tot heiligmaking".
Het is met name de preek over deze laatste tekst, die door een ieder gelezen zou moeten zijn, die altijd opnieuw blijft beweren dat Kohlbrugge van de heiligmaking ten diepste niet weten wil, en de heiligmaking volkomen in de rechtvaardigmaking laat opgaan. Hoor hem spreken in de inleiding van deze preek:
„Is de rechtvaardigmaking uit het geloof alleen genoeg, of moet er ook nog de heiligmaking bij komen, om zalig te worden? Deze vraag heeft tot op de huidige dag elke ziel, die ook maar enige kennis aangaande het leven uit God gehad heeft, beziggehouden. Dogmatisch is deze vraag in zoverre beslist, dat men met recht beweert, dat de heiligmaking in haar wezen van de rechtvaardigmaking onderscheiden is, en dat de heiligmaking bij de rechtvaardigmaking komen moet; en de leer, dat de heiligmaking en de rechtvaardigmaking een en hetzelfde is, of dat de mens de heiligmaking niet nodig heeft, is van de vroegste tijden af, met evenveel recht, als ketterij verworpen geworden". Met name de laatste zin, deze eigen woorden van Kohlbrugge, zouden toch wel voorgoed het hardnekkig misverstand rond zijn leer aangaande de heiligmaking uit de wereld kunnen helpen! Dat heiligmaking en rechtvaardigmaking een en hetzelfde zou zijn, noemt Kohlbrugge zelf een ketterij! De uitspraak van het geloof: „Ik ben heilig in Christus" betekent nooit, dat het leven van de christen op aarde er niet meer toe doet:
„De Heilige Geest kan het niet behagen, dat iemand zegt: „Ik ben heilig in Christus Jezus", en dat hij te gelijkertijd een slaaf is van 't zichtbare en van de verborgen begeerlijkheden; want wie vader of moeder, kind of vrouw, de wereld en het doorkomen door de wereld, eer en aanzien bij de mensen liever heeft dan de Heere, van die mens zegt de Heere zelf: „Hij is Mijns niet waardig", en elders: „Heb afgehouwen wat u ergert".
Evenmin kan het de Heilige Geest behagen, dat een mens als het ware tussen hemel en aarde zweeft, om enerzijds de noodzakelijkheid der heiliging als leerbegrip te handhaven en dan wederom deze noodzakelijkheid ten opzichte van zichzelf weg te werpen en zich voor Gods rechterstoel achter de gerechtigheid van Christus te verschuilen, als ware de heiligmaking geldig voor deze aarde, en de gerechtigheid van Christus, om in de hemel te komen".

E. H. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1977

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Kohlbrugge's ,Enige vragen en antwoorden' (19)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juli 1977

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken